Bouwbesluit Online 2012


II Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1Algemene bepalingen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

Algemeen geldt dat de begripsbepalingen van het Bouwbesluit 2012 tevens van toepassing zijn op de Regeling Bouwbesluit 2012. In aanvulling op die begripsbepalingen is in de regeling een beperkt aantal begripsbepalingen opgenomen. Aangezien veel in de Regeling Bouwbesluit 2012 gehanteerde begrippen zijn opgenomen in begripsbepalingen van het Bouwbesluit 2012 zelf, in andere voorschriften en in normen, is het aantal begripsbepalingen in deze regeling beperkt gebleven.Voortvloeiend uit de verordening bouwproducten zijn ten opzichte van de Regeling Bouwbesluit 2003 de vier nieuwe begripsbepalingen voor aangemelde instantie, aanmeldende autoriteit, prestatieverklaring en technische beoordelingsinstantie opgenomen.

De aangemelde instanties (in Europees verband worden deze instanties Notified Bodies genoemd) als bedoeld in artikel 39 van de verordening bouwproducten zijn instanties die door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden aangewezen en aangemeld zijn bij de Europese Commissie. Daarmee zijn zij bevoegd om specifieke taken uit te voeren bij de beoordeling en verificatie van de prestatiebestendigheid in het kader van de verordening bouwproducten. Van belang voor de betrouwbaarheid van de CE-markering op het product is dat deze aangemelde instanties onafhankelijk zijn van de producent en of importeur. Daarbij moeten deze instanties van voldoende kwaliteit zijn om deze beoordeling en verificatie uit te voeren. De door Nederland aangemelde instanties zijn opgenomen in de Nando-database die geplaatst is op de website van de Europese Commissie.De aanmeldende autoriteit is verantwoordelijk voor de instelling en uitvoering van de procedures voor de beoordeling en aanmelding van de instanties die zullen worden gemachtigd om taken van derden uit te voeren bij de beoordeling en verificatie van de bestendigheid van de prestaties voor de toepassing van de verordening bouwproducten. Tevens houdt de aanmeldende autoriteit toezicht op de aangemelde instanties.In de prestatieverklaring zijn de prestaties van bouwproducten geformuleerd met betrekking tot hun essentiële kenmerken overeenkomstig de relevante geharmoniseerde technische specificaties. Een technische beoordelingsinstantie, voorheen goedkeuringsinstantie, verstrekt de Europese technische beoordeling in een productgebied waarvoor zij is aangewezen.

In de wijziging Stcrt. 2013, 16919 is naar een ISSO publicatie verwezen. Daarom is het nodig dit begrip te definiëren.

In Stcrt. 2014, 4047 zijn de begrippen conformiteitscertificaat, conformiteitsverklaring, Europese goedkeuringsrichtlijn, Europese technische goedkeuring, geharmoniseerde norm en prestatieverklaring vervallen. De eerste vier begrippen zijn vervallen omdat zij na de volledige inwerkingtreding van de verordening bouwproducten geen rol meer spelen in de nationale regelgeving. De begrippen geharmoniseerde norm en prestatieverklaring zijn hier vervallen omdat deze begrippen nu in het Bouwbesluit 2012 zijn gedefinieerd.

Bij Stcrt. 2017, 73470 is een drietal nieuwe begripsbepalingen opgenomen. De begrippen bijeenkomstgebouw en celgebouw zijn nodig om te voldoen aan de eis dat met ingang van 1 januari 2019 nieuwe gebouwen waarvan de overheid eigenaar is en waarin overheidsinstanties zijn gevestigd bijna energieneutraal zijn. Het begrip kantoorgebouw dat hiervoor ook nodig is, is in de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende drijvende bouwwerken, de milieugrenswaarde en enkele andere wijzigingen (Stb. 2017, 494) opgenomen. In artikel 5.2, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 zoals dat luidt na de hiervoor genoemde wijziging wordt in overeenstemming met de herziene EPBD gesproken van gebouwen en niet van gebruiksfuncties. Met genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 is het kantoorgebouw gedefinieerd als gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan. In de voorliggende wijzigingsregeling zijn vergelijkbare definities opgenomen voor bijeenkomstgebouw en celgebouw. Zij zijn gedefinieerd als een gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer (bijeenkomst/cel) functies en nevenfuncties daarvan. Hieruit volgt dat een dergelijk gebouw een afzonderlijk gebouw kan zijn maar ook een onderdeel van een groter gebouw. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld een celfunctie zelf een nevenfunctie van een andere gebruiksfunctie is. In een dergelijk geval kan er geen sprake zijn van een celgebouw. In deze systematiek geldt hetzelfde voor een bijeenkomstfunctie en een kantoorfunctie. Voor het nieuwe begrip veiligheidsafstand wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.12.

Bij Stcrt. 2020, 13004 is de begripsomschrijving van de Minister voor Wonen en Rijksdienst aangepast naar Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 1.2NEN

In het eerste lid wordt voor de datum van uitgifte van de in het besluit en deze regeling, aangewezen normbladen en het van toepassing zijn van op deze normbladen uitgebrachte correctie-, wijzigings-, of aanvullingsbladen verwezen naar bijlage I bij deze regeling en wat betreft de constructienormen in de afdelingen 2.1 en 2.2 naar bijlage II bij deze regeling.In het tweede lid is bepaald dat bij doorverwijzing vanuit een in bijlage I of bijlage II aangestuurde norm voor de bouwregelgeving uitsluitend de doorverwijzingen naar andere in bijlage I respectievelijk bijlage II aangestuurde normen of onderdeel daarvan van toepassing is. Verwijzingsketens binnen normen worden, mede gezien het belang van beperking van regeldruk, voor de technische bouwregelgeving zo veel mogelijk beperkt. Nieuw is dat bij een aantal recente uitgaven van NEN-normen de daarin geïntegreerde wijzigings- en/of correctiebladen nu ook in de aanduiding van die normen is weergegeven. In de bijlagen zijn deze nieuwe aanduidingen vermeld.Van het tweede lid uitgezonderd zijn de NEN-normen voor gas, water en elektriciteit, aangewezen in de afdelingen 6.2 en 6.3 van het besluit. De genoemde normen voor gas, water en elektriciteit vallen niet onder de zogenoemde ‘bouwnormen’ en zijn voor wat betreft inhoud en structuur onvoldoende afgestemd op de publieke verwijzing vanuit de bouwregelgeving.

Stcrt. 2013, 5457 bevat een vijftal wijzigingen van bijlage I en een tweetal wijzigingen van bijlage II. In bijlage I is een nieuwe verwijzing naar NEN 2575 2004 opgenomen, die dezelfde is als die daarvoor heeft gegolden. Ook is een nieuwe verwijzing naar NEN 5077+C3:2012 opgenomen en is de verwijzing naar NEN 5077:2006 vervallen. Verder zijn in bijlage I de verwijzingen naar NEN 6092:1995 en NEN-EN 1997-2+C1:2010 vervallen. In bijlage II is de verwijzing naar NEN-EN 1993-1-4:2006 aangepast en is een nieuwe verwijzing naar NEN-EN 1997-2 opgenomen. De verwijzing naar NEN-EN 1997-2 is naar bijlage II verplaatst omdat het een in de afdeling 2.1 van het Bouwbesluit 2012 aangewezen NEN-EN betreft. Ook is daarbij voortaan de nationale bijlage NB:2011 van toepassing.

Zowel bijlage I, behorende bij artikel 1.2 als bijlage II, behorende bij artikel 1.2 zijn bij Stcrt. 2014, 4057 opnieuw vastgesteld. Hiervoor is in overleg met NEN gekozen omdat er sprake is van een aanzienlijk aantal grotendeels redactionele wijzigingen. De meeste van die wijzigingen hebben betrekking op de wijze waarop de normen geciteerd zijn, daarnaast is in enkele gevallen sprake van nieuwe (geconsolideerde) versies. Ook is soms sprake van het toevoegen van een nationale bijlage of van het opnemen van een nieuw correctieblad. In een enkel geval is een nieuwe versie van de norm aangewezen. Alleen bij NEN 8701 is sprake van een meer fundamentele wijziging. Die tweedelijns norm werd namelijk eerder nog niet aangewezen. Overeenkomstig artikel 1.2, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012, zijn de verwijzingen naar deze norm door het aanwijzen van deze norm van toepassing. In de navolgende normen zijn ondergeschikte wijzigingen als hierboven beschreven opgenomen:

Bijlage I

NEN 1068; NEN 1413; NEN 2535; NEN 2559; NEN 2608; NEN 2768; NEN 2991; NEN 5077; NEN 5087; NEN 5096; NEN 6061; NEN 6068; NEN 6075; NEN 7120; NEN 8701; NEN-EN 13501; NEN-EN-IEC 61936.

Bijlage II

NEN-EN 1991 (twee maal); NEN-EN 1993 (negen maal); NEN-EN 1996.

Bij Stcrt. 2014, 34076, zijn in bijlage I de verwijzingen naar NEN 1068 en NEN 7120 geactualiseerd.

Bij Stcrt. 2014, 37003, is in bijlage I van de Regeling Bouwbesluit 2012 een correctie in de verwijzingen naar NEN 1068 en NEN 7120 aangebracht.

In Stcrt 2015, 17338 zijn een zevental wijzigingen van bijlage I. opgenomen. Met deze wijzigingen zijn de laatste versies van de desbetreffende normen aangewezen. In bijlage I zijn nieuwe verwijzingen naar NEN 1010, NEN 2575, NEN 3011, NEN 3215, NEN–EN 1838 en NEN-EN-IEC 61936 opgenomen. Ook zijn verwijzingen naar zevental normen vervallen, omdat deze normen niet meer in het Bouwbesluit 2012 worden aangestuurd. Er wordt op gewezen dat NEN 2575 2004 vervangen is door vijf nieuwe onderdelen. Wat betreft de verwijzing naar NEN–EN 1838 wordt opgemerkt dat voortaan de versie van 1999 voor bestaande bouw als de versie van 2013 voor nieuwbouw wordt aangewezen. Hierbij is echter voor de toepassing van artikel 6.24, tweede lid, van het Bouwbesluit een uitzondering gemaakt. Ook bij nieuw te bouwen wegtunnels mag worden uitgegaan van de normversie van 1999. In bijlage II zijn bij Stcrt, 2015, 17338, nieuwe verwijzingen naar NEN-EN 1991, NEN-EN 1993, NEN-EN 1994, NEN-EN 1995 en NEN-EN 1999 opgenomen.

In Stcrt. 2015, 45221 is een zestal wijzigingen van bijlage I doorgevoerd. Met deze wijzigingen zijn de laatste versies van de desbetreffende nationale normen aangewezen. Evenzo zijn van een viertal normen in bijlage II bij de wijziging in die Staatscourant de laatste versies aangewezen.

In Stcrt. 2016, 71548 zijn de verwijzingen naar de normbladen NEN 1006, NEN 1010, NEN 1594, NEN 2768, NEN 5087, NEN 6068 en NEN EN 1997 1 geactualiseerd. Voor bestaande funderingen en verbouw van funderingen is NEN EN 1997-1+C1:2011 en NB:2012 aangewezen.

Bij deze wijzigingsregeling is van een aantal in bijlage I opgenomen normen een nieuwere versie aangewezen. NEN 1006:2015 Algemene voorschriften voor leidingwaterinstallaties is aangepast aan de Europese norm voor leidingwaterinstallaties (de zogenoemde NEN-EN 806-serie). Met NEN 1010:2015 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties is de Europese norm voor laagspanningsinstallaties (de zogenoemde HD-IEC 60364-reeks) omgezet. Bij de overige normen gaat het om meer ondergeschikte aanpassingen, verduidelijkingen of een beperkte toepassingsuitbreiding.

In bijlage II is de constructienorm voor funderingen (NEN-EN 1997-1) aangepast voor nieuwbouw. In deze norm is de puntdraagkracht van funderingspalen met 30% gereduceerd ten opzichte van de huidige norm. Uit onderzoek is gebleken dat het voorgestane veiligheidsniveau van het Bouwbesluit 2012 niet aantoonbaar gehaald kan worden met de huidige paaldraagkrachtfactoren. Vergelijking met buitenlandse normen bevestigt dit.Voor bestaande bouw en verbouw is de eerder aangestuurde versie van de NEN-EN 1997-1, een tweedelijns norm die volgt uit de NEN 8700, nog van toepassing en geldt de verzwaring dus niet.

Op verzoek van NEN zijn bij Stcrt. 2017, 73470 nieuwe versies van een aantal NEN-normen aangewezen in bijlage I en II van de Regeling Bouwbesluit 2012. Het gaat in alle gevallen om relatief beperkte wijzigingen van bestaande normen. Het betreft de normbladen NEN 1010, NEN 1068, NEN 2559,,NEN 2608, NEN 2991, NEN 6069, NEN 6090, NEN 7120, NVN 7125, NEN-EN 1992-1-1, NEN-EN 1992-2, NEN-EN 1993-1-1, NEN-EN 1993-1-4, NEN-EN 1993-1-5, NEN-EN 1993-1-6, NEN EN 1993-1-8, NEN-EN 1993-1-10 en NEN-EN 1993-4-2.

Wat betreft de wijzing van NEN 1068 geldt dat deze versie vooralsnog alleen geldt als tweedelijnsnorm bij de nieuwe NEN 7120 voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen. Voor NEN 7120 geldt dat deze nieuwe versie ook alleen geldt voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen, in samenhang met de RVO-Handreiking BENG. De nieuwe versie van NEN 7125 is de opvolger van NVN 7125 en gaat ook vooralsnog alleen gelden voor de BENG-eisen voor overheidsgebouwen in samenhang met de RVO-Handreiking BENG.

Verder zijn op grond van dit artikel de nadere voorschriften omtrent NEN-EN 1997-1 in relatie tot de paalpuntfactoren verder verduidelijkt.

Stcrt. 2018, 72508 bevat een groot aantal aanpassingen van de aansturing van normbladen, zodat de aangestuurde normbladen zoveel mogelijk de door NEN gepubliceerde actuele versies zijn.

Stcrt. 2019, 36206 bevat een aantal aanpassingen van de aansturing van normbladen, zodat de aangestuurde normbladen zoveel mogelijk de door NEN gepubliceerde actuele versies zijn. Met deze wijziging is ook de aansturing van NEN 7120 aangepast. Bij die wijziging inzake NEN 7120 wordt het wijzigingsblad A1:2017 en correctieblad A1:2017/ C1:2017 alleen aangewezen voor wat betreft de hierin opgenomen wijzigingen van bijlage E van NEN 7120. Bijlage E heeft betrekking op de correcte waardering van de lucht-waterwarmtepompen voor het maken van een EPC-berekening. Met de andere onderdelen van het wijzigingsblad A1:2017 en het correctieblad A1:2017/C1:2017 op NEN 7120 behoeft dus geen rekening te worden gehouden. Dit is alleen anders wanneer artikel 3.6 van de Regeling Bouwbesluit 2012 van toepassing is, in dat geval geldt het volledige wijzigingsblad A1:2017 en het correctieblad A1:2017/C1:2017. Genoemd artikel 3.6 stelt eisen aan bijna energie-neutrale overheidsgebouwen.

Bi Stcrt. 2020, 13004 is dit artikel gewijzigd. In artikel 1.2, eerste lid, is de verwijzing naar de in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 aangewezen normen geregeld. Voor de inwerkingtreding van het besluit EPBD III en de voorliggende wijzigingsregeling ging het daarbij alleen om normen van de categorieën NEN, NEN-EN, NVN, en V. Voortaan gaat het ook om de NTA en de BRL. Het begrip NTA is in het besluit EPBD III gedefinieerd.

Deze wijziging betekent ook dat de van toepassing zijnde versie van de NTA of een BRL op een nader te bepalen moment in bijlage I bij de Regeling bouwbesluit 2012 wordt opgenomen.

Met de wijzigingen in Stcrt. 2020, 37664 wordt bijlage I bij de Regeling Bouwbesluit 2012 aangepast. Zie hiervoor ook het algemeen deel van de toelichting bij de wijziging van de regeling (Stcrt. 2020, 37764). Overeenkomstig artikel 1.2 van de Regeling Bouwbesluit 2012 is in bijlage I bepaald welke uitgave van een BRL, NEN, NEN-EN, NTA, NVN, of V geldt. Met voorliggende wijziging is bepaald dat voor BRL 9500-U en 9500-W en voor BRL 9501 de versie van 28 november 2019, inclusief wijzigingsbladen van 1 juli 2020, geldt. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling wordt de aanwijzing van BRL 9500 en BRL 9501 in de Regeling energieprestatie gebouwen aangepast aan deze laatste versies. Dit is in een separate wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen opgenomen.

Verder wordt opgemerkt dat de verwijzing naar NEN 7120 (de EPC-norm) vervalt en daarvoor in de plaats komt de verwijzing naar NTA 8800 (de norm voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en aandeel hernieuwbare energie). Ook NEN 1068 vervalt, de inhoud van die norm is opgenomen in NTA 8800.

Met de wijzigingen in Stcrt. 2020, 66972 is bijlage I bij de Regeling Bouwbesluit 2012 aangepast. Zie hiervoor ook het algemeen deel van de toelichting bij de wijziging van de regeling (Stcrt. 2020, 66972). Overeenkomstig artikel 1.2 van de Regeling Bouwbesluit 2012 is in bijlage I bepaald welke uitgave van een BRL in de 9500-serie en van NTA 8800, geldt. Met voorliggende wijziging is bepaald dat voor BRL 9500-U en 9500-W en voor BRL 9501 de versie van 15 april 2020, inclusief wijzigingsbladen van 15 december 2020, geldt. Voor NTA 8800 geldt NTA 8800+A1:2020.

Bij Stcrt. 2020, 66974 is bijlage I wat betreft het verwijzen naar normbladen geactualiseerd. Het betreft:

1. NEN 1010:2015 Elektrische installaties voor laagspanning. Nederlandse implementatie van de HD-IEC 60364-reeks, inclusief correctieblad C2:2016 en wijzigingsblad A1:2020 Aan de vorige versie van NEN 1010 is een wijzigingsblad A1:2020 toegevoegd. Met dit wijzigingsblad zijn de teksten over de brandclassificering van kabels in elektrische laagspanningsinstallaties geschrapt. Dit is gebeurd naar aanleiding van de eerdere wijziging van het Bouwbesluit (Staatsblad 2020, 189) waarbij in artikel 2.69a Elektrische leidingen en pijpisolatie eisen zijn opgenomen voor deze brandclassificering bepaalt volgens NEN-EN 13501-6. Met dit wijzigingsblad A1:2020 wordt verduidelijkt dat uit de NEN 1010 geen eisen volgen ten aanzien van de brandclassificering van kabels.
2. NEN 2654-1+C1:2018 Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties, Deel 1: Brandmeldinstallaties In de vorige versie van NEN 2654-1 zaten een aantal redactionele fouten in de interne verwijzing naar normartikelen. Deze fouten zijn gecorrigeerd in de correctie C1:2018.
3. NEN 2757-1 2019 Bepalingsmethoden van de geschiktheid van systemen voor de afvoer van rookgas van gebouwgebonden installaties - Deel 1: Installaties met een belasting kleiner dan of gelijk aan 130 kW op bovenwaarde De nieuwe versie van NEN 2757 is afgestemd op een wijziging die eerder in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl, Staatsblad 2018, 291) is opgenomen in het vierde lid van artikel 4.138 (Uitmonding rookgasafvoer). Hierin is geregeld dat een geveldoorvoer niet is toegestaan bij een rookgasafvoer van een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen, zoals een houtkachel of een pelletkachel. Dit ter voorkoming van overlast en gezondheidsrisico’s als gevolg van schadelijk fijnstof. In de vorige versie van NEN 2757 was dit verbod ook al beoogd, maar was onvoldoende duidelijk vastgelegd. Dit is nu aangepast in de nieuwe normversie. Daarnaast is de nieuwe versie van NEN 2757 meer afgestemd op de Europese bepalingsmethoden die gelden voor de CE-markering van rookgasafvoer producten.
4. NEN 2768+A1:2018 Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen in woningen Aan de vorige versie van NEN 2768 is een wijziging A1:2018 toegevoegd. De betreffende wijzigingen hebben geen betrekking op het deel van NEN 2768 dat bepalingen bevat in relatie tot het Bouwbesluit 2012. Het Bouwbesluit 2012 schrijft geen meterruimte voor en wijst NEN 2768 (alleen) aan voor de leidingdoorvoeren en mantelbuizen voor gasvoorzieningen.
5. NEN 5077:2019 Geluidwering in gebouwen - Bepalingsmethoden voor de grootheden voor geluidwering van uitwendige scheidingsconstructies, luchtgeluidisolatie, contactgeluidisolatie en geluidniveaus veroorzaakt door installaties De nieuwe versie van NEN 5077 is in overeenstemming gebracht met de Europese bepalingsmethoden die gelden voor CE-markering van bouwproducten. De wijziging wordt in de praktijk al veel gebruikt en in het algemeen geeft de uitkomst geen verschil. In de gewijzigde norm is verder een vereenvoudigde meetmethode opgenomen. Dit is gedaan om tegemoet te komen aan de wens om voor situaties waar goed- of afkeuren in de regel duidelijk is, minder uitgebreid maar toch voldoende nauwkeurig te meten.
6. NEN 6063:2019 Bepaling van het brandgevaarlijk zijn van daken Met de wijziging van de NEN 6063:2019 is deze norm redactioneel aangepast op onder andere de Europese normen voor de CE-markering voor het niet brandgevaarlijk zijn van daken. Deze Europese normen geven verschillende methoden voor de bepaling van het niet brandgevaarlijk zijn van daken waaruit elk Europees land een keuze kan maken. De bepalingsmethode in de NEN 6063:2019 is daarbij gelijk gebleven met de vorige versie van NEN 6063
7. NEN 6068:2020 Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten De gewijzigde NEN 6068 is afgestemd op de nieuwe NEN 6069+A1+C1:2019 Beproeving en klassering van de brandwerendheid van bouwdelen en bouwproducten die eerder al in de Regeling Bouwbesluit was opgenomen. NEN 6069 wordt in NEN 6068 gebruikt en is daarmee een zogenaamde tweedelijns norm. Toepassing van de laatste versie van NEN 6069 was beoogd, maar dit volgde niet duidelijk uit NEN 6068, die daarop is aangepast. NEN 6068 is verder op een aantal technisch inhoudelijke punten verduidelijkt bijvoorbeeld hoe bij de bepaling moet worden omgegaan met dakopeningen. De nieuwe versie van NEN 6068 is ook afgestemd op een wijziging die eerder in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl, Staatsblad 2018, 291) is opgenomen in het derde lid van artikel 4.54 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode). Dit betreft een verduidelijking van de toepassing van spiegelsymmetrie bij de bepaling van de brandwerendheid tussen gebouwen. In de praktijk kon men een onbedoelde en onveilige uitleg van deze spiegelsymmetrie gegeven. Met de nieuwe versie van NEN 6068 wordt deze onbedoelde uitleg voorkomen.
8.NEN 6069+A1+C1:2019 Beproeving en klassering van de brandwerendheid van bouwdelen en bouwproducten Bij de verwijzing naar NEN 6069+A1+C1:2019 is verduidelijkt dat deze norm niet alleen een eerstelijns norm is maar ook een tweedelijns norm is, aangewezen vanuit NEN 6068. Deze verduidelijking was een aanbeveling van de Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften (ATGB) in haar rapport1 over de Grenfell Tower brand 1.

1 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/03/30/advies-naar-aanleiding-van-het-grenfell-tower-inquiry-phase-1-report.

9. NEN 6075:2020 Bepaling van de weerstand tegen rookdoorgang tussen ruimten In het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl, Staatsblad 2018, 291) zijn de eisen voor rookdoor-gang afgestemd op de Europese classificatie voor rookdoorgang Sa en S200, onder andere in artikel 4.61 (subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang). Dit is toen gedaan conform een voorstel van de NEN-normcommissie en met gebruikmaking van de bepalingsmethode die in de NEN 6075:2012 was vastgelegd. Vervolgens is gebleken dat deze bepalingsmethode verduidelijking behoefte. In de nieuwe NEN 6075:2020 zijn verduidelijkingen doorgevoerd in de bepalingsmethode. De bepalingsmethode van de huidige eisen voor rookdoorgang in het Bouwbesluit 2012 is hierin niet aangepast.
10. NEN 6707:2019 Bevestiging van dakbedekkingen - Eisen en bepalingsmethoden In de nieuwe versie van NEN 6707 zijn beperkte aanpassingen doorgevoerd in de bepalingsmethoden. Er is verder een specifieke bepalingsmethode toegevoegd voor de bevestiging van plaatvormige dakbedekking.
11. NEN 8700 + A1:2020 Beoordeling constructieve veiligheid van een bestaand bouwwerk bij verbouw en afkeuren - Grondslagen (bestaande bouw en verbouw) De nieuwe NEN 8700 is aangepast voor wat betreft de beoordeling van bestaande bruggen. In samenhang met de nieuwe NEN 8701 is geregeld dat bruggen in het onderliggend wegennet (stadsbruggen) met een meer accurate lagere belasting beoordeeld kunnen worden. Bij de vorige versie van NEN 8700/NEN 8701 was deze belasting gebaseerd op aslast- en voertuiggewichtmetingen op het zwaarder belaste hoofdwegennet (snelwegen). Hierdoor zouden veel bestaande stadsbruggen ten onrechte worden afgekeurd. Verder is in NEN 8700 de nieuwe NEN 8707 aangestuurd als tweedelijns norm, zie hiervoor het algemeen deel van de toelichting onder Lasten.
12. NEN 8701+A1:2020 Beoordeling van de constructieve veiligheid van een bestaand bouwwerk bij verbouw en afkeuren – Belastingen De nieuwe NEN 8701 is aangepast voor wat betreft de beoordeling van bestaande bruggen. In samenhang met de nieuwe NEN 8700 is geregeld dat bruggen in het onderliggend wegennet (stadsbruggen) met een meer accurate lagere belasting beoordeeld kunnen worden. Bij de vorige versie van NEN 8700/NEN 8701 was deze belasting gebaseerd op aslast- en voertuig gewichtmetingen op het zwaarder belaste hoofdwegennet (snelwegen). Hierdoor zouden veel bestaande stadsbruggen ten onrechte worden afgekeurd.
13. NEN 8707+C1:2020 Beoordeling van de constructieve veiligheid van een bestaand bouwwerk bij verbouw en afkeur - Geotechnische constructies Voor toelichting hierbij, zie hiervoor het algemeen deel van de toelichting onder Lasten
14. NEN-EN 13501-1:2019 Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen - Deel 1: Classificatie op grond van resultaten van beproeving van het brandgedrag Deze Europese norm is uitgebreid met de classificatie voor pijpisolatie producten. Op basis van deze Europese classificatie zijn eerder in het Bouwbesluit (Staatsblad 2020, 189) eisen opgenomen in artikel 2.69a Elektrische leidingen en pijpisolatie. Daarnaast zijn in deze norm redactionele correcties doorgevoerd.
15. NEN-EN 13501-6:2019 Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen - Deel 6: Classificatie op grond van resultaten van beproeving van het brandgedrag van elektrische kabels Deze Europese norm is toegevoegd voor de classificatie voor elektrische leidingen. Op basis van deze Europese classificatie zijn eerder in het Bouwbesluit (Staatsblad 2020, 189) eisen opgenomen in artikel 2.69a Elektrische leidingen en pijpisolatie.

Bij Stcrt. 2020, 66974 is bijlage II wat betreft het verwijzen naar normbladen geactualiseerd. Het betreft:

1. NEN-EN 1990+A1+A1/C2:2019 Eurocode - Grondslagen van het constructief ontwerp, inclusief nationale bijlage NB:2019 Naast redactionele wijzigingen zijn in de nationale bijlage bij de NEN-EN 1990 verduidelijkingen doorgevoerd. Het gaat hierbij met name om de mogelijkheden voor verlaging van de gevolgklasse van een bouwwerk of delen daarvan. Ook zijn er meer voorbeelden gegeven van bouwwerken in een bepaalde gevolgklasse. De gevolgklassen van de NEN-EN 1990 bepalen het te realiseren veiligheidsniveau van een bouwwerk.
2. NEN-EN 1991-1-1+C1+C11:2019 Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 1-1: Algemene belastingen - Volumieke gewichten, eigengewicht en opgelegde belastingen voor gebouwen, inclusief nationale bijlage NB:2019 Naast redactionele wijzigingen zijn in de nationale bijlage bij de NEN-EN 1991-1-1 beperkte wijzigingen doorgevoerd in de aan te houden vloerbelastingen. Verder zijn belastingen op vloerafscheidingen verduidelijkt.
3. NEN-EN 1991-1-2+C3:2019 Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 1-2: Algemene belastingen - Belasting bij brand, inclusief nationale bijlage NB:2019 Naast redactionele wijzigingen in correctieblad C3 is in de nationale bijlage bij de NEN-EN 1991-1-1 de bijlage E Vuurbelastingen verder uitgewerkt. Op basis van deze bijlage E kan men rekenen met een natuurlijke brand. Dit geeft een meer rationele benadering van het constructieve gedrag bij brand dan de algemene methode in NEN-EN 1991-1-2 die uit gaat van de standaard brandkromme.
4. NEN-EN 1991-1-3+C1 + A1:2019 Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 1-3: Algemene belastingen - Sneeuwbelasting, inclusief nationale bijlage NB:2019 Naast redactionele wijzigingen zijn in de nationale bijlage bij de NEN-EN 1991-1-3 verduidelijkingen opgenomen voor de aan te houden sneeuwbelastingen.
5. NEN-EN 1991-1-4+A1+C2:2011 Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 1-4: Algemene belastingen - Windbelasting, inclusief nationale bijlage NB:2019 Naast redactionele wijzigingen zijn in de nationale bijlage bij de NEN-EN 1991-1-4 verduidelijkingen doorgevoerd in de aan te houden windbelastingen.
6. NEN-EN 1991-1-5+C1:2011 Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 1-5: Algemene belastingen - Thermische belasting, inclusief nationale bijlage NB:2019 Naast redactionele wijzigingen zijn in de nationale bijlage bij de NEN-EN 1991-1-5 verduidelijkingen doorgevoerd in de aan te houden thermische belastingen bij bruggen.
7. NEN-EN 1991-1-7+C1+A1:2015 Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 1-7: Algemene belastingen - Buitengewone belastingen: stootbelastingen en ontploffingen, inclusief nationale bijlage NB:2019 Naast redactionele wijzigingen zijn in de nationale bijlage bij de NEN-EN 1991-1-7 verduidelijkingen doorgevoerd in de aan te houden stootbelastingen. Voor de stootbelastingen van treinverkeer (ontsporing) zijn beperkte wijzigingen doorgevoerd.
8. NEN-EN 1991-2+C1:2015 Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 2: Verkeersbelasting op bruggen, inclusief nationale bijlage NB:2019 Naast redactionele wijzigingen zijn in de nationale bijlage bij de NEN-EN 1991-2 verduidelijkingen doorgevoerd in de aan te houden verkeersbelasting bij bruggen.
9. NEN-EN 1992-1-1+C2:2011 Eurocode 2: Ontwerp en berekening van betonconstructies - Deel 1-1: Algemene regels en regels voor gebouwen, inclusief wijzigingsblad A1:2015 en nationale bijlage NB:2016+A1:2020 Deze wijziging betreft een beperkte wijziging in de nationale bijlage met betrekking tot de eigenschappen wapeningstaal dat wordt toegepast in betonconstructies.
10. NEN-EN 1992-1-2+C1:2011 Eurocode 2: Ontwerp en berekening van betonconstructies - Deel 1-2: Algemene regels - Ontwerp en berekening van constructies bij brand, inclusief correctieblad C11:2017, wijzigingsblad A1:2019 en nationale bijlage NB:2011 Deze wijziging betreft een Europees wijzigingsblad A1 dat nadere informatie geeft over de beoordeling van betonkolommen bij brand.
11. NEN-EN 1997-1 + C1 + A1:2016 Eurocode 7: Geotechnisch ontwerp - Deel 1: Algemene regels, inclusief nationale bijlage NB:2019 Deze wijziging betreft een beperkte wijziging in de nationale bijlage met betrekking tot de berekening van damwanden (grondkerende constructies).
12. NEN-EN 1997-1 + C1:2012 Eurocode 7: Geotechnisch ontwerp - Deel 1: Algemene regels, inclusief nationale bijlage NB:2012 Deze oude versie van de NEN-EN 1997-1 werd aangestuurd voor verbouw en bestaande bouw. Met de introductie van NEN 8707 (zie bij algemeen deel van de toelichting onder Lasten) kan deze norm vervallen.
13. NEN-EN 1999-1-1+A1:2011 Eurocode 9: Ontwerp en berekening van aluminiumconstructies - Deel 1-1: Algemene regels, inclusief wijzigingsblad A2:2014, correctieblad C11:2018 en nationale bijlage NB:2011 De wijziging betreft een correctie C11 van een redactionele fout in de NEN-EN 1999-1-1.

Artikel 1.3CE-markeringen

In zijn algemeenheid kan de CE-markering op bouwproducten worden aangebracht als daarvoor een zogeheten Europees geharmoniseerde technische specificatie (Europese normen en technische goedkeuringen) beschikbaar is en van toepassing is op het specifieke product. Informatie over deze specificaties is te vinden in de NANDO-database op de website van de Europese Commissie en in de module CE-markeringen op Rijksoverheid.nl. In artikel 1.6 van het besluit is voorgeschreven wanneer de CE-markering op bouwproducten verplicht moet worden aangebracht. Het eerste lid van artikel 1.3 houdt in dat fabrikanten van bouwproducten die onder een Europees geharmoniseerde norm vallen de CE-markering (met bijbehorende informatie) kunnen aanbrengen overeenkomstig die norm, zodra de norm is gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese Unie. Nadat de zogeheten co-existentieperiode of overgangsperiode van die norm, welke is genoemd in het publicatieblad bij de publicatie van de norm, is verstreken, moet het product volgens de Europese regelgeving worden voorzien van de CE-markering (met bijbehorende informatie).In het tweede lid is bepaald dat de CE-markering (met bijbehorende informatie) ook kan worden aangebracht op bouwproducten die niet onder een geharmoniseerde norm vallen, maar waarvoor een Europese goedkeuringsrichtlijn bekend is gemaakt. Deze goedkeuringsrichtlijnen vormen de technische grondslag voor het opstellen van Europese technische goedkeuringen. Fabrikanten die de CE-markering op hun producten willen aanbrengen dienen dan in bezit te zijn van een Europese technische goedkeuring die voor hen op basis van de overeenkomstige goedkeuringsrichtlijn is opgesteld door een technische beoordelingsinstantie (zie artikel 1.4) die in de richtlijn bouwproducten nog goedkeuringsinstantie worden genoemd. Het gaat hier om een vrijwillige keuze van de fabrikant. In tegenstelling tot geharmoniseerde normen bestaat er voor goedkeuringsrichtlijnen geen co-existentieperiode. In het derde lid is bepaald dat de CE-markering (met bijbehorende informatie) ook kan worden aangebracht indien de fabrikant in het bezit is van een Europese goedkeuring, waarvoor geen goedkeuringsrichtlijn bestaat. Het betreft hier niche producten die bekend staan onder de term CUAP (Common Understanding Assessment Procedure). De lijst met CUAP’s kunt u eveneens inzien in de NANDO-database op de website van de Europese Commissie. In het vierde lid is aangegeven dat aan alle bouwproducten met CE-markering waarvoor een conformiteitsverklaring of een conformiteitscertificaat is afgegeven het ‘vermoeden van conformiteit’ moet worden gegeven. Afhankelijk van het type bouwproduct kan een conformiteitscertificaat nodig zijn, opgesteld door een aangemelde instantie. Of een certificaat van een aangemelde instantie nodig is, hangt af van het conformiteitsniveau (of systeem van verklaring van overeenstemming) dat van toepassing is op het product voor de eigenschappen waarvoor de prestatie wordt bepaald, afhankelijk van het beoogd gebruik van het betreffende product. Informatie hierover is terug te vinden in de tabel ZA in de technische specificatie van toepassing op het bouwproduct. In Europees verband worden de aangemelde instanties Notified Bodies genoemd (zie artikel 1.5). Algemeen uitgangspunt van de CE-markering is dat vertrouwen moet worden gegeven aan de testresultaten die de fabrikant voor zijn product heeft opgegeven. Zo mag er in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning geen aanvullend bewijs voor een bepaald testresultaat (bijvoorbeeld een Europese brandklasse) worden gevraagd. Indien er niettemin ernstige twijfel is over de juistheid van de door de fabrikant opgegeven informatie kan dit worden gemeld aan het bevoegde gezag, de markttoezichtautoriteit voor CE-markering op bouwproducten (voor Nederland: de Inspectie Leefomgeving en Transport), en een handhavingsverzoek worden gedaan.

Stcrt. 2014, 4057: Het oorspronkelijke artikel 1.3 is overbodig geworden als gevolg van de rechtstreekse werking van de verordening bouwproducten. In artikel 4 van de verordening is namelijk de verhouding tussen geharmoniseerde normen, Europese technische beoordelingen en prestatieverklaringen beschreven. Voor een verdere toelichting op het systeem wordt verwezen naar de brochure ‘CE-markering op bouwproducten’ in het dossier ‘bouwproducten’ op rijksoverheid.nl. In het nieuwe artikel 1.3 zijn met het oog op de goede handhaving daarvan door de Inspectie Leefomgeving en Transport een aantal voorschriften uit de verordening opgenomen. Gedragingen in strijd met de voorschriften die ter zake van de implementatie van de verordening bouwproducten in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn opgenomen zijn op grond van artikel 120, tweede lid, van de Woningwet namelijk verboden en daarmee economische delicten op grond van artikel 1a, tweede lid, van de Wet economische delicten. In het nieuwe eerste lid van artikel 1.3 is bepaald aan welke eisen het aanbrengen van een CE-markering moet voldoen. Dit voorschrift is gebaseerd op artikel 9, eerste lid, van de verordening. In het tweede lid van artikel 1.3 is bepaald dat instructies en informatie over de veiligheid in de Nederlandse taal moeten worden gesteld. Er is voor gekozen dat dergelijke informatie in de Nederlandse taal ter beschikking moet worden gesteld omdat dit voor gebruikers het meest toegankelijk is.

Artikel 1.4 en 1.5CE-markeringen

Op 4 april 2011 is de verordening nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (verordening bouwproducten) gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (88/5). Deze verordening is de opvolger van de richtlijn bouwproducten. De van deze verordening reeds van kracht zijnde artikelen betreffen met name de aanwijzing van technische beoordelingsinstanties, kortweg TBI’s en de aangemelde instanties. Deze aangemelde instanties zijn certificatie- en inspectieinstanties en testlaboratoria. De instanties die in het kader van de richtlijn bouwproducten reeds zijn aangemeld, zullen in het kader van de verordening bouwproducten opnieuw moeten worden aangewezen en aangemeld volgens de criteria en procedures van deze verordening. Tot het moment dat de instantie opnieuw is aangewezen en aangemeld geldt de oude aanwijzing en aanmelding. Hoe lang deze nog geldig blijft is vooralsnog niet vastgesteld door de Europese Commissie. De kandidaat-instanties moeten aantonen dat zij voor het uitvoeren van de door een aangemelde instantie uit te voeren taken, waaronder het testen en beoordelen van producten, het controleren van de interne kwaliteitscontrole in de fabriek, competent is. Aangezien de toetsing aan de criteria die zijn opgenomen in de verordening technische expertise vereist, delegeert de minister de toetsing van de instanties. Die delegatie uitgewerkt in de artikelen 1.4 en 1.5. Artikel 1.4 heeft betrekking op de procedures voor de aanwijzing en de aanmelding van technische beoordelingsinstanties. Voor advies ten aanzien van de geschiktheid van kandidaat-instanties wijst de minister een ter zake kundige instelling aan. De technische beoordelingsinstanties moeten in staat zijn om op aanvraag van een fabrikant een Europese technische goedkeuring op te stellen voor de werkgebieden als aangegeven in bijlage IV, tabel 1 van de betreffende verordening. In tabel 2 van die bijlage zijn de beoordelingscriteria gegeven waaraan de technische beoordelingsinstanties moeten voldoen. De ter zake kundige instelling maakt de procedure voor de toetsing van kandidaat-instanties openbaar.Artikel 1.5 heeft betrekking op de procedures voor de aanwijzing en aanmelding van aangemelde instanties. In principe geldt hier als uitgangspunt accreditatie. De verordening maakt het echter tevens mogelijk dat op basis van andere bewijsstukken de bekwaamheid van een organisatie kan worden aangetoond (artikel 48, vierde lid). De verordening bouwproducten verlangt dat de lidstaten voor het instellen en uitvoeren van de nodige procedures voor de beoordeling en de aanmelding van deze aangemelde instanties een aanmeldende autoriteit aanwijzen. De eisen aan de aangemelde instanties zijn vastgelegd in artikel 43 van de betreffende verordening en vormen een leidraad voor de toetsing door de aanmeldende autoriteit.In het derde lid is aangegeven dat de aanmeldende autoriteit de procedure voor de beoordeling en aanmelding van en voor het toezicht op de betreffende instanties zoals bedoeld in artikel 43 van de verordening moet opstellen, en een actueel overzicht van de aangemelde instanties moet bekendmaken.

Artikel 1.6CE-markeringen

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de minister zo nodig aan de aanwijzingen op grond van de artikelen 1.4 en 1.5 voorschriften kan verbinden. Daarnaast is in het tweede lid bepaald dat de instellingen voor het beoordelen van en het toezicht houden op technische beoordelingsinstanties en aangemelde instanties de minister onverwijld moeten informeren als deze instanties hun taken niet naar behoren uitoefenen. Ten slotte is in het derde lid bepaald dat de minister na een dergelijke melding een aanwijzing (en dus ook de aanmelding in de NANDO-database) van een technische beoordelingsinstantie of aangemelde instantie kan intrekken.

Artikel 1.7Kwaliteitsverklaringen

Evenals in de Regeling Bouwbesluit 2003 is in de regeling uit het oogpunt van administratieve lastenverlichting een extra faciliteit voor bepaalde buitenlandse instituten geboden. Een buitenlandse instelling die overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn bouwproducten in het land van oorsprong is erkend voor het doen van proeven en controles, wordt indien deze proeven en controles in overeen-stemming met de voorschriften in Nederland zijn, gelijkgesteld met een onafhankelijk deskundig instituut dat voldoet aan de kwalificaties genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet. Dit betekent dat een voor een dergelijk bouwproduct afgegeven test- of evaluatierapport, eventueel voorzien van het eigen merkteken, geldt als een door de minister van BZK erkende kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1.11 van het besluit.

Artikel 1.8Kwaliteitsverklaringen

Een individueel erkende kwaliteitsverklaring is een kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet. Deze worden door een coördinerende instelling afgegeven en bekendgemaakt. De kwaliteitsverklaringen die binnen dit stelsel worden afgegeven, gelden in het kader van de omgevingsvergunningprocedure als voldoende bewijs dat aan de eisen van de bouwregelgeving is voldaan, voor zover het althans de eisen betreft waarover de betreffende verklaringen een uitspraak doen.Binnen het stelsel van kwaliteitsverklaringen kunnen zowel productcertificaten, attesten als procescertificaten worden afgegeven, mits er een aantoonbaar verband is met de bouwregelgeving. Dit verband is per te certificeren onderwerp aangegeven in een geharmoniseerde grondslag voor certificatie, ook wel een beoordelingsrichtlijn (BRL) genoemd. Individuele woordmerken of logo’s zoals bijvoorbeeld KOMO worden in deze voorschriften niet genoemd, want alle instellingen moeten toegang hebben tot het stelsel, mits zij aan de objectieve kwaliteitscriteria daarvan kunnen voldoen. Deze kwaliteitscriteria worden in een met de betrokken partijen te sluiten overeenkomst vastgelegd. De minister publiceert deze overeenkomst vervolgens in de Staatscourant. In deze overeenkomst worden ten minste de volgende uitgangspunten opgenomen:

1.De kwaliteitsverklaringen die onder het te erkennen stelsel worden afgegeven hebben een aantoonbare relatie met de bouwregelgeving;
2.De toegang tot het stelsel wordt gewaarborgd voor alle instellingen die voldoen aan van tevoren vastgestelde kwaliteitscriteria, waarbij als algemeen uitgangspunt geldt dat de betreffende certificatie-instellingen zijn geaccrediteerd op basis van de EN 45000 of de NEN-ISO 17.000 normenserie;
3.De kwaliteitsverklaringen zijn gebaseerd op technische specificaties die niet strijdig zijn met de Europese geharmoniseerde specificaties, waarbij gestreefd is naar harmonisatie van sectorspecifieke certificatie-eisen;
4.De beoordeling of kwaliteitsverklaringen voldoen aan de hierboven gestelde eisen van het stelsel zoals aangewezen in Staatscourant nr. 132 van 11 juli 2006, wordt gedaan door een onafhankelijke commissie. Deze commissie is door de coördinerende instelling, in overleg met de minister, ingesteld. Aan de onder het tweede of derde punt gestelde voorwaarden is ook voldaan, indien, ter beoordeling van de bovengenoemde commissie, gelijkwaardigheid aan die voorwaarden in voldoende mate is aangetoond, en
5.Een objectieve toelating van instellingen tot het stelsel is gewaarborgd door een bezwaar- en beroepsprocedure.

Artikel 1.9Kwaliteitsverklaringen

In artikel 1.9 is bepaald dat de minister een coördinerende instelling aanwijst die het overzicht van kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet vaststelt en publiceert. Als coördinerende instelling is de Stichting Bouwkwaliteit aangewezen.

Paragraaf 1.5Inspectieschema’s

Op grond van de artikelen 6.20, 6.23 en 6.32 moet respectievelijk een brandmeldinstallatie, een ontruimingsalarminstallatie, een automatische brandblusinstallatie (bijvoorbeeld sprinkler) en een rookbeheersingssysteem voorzien zijn van een inspectiecertificaat. In artikel 1.10 zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de geldigheidsduur van de betreffende certificaten voor brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties. Voor beiden geldt eenzelfde regime.Het eerste lid bepaalt dat de betreffende installaties voor ingebruikname voorzien moeten zijn van een inspectiecertificaat.Het tweede lid bepaalt vervolgens dat een inspectiecertificaat als bedoeld in het eerste lid een geldigheidsduur van drie jaar heeft. Voor die gebouwen waarbij op grond van artikel 6.20, eerste lid, doormelding verplicht is, geldt echter een geldigheidsduur van een jaar. De geldigheidsduur wordt daarmee afhankelijk gesteld van de risicofactoren die aan de betreffende gebruiksfunctie verbonden zijn.In artikel 1.11 zijn voorschriften gegeven met betrekking tot de geldigheidsduur van de betreffende certificaten voor automatische brandblusinstallaties en rookbeheersingssystemen. Dit soort installaties is op grond van het besluit niet verplicht en wordt veelal toegepast bij gelijkwaardige oplossingen. Om die reden is de maximale inspectiefrequentie gesteld op een jaar, zonder afhankelijkheid van doormelding.In relatie tot de genoemde geldigheidsduur wordt overigens nog verwezen naar het overgangsrecht in artikel 9.2, zesde lid, van het besluit. Op grond van dit overgangsrecht wordt een document dat voor 1 januari 2015 is afgegeven gelijkgesteld met een in het besluit voorgeschreven certificaat.In bijzondere situaties (bijvoorbeeld ondergrondse of hoge gebouwen en bijzondere blusinstallaties) en volgens andere regelgeving kan een andere frequentie van de inspectie dan hierboven genoemd, worden gegeven. Daarnaast kunnen vanuit andere wet- en regelgeving voor specifiek gebruik andere voorschriften van toepassing zijn.Artikel 1.12 bepaalt dat de toe te passen inspectieschema’s van het CCV gepubliceerd moeten zijn in 2011.

De verwijzing in artikel 1.12 naar de inspectieschema’s 2011 is bij Stcrt 2013, 5457 vervangen door een verwijzing naar de desbetreffende onderdelen van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging van 1 september 2012, inclusief wijzigingsblad W1:2012. Dit inspectieschema fungeert als inspectieschema voor de verschillende in de artikelen 6.20, zesde lid, 6.23, vierde lid, en 6.32 van het Bouwbesluit 2012 genoemde CCV-inspectieschema’s. Het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging is te downloaden van de site van het Centrum Criminaliteitspreventie Veiligheid (CCV). In artikel 1.12 was ten onrechte ook een verwijzing naar artikel 6.20, zevende lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen. Dit is bij die Staatscourant gecorrigeerd.

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2015, 17338 geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. Deze nieuwe versie maakt het mogelijk om bij inspecties beter rekening te houden met de specifieke eigenschappen van de verschillende brandbeveiliginginstallaties.

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2015 45221, geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie 10.0 van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. De wijziging ten opzichte van versie 9.0 is dat certificaten voor levering en onderhoud van de zogenoemde Vast opgestelde Brandbeheersing- en Blussystemen (VBB-systemen) die nog niet onder accreditatie zijn afgegeven, tot 1 januari 2016 gelijk gesteld zijn met de oorspronkelijke LPS 1233 certificaten (van de Certificatie Instelling voor Beveiliging en Veiligheid).

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2018, 35386 geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie 11.0 van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging, welke per 01-07-2018 in werking is getreden.

Artikel 1.12 is bij Stcrt. 2019, 36206 geactualiseerd met de aanwijzing van een nieuwe versie 11.0 van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging, welke per 01-07-2018 in werking is getreden. Deze versie 12.0 (1 januari 2019) van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging - Inspectie brandbeveiligingsysteem is met ingang van 1 juli 2019 in de plaats van de versie 11.0 gekomen. Versie 12.0 is te raadplegen op de site van het CCV, Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid: www.hetccv.nl. In paragraaf 1.5 van versie 12.0 is een schema opgenomen met de wijzigingen die zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere versie.

Artikel 1.13

Op grond van artikel 6.53, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 moet een te bouwen gebouw voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen voor het kunnen uitvoeren van veilig onderhoud hebben indien dat onderhoud niet veilig zonder die voorzieningen kan worden uitgevoerd. Artikel 1.13 van de Regeling Bouwbesluit 2012 geeft aan dat aan de hand van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012 de veiligheidsvoorzieningen moeten worden beoordeeld indien dergelijke voorzieningen op grond van genoemd artikel 6.53, eerste lid, noodzakelijk zijn. In dat geval moet de checklist door de aanvrager worden ingevuld en bij de stukken voor de aanvraag van aanvraag de vergunning voor het bouwen worden gevoegd. Beoordeling van de veiligheidsvoorzieningen in de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012 gebeurt op basis van de huidige stand der techniek. Deze checklist is te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bouwregelgeving/documenten/formulieren/2012/03/19/formulier-toetsingskader-veilig-onderhoud.

Paragraaf 1.7Certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in verband met koolmonoxide, ingevoegd bij Stcrt. 2020, 50199 (artikelen 1.14 t.m. 1.23)

Artikel 1.14

Alleen door de Minister van BZK aangewezen certificerende instellingen mogen de in de regelgeving opgenomen conformiteitsbeoordeling uitvoeren. Dit artikel stelt nadere regels voor de wijze waarop een aanvraag voor aanwijzing als certificerende instelling moet worden ingediend.

Het tweede lid bevat gegevens en bescheiden die in ieder geval bij een aanvraag moeten worden verstrekt. Naast de vestigingsplaats van de aanvrager en een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel dient ook het certificatieschema waarop de accreditatie betrekking heeft alsmede het bewijs van accreditatie voor dat schema verstrekt te worden. Een aanwijzing is dus verbonden aan een specifiek certificatieschema. De gegevens en bescheiden genoemd in dit lid vormen een aanvulling op hetgeen bepaald is in artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het derde lid regelt dat wanneer een aanvrager nog niet geaccrediteerd is, in plaats van het bewijs van accreditatie een bewijs kan worden verstrekt dat de procedure voor het verkrijgen van accreditatie is aangevangen. Dit bewijs zal de vorm hebben van het ontvangstbewijs dat een aanvrager ontvangt van de Raad voor Accreditatie wanneer de aanvraag ontvangen en compleet is. Dit zijn ook werkzaamheden die juist verricht worden om een certificaat of accreditatie te verkrijgen mogelijk te maken. Deze bepaling ziet op de op grond van het bovenliggende besluit (Stb. 2020, 348) geldende overgangsperiode van 18 maanden vanaf inwerkingtreding van het besluit (1 oktober 2020). In deze periode geldt de eis dat een certificerende instelling geaccrediteerd moet zijn nog niet.

Artikel 1.16

De artikelen 1.16 e.v. stellen nadere regels over de aanwijzing en inhoud van certificatieschema’s en het indienen van een aanvraag voor een aanwijzing van een certificatieschema. Procesvereiste daarbij is dat het schema door de RvA is geëvalueerd, zoals is bepaald in artikel 1.37, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. De RvA toetst hierbij op eisen die in NEN-EN-ISO/IEC 17065 worden gesteld.

Artikel 1.16 noemt enkele inhoudelijke eisen die certificatieschema’s in ieder geval moeten bevatten. Het moet voor een gebruiker van een certificatieschema duidelijk zijn waarvoor het schema kan worden toegepast. Een certificatieschema vermeldt daarom in ieder geval voor welk type of welke typen gasverbrandingsinstallaties het schema is bedoeld (onderdeel a). Een certificatieschema kan worden beperkt tot een specifiek type gasverbrandingstoestel, zoals een gashaard of een cv-ketel. In het Bouwbesluit 2012 is al bepaald dat een schema vermeldt op welke van de in artikel 1.35, tweede lid, van dat besluit genoemde werkzaamheden het schema ziet. Ook is bepaald dat vermeld moet worden welke van de in het certificatieschema opgenomen eisen voor certificaathouders voorgeschreven zijn door het wettelijk stelsel, zowel voor duidelijkheid aan de kant van de gebruiker van het schema als aan de kant van de Minister van BZK.

Artikel 1.17

In onderdeel a van dit artikel is opgenomen dat de concentratie koolmonoxide moet worden gemeten, voorafgaand aan de werkzaamheden aan de gasverbrandingsinstallatie. Hiermee kunnen onveilige situaties, voor de gebruiker of bewoner en de monteur, vroegtijdig gesignaleerd worden. Bovendien dient deze meting als nulmeting, ter vergelijking na afloop van de werkzaamheden. In onderdeel b is opgenomen dat bij een gemeten concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel van 5 ppm of hoger de certificaathouder de installatie niet in bedrijf mag stellen. Ook voor de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel gelden, afhankelijk van het type toestel, waarden waarboven de installatie niet in bedrijf mag worden gesteld. Bij de op grond van deze regeling uit te voeren metingen en controles geeft de installateur tevens uitvoering aan de voor het toestel gebruikelijke meetmethode zoals in de specificaties van de fabrikant vermeld. Zie voor een verdere toelichting hierop paragraaf 1.6 van het algemeen deel van de toelichting. Ook moet een installateur een gebruiker of bewoner op grond van dit artikel wijzen op het ontbreken van het gebruiksvoorschrift van het toestel. Dit zal in de praktijk vaak een gebruikershandleiding en onderhoudsschema van het toestel zijn. Hierbij kan de certificaathouder tevens wijzen op het belang van regelmatig onderhoud om de veilige en betrouwbare werking van de installatie te bevorderen. Tot slot moet een certificaathouder de werkzaamheden uitvoeren conform de instructies van de fabrikant of verkoper. Ten overvloede wordt opgemerkt dat altijd voldaan moet worden aan de bepalingen uit afdeling 3.8 van het Bouwbesluit 2012. Deze afdeling bevat voorschriften over de toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas voor zowel nieuwbouw als bestaande bouw.

Aan artikel 1.17, onderdeel c, van de Regeling Bouwbesluit 2012 dat voorschrijft dat een gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf mag worden gesteld dan nadat de certificaathouder de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel heeft gemeten en de concentratie niet hoger is dan een in, onderdeel c, genoemde waarde, is bij Stcrt. 2020, 66974 toegevoegd dat deze meting moet worden uitgevoerd wanneer de installatie daar een voorziening voor heeft. Deze toevoeging is opgenomen omdat naar nu blijkt een meting van de concentratie koolmonoxide in de verbrandings- gassen niet bij alle gasverbrandingsinstallaties mogelijk is. Lokale gasverwarmingsinstallaties (haarden en kachels) hebben na installatie geen voorziening of mogelijkheid om deze metingen uit te voeren. Dat geldt ook voor een aantal andere typen gasverbrandingsinstallaties. De voorziening of mogelijkheid om metingen in de rookgassen uit te voeren betreft in de regel de aanwezigheid van een speciaal hiervoor aangebracht meetpunt. Dit meetpunt is op de meeste gasverbrandingsinstallaties aanwezig. Voor een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel geldt dat de voorziening er altijd is; de meting vindt dan boven het toestel plaats. Meting van de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen is belangrijk omdat deze concentratie een goede indicator is voor de veilige werking van het toestel. Deze meting is vaak ook onderdeel van de installatie- en onderhoudsvoorschriften van de fabrikant of verkoper van het toestel die op grond van artikel 1.17, onderdeel e, van de Regeling Bouwbesluit 2012 moeten worden gevolgd.

Artikel 1.18

Dit betreft de verdere uitwerking van de eisen aan de vakbekwaamheid van de persoon die de inbedrijfsstelling van de gasverbrandingsinstallatie uitvoert. Op grond van dit artikel moet een vakbekwaam persoon onder andere in staat zijn de toevoer van verbrandingslucht te beoordelen, de veiligheid van de gasverbrandingsinstallatie te beoordelen voor zover het gaat om het vrijkomen van koolmonoxide en de gasverbrandingsinstallatie in bedrijf te stellen. Ook dient deze persoon de in het kader van dit stelsel vereiste metingen en controles te kunnen uitvoeren en de resultaten daarvan te kunnen beoordelen. Tot slot dient degene die de inbedrijfsstelling uitvoert aantoonbaar in staat te zijn voorlichting te geven aan de gebruiker van de installatie over het functioneren van de gasverbrandingsinstallatie. De vakbekwaamheid kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het met goed gevolg doorlopen van opleidingen, het afleggen van examens en het uitvoeren van praktijktoetsen.

Artikel 1.19

Dit artikel stelt nadere regels over de aanvraag tot aanwijzing van een certificatieschema. Het tweede lid noemt enkele gegevens en bescheiden die in ieder geval bij een aanvraag moeten worden verstrekt. De gegevens en bescheiden genoemd in dit lid vormen een aanvulling op hetgeen bepaald is in artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.20

Op grond van artikel 1.38 van het Bouwbesluit 2012 geldt een meldplicht voor (bijna )ongevallen. Er is sprake van een (bijna-)ongeval wanneer een installateur bij het uitvoeren van de werkzaamheden constateert dat een gasverbrandingsinstallatie een verhoogde concentratie koolmonoxide produceert en deze concentratie vrijkomt in een ruimte waar zich mensen kunnen bevinden. Een (bijna-)ongeval moet worden gemeld bij de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw waarin de installatie bevindt, het bevoegd gezag en de certificerende instelling. Op grond van voornoemd artikel uit het Bouwbesluit 2012 wordt bij ministeriële regeling vastgesteld boven welke concentratie deze meldplicht geldt. Middels de onderhavige bepaling is deze concentratie vastgesteld op 20 ppm. Zie voor een verdere toelichting hierop paragraaf 1.5 van het algemeen deel van de toelichting van Stcrt. 2020, 50199.

Artikel 1.22

Op grond van artikel 1.40 van het Bouwbesluit 2012 is een landelijk openbaar register ingesteld van aangewezen certificeringsinstellingen, aangewezen certificatieschema’s en van gecertificeerde bedrijven, zodat dit voor iedereen eenvoudig is na te gaan. In het openbare register wordt in ieder geval vermeld welke certificerende instellingen en certificatieschema’s zijn aangewezen. Ook wordt opgenomen welke bedrijven beschikken over een certificaat. In het tweede lid van art. 1.22 zijn gegevens van en informatie over certificaathouders opgesomd die een certificerende instelling ten behoeve van het register aan de minister moet aanleveren.

Artikel 1.23

Het beeldmerk, bedoeld in artikel 1.41, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, is met dit artikel vastgesteld. Het beeldmerk moet gevoerd worden omwille van de herkenbaarheid van gecertificeerde bedrijven in de markt. Zie voor een verdere toelichting op het beeldmerk het algemeen deel van de toelichting.

Hoofdstuk 2Brandveiligheidsvoorschriften

Artikel 2.1Opvang- en doorstroomcapaciteit

In artikel 2.108, tweede lid, van het besluit is opgenomen dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven over een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, op grond waarvan kan worden afgeweken van het eerste lid van dat artikel.Met artikel 2.1 wordt invulling gegeven aan het genoemde artikel 2.108, tweede lid. Artikel 2.1 is gericht op het bepalen van de doorstroomcapaciteit van het deel van een vluchtroute buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, waar sprake is van ‘vernauwingen’ in die route. Van een vernauwing is sprake als op de vluchtroute een punt aanwezig is waar niet meer voldaan kan worden aan de doorstroomcapaciteit als bedoeld in artikel 2.108, eerste lid, van het besluit. Zo’n situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen in een trappenhuis, want het aantal personen dat op het trappenhuis is aangewezen, wordt door toestroom van personen van andere verdiepingen in de regel groter naarmate men verder afdaalt en dichter bij de uitgang van het trappenhuis komt. De uitgang van het trappenhuis of het onderste gedeelte van de trap kan dan onvoldoende capaciteit hebben om alle door het trappenhuis vluchtende personen in één minuut te laten passeren. Het uitgangspunt bij de geboden afwijkingsmogelijkheid is dat men op een vluchtroute, na het passeren van een brandscheiding, in een ruimte komt waarin men gedurende langere tijd veiliger is dan in het subbrandcompartiment van waaruit het vluchten is gestart. Het is daarom geen probleem als het vluchten uit deze meer veiligheid biedende plaats langer duurt. Zo’n ruimte moet natuurlijk wel voldoende opvangcapaciteit hebben opdat iedereen enige tijd veilig in die ruimte kan verblijven.De in dit artikel genoemde waarden en uitgangspunten zijn grotendeels in lijn met NEN 6089 die kan worden gebruikt als bepalingsmethode, mits de waarden en uitgangspunten van dit artikel worden gehanteerd.Het is niet verplicht het alternatief van dit artikel toe te passen, want met een beroep op gelijkwaardigheid (artikel 1.3 van het besluit) kan men ook kiezen voor een andere gelijkwaardige bepalingsmethode. Het verschil is dat met toepassing van artikel 2.1 is voldaan aan de functionele eis van artikel 2.101 van het besluit, terwijl de gelijkwaardigheid moet worden aangetoond. Een gelijkwaardige oplossing zou bijvoorbeeld kunnen liggen in een gefaseerde ontruiming van een bouwwerk. Bij gefaseerde ontruiming begint de ontruiming van het direct door brand bedreigde deel eerder dan de andere delen. Gefaseerd ontruimen kan alleen als sprake is van een ontruimingsinstallatie die daarop is afgestemd. De ontruimingsinstallatie moet het mogelijk maken dat de personen die eerder worden ontruimd gealarmeerd worden zonder dat de overige personen in het gebouw dat merken.

Het eerste lid van artikel 2.1 geeft een voorschrift voor de tijd waarbinnen personen die zijn aangewe-zen op bepaalde vluchtroutes het aansluitend terrein veilig moeten kunnen bereiken. De tijd is afhankelijk van het veiligheidsniveau van de vluchtroute. De veilige tijd van 15 minuten geldt zowel voor een beschermde als voor een onbeschermde vluchtroute, omdat er bij een onbeschermde vluchtroute altijd een alternatieve vluchtroute moet zijn die ten minste 30 minuten brandwerend gescheiden is van de eerste vluchtroute. In een vluchttrappenhuis met rooksluizen is men langer veilig waardoor kan worden uitgegaan van een veilige tijd van 20 minuten. Bij een veiligheidsvluchtroute geldt een nog langere veilige tijd van 30 minuten.Het tweede lid bepaalt dat de opvang- en doorstroomcapaciteit van de vluchtroute buiten het bedreigde subbrandcompartiment zodanig moet zijn dat het bedreigde subbrandcompartiment binnen 1 minuut kan zijn verlaten.

Met de wijziging van derde lid, onderdeel b, van artikel 2.1 is bij Stcrt. 2014, 4057 een onvolkomenheid in het oorspronkelijke voorschrift gecorrigeerd. Het gaat om de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een bedreigd subbrandcompartiment en een opvangruimte, en niet om de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een opvangruimten en een bedreigd subbrandcompartiment zoals in de oorspronkelijke tekst stond. Het voorschrift gaat er vanuit dat wanneer in het bedreigde subbrandcompartiment een brand is deze brand zich niet binnen een bepaalde tijd uitbreidt naar de opvangruimte.

Het derde lid geeft een voorschrift voor de tijd waarbinnen personen mogen worden opgevangen in een ruimte op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment, niet zijnde het trappenhuis. In een ruimte op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment mogen personen worden opgevangen zolang deze ruimte maar binnen 3,5 minuut is verlaten. Indien er tussen het bedreigde subbrandcompartiment en zo’n ruimte een weerstand tegen branddoorslag en brandover-slag is van ten minste 30 minuten geldt een opvangtijd tot 6 minuten.Het vierde lid geeft de uitgangspunten die bij de berekening van de in het eerste tot en met derde lid genoemde tijden moeten worden gehanteerd. Impliciet volgt uit deze uitgangspunten dat er geen rekening mee behoeft te worden gehouden dat een vluchtroute is geblokkeerd door brand. Hoewel de eis op het niveau van een afzonderlijke vluchtroute is gesteld, moet de berekening worden uitgevoerd op bouwwerkniveau. Alle vluchtroutes in een bouwwerk moeten namelijk tegelijkertijd voldoen aan de eis. Dat betekent niet dat geen rekening mag worden gehouden met het niet gelijktijdig gebruiken van bepaalde ruimten. Zo zullen bij een schoolgebouw de aula en leslokalen niet tegelijkertijd volledig zijn bezet. De berekening moet herhaald (iteratief) worden uitgevoerd met tijdstappen van 30 seconden totdat alle personen het aansluitende terrein hebben bereikt. De tijdstap van 30 seconden komt praktisch overeen met de aan te houden daal- en stijgsnelheid per bouwlaag. Op het tijdstip t = 0 min wordt verondersteld dat alarmering plaatsvindt en de eerste personen de subbrandcompartimenten direct al verlaten. De verdeling van de personen over de uitgangen van een subbrandcompartiment is vrij, maar moet door de aanvrager van een omgevingsvergunning wel kunnen worden onderbouwd. Buiten de subbrandcompartimenten wordt verder gevlucht met behulp van de aan te houden doorstroom- en opvangcapaciteiten en daalsnelheden. Uitgangspunt hierbij is dat de bouwlagen op ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m afstand van elkaar liggen, wat voor de meest voorkomende bouwwerken geldt. Bij andere hoogtes tussen bouwlagen of splitlevelbouwlagen kan ingevolge artikel 1.3 van het besluit op basis van gelijkwaardigheid een berekening worden uitgevoerd.Bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit evenredig verdeeld over de personen die van deze vluchtroutes komen. Alleen de tijd die nodig is voor het verticale verplaatsen (via trappen) wordt in rekening gebracht en niet de tijd die nodig is voor horizontale loopafstanden of voor hellingbanen, omdat de horizontale loopafstanden in het besluit al worden beperkt.

Met de wijziging van het vierde lid van artikel 2.1 worden bij Stcrt. 2014, 4057 de uitgangspunten die gehanteerd worden bij het bepalen van de opvang- en doorstroomcapaciteit bij nieuwbouw uitgebreid met twee nieuwe onderdelen, l en m. Onderdeel l geeft een nader voorschrift voor de toepassing van artikel 6.25, derde lid van het besluit. Het gaat daarbij om het aantal personen dat per minuut mag zijn aangewezen op een tegen de vluchtrichting indraaiende deur. Dat betreft 37 personen per deur ongeacht de afmetingen van de deur. Onderdeel m bepaalt dat wanneer in de ruimte voor een tegen de vluchtrichting indraaiende deur meer dan 37 personen tegelijkertijd aanwezig (kunnen) zijn, er op deze deur nooit meer dan 37 personen tegelijk mogen zijn aangewezen. Op ieder moment staan er, rekening houdend met de doorstroming, dus maximaal 37 mensen voor de deur.

Het vijfde lid geeft in aanvulling op het vierde lid uitgangspunten die specifiek bij de bepaling van de tijden uit het tweede en derde lid moeten worden gehanteerd. In tegenstelling tot de bepaling van de ontvluchtingstijd als bedoeld in het eerste lid, wordt er hier wel van uitgegaan dat er een vluchtroute is geblokkeerd door brand. Uitgangspunt is dat in een bouwwerk slechts in één subbrandcompartiment tegelijkertijd brand kan ontstaan. Omdat elk subbrandcompartiment een bedreigd subbrandcompartiment kan zijn, moet de berekening in beginsel worden uitgevoerd voor ieder bedreigd subbrandcompartiment. In de praktijk kan het echter mogelijk zijn het aantal berekeningen te beperken tot de meest kritische subbrandcompartimenten. Uit onderdeel c van dit lid volgt dat door het bedreigde subbrandcompartiment geen vluchtroute mag voeren die niet is begonnen in dit subbrandcompartiment.Het zesde lid geeft bij toepassing van het vierde lid, onder j, voor een bijeenkomstfunctie een aanvullende eis. Bij een bijeenkomstfunctie, vooral bij uitgaansgelegenheden, is de kans namelijk te groot dat personen bij een vertraging in de vluchtstroom (vernauwing) in de verdrukking raken. Dit lid geldt wanneer er meer dan 200 personen tegelijkertijd worden opgevangen in een opvangruimte. Dan moet er per twee personen ten minste 1 m2 vloeroppervlakte beschikbaar zijn indien die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuten, bepaald volgens het eerste tot en met vijfde lid, kan worden verlaten. Het optreden van verdrukking bij de ontvluchting kan verder worden voorkomen door een goede BHV-organisatie.

Artikel 2.2 Installaties

Het opschrift van paragraf 2.2 is bij Stcrt. 2014, 4057 van “Ontruimingsinstallatie en geluidssignaal” gewijzigd in ‘installaties’, daarmee is het mogelijk in deze paragraaf ook voorschriften op te nemen met betrekking tot andere installaties dan de ontruimingsinstallatie en het geluidssignaal.

Volgens artikel 6.20 van het besluit zijn logiesfuncties gelegen in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking verplicht (zie de definitie in artikel 1.1 van het besluit) om een brandmeldinstallatie met rechtstreekse doormelding naar de regionale alarmcentrale van de veiligheidsregio te hebben. Bij de in dit artikel genoemde logiesfuncties geldt dat bij detectie van brand het ontruimingsignaal direct in het gehele gebouw in werking moet worden gesteld. Een stil alarm of een vertraging in het alarm wordt dus niet toegestaan. Voor logiesfuncties met 24-uurs bewaking gelden andere voorschriften (zie de betreffende definitie in artikel 1.1 van het besluit).

Het nieuwe artikel 2.3 [Stcrt. 2014, 4058] bepaalt dat bij nieuwbouw portiekwoningen de deuren van de afzonderlijke woningen zelfsluitend te zijn. De bedoeling van dit nieuwe voorschrift is het voorkomen van rook in een portiek. Als een portiek vol met rook staat kunnen de bewoners namelijk niet meer vluchten door dit portiek, terwijl er ook geen andere vluchtroute is. Uit het rapport ‘Onderzoek rookbeheersing portiekoplossing’ van Adviesburo Nieman B.V. (30 september 2011) blijkt dat het toepassen van een zelfsluitende deur de meest aangewezen oplossing is voor het voorkomen van rook in het portiek.

Artikel 2.3 van de Regeling Bouwbesluit 2012 is met Stcrt. 2020, 66974 vervallen. Dit artikel regelde de zelfsluitendheid van woningtoegangsdeuren in portiekflats. Met de wijziging van het Bouwbesluit 2012 per 1 juli 2020 (Stb. 2020, 189) is de zelfsluitendheid van woningtoegangsdeuren geregeld in artikel 6.26 van dat besluit.

Paragraaf 2.3Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied [Stcrt. 2014, 4057]

De nieuwe paragraaf 2.3, veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied, bevat voorschriften ter uitwerking van de gelijknamige afdeling 2.16 van het besluit. Veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden zijn ruimtelijke zones langs en boven bepaalde, door de Minister van Infrastructuur en Milieu krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dergelijke transportroutes worden basisnetroutes genoemd. Het gaat hierbij om routes waarover brandbare en/of giftige vloeistoffen of gassen worden vervoerd. Het Besluit externe veiligheid transportroutes stelt beperkingen aan het in planologische zin toelaten van nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen deze zones en gebieden. Indien op grond van dat besluit bebouwingsmogelijkheden toelaatbaar zijn voor deze objecten, dienen deze te bouwen bouwwerken aan een aantal extra bouweisen te voldoen. Daarin voorziet deze paragraaf. Bij het bouwen van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in plasbrandaandachtsgebieden moet in het bijzonder rekening gehouden worden met de effecten van een plasbrand die veroorzaakt kan worden door lekkage van een brandbare vloeistof. In zowel veiligheidszones als plasbrandaandachtsgebieden moet rekening gehouden worden met aanvullende maatregelen voor bouwwerken om veiligheidsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De technische eisen die gesteld worden aan aldaar te bouwen bouwwerken houden rekening met verschillende scenario’s die zich kunnen voordoen bij incidenten op basisnetroutes met bepaalde gevaarlijke stoffen. Die eisen geven de personen in een bouwwerk voldoende tijd om het bouwwerk veilig te ontvluchten en bieden de brandweer en hulpverleningsdiensten voldoende tijd om adequaat op te treden. De eisen gelden dan ook voor alle bouwwerken waar mensen gedurende een zekere tijd verblijven. De hier bedoelde gebouwen zijn kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen), ziekenhuizen, scholen en grotere hotels en kantoren. Bij beperkte kwetsbare objecten kan men denken aan verspreid liggende woningen en bedrijfswoningen, bedrijfsgebouwen en kleinere hotels en kantoren. De in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 opgenomen voorschriften gelden uitsluitend voor dat gedeelte van een te bouwen bouwwerk dat binnen een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied ligt. De eis van mechanische ventilatie (artikel 2.10) geldt daarentegen voor het gehele gebouw, ook als dat gebouw slechts gedeeltelijk binnen een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied ligt. Met deze voorschriften wordt uitvoering gegeven aan de motie Van Heugten/Roefs (Kamerstukken II 2008/2009, 30 373, nr. 35).

>

Artikel 2.4

Dit artikel geeft aan in welke gevallen te bouwen bouwwerken moeten voldoen aan de in artikel 2.5 en volgende opgenomen eisen.

Eerste en derde lid Het eerste en derde lid hebben betrekking op te bouwen bouwwerken die tevens beperkt kwetsbare objecten zijn in veiligheidszones op en langs wegen en spoorwegen die onderdeel zijn van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes zijn nieuwe kwetsbare objecten niet toegelaten binnen deze veiligheidszones. Onder omstandigheden kunnen bij ruimtelijke besluitvorming binnen die zones wel nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor de bescherming van de daarin aanwezige mensen moet het bouwwerk aan een aantal extra eisen voldoen. Deze eisen zijn neergelegd in de artikelen 2.5 tot en met 2.10. Deze eisen gelden ook voor beperkt kwetsbare objecten die over een weg of spoorweg heen worden gebouwd. Dit is geregeld in het derde lid.

Tweede lid Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes mogen onder omstandigheden zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten worden toegelaten binnen een plasbrandaandachtsgebied. In verband met de effecten van een mogelijke plasbrand bij een incident met brandbare vloeistoffen op de desbetreffende weg of spoorweg, moet bij de bouw van nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wel worden voldaan aan de in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 opgenomen eisen.

Vierde lid Anders dan bij een basisnetroute die een weg of spoorweg is, kunnen onder omstandigheden op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes bij een basisnetroute die een binnenwater is naast beperkt kwetsbare ook kwetsbare objecten binnen de veiligheidszone worden toegestaan. Voor die gevallen volgt uit het vierde lid dat ter bescherming tegen de effecten van een mogelijke plasbrand aan de in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 opgenomen eisen moet worden voldaan.

Vijfde lid Het vijfde lid bevat een uitzondering op het eerste tot en met vierde lid. Op grond daarvan hoeven de in die leden bedoelde bouwwerken niet aan de in de artikelen 2.5 tot en met 2.10 opgenomen eisen te voldoen indien en voor zover het bouwwerk een object betreft met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zoals bijvoorbeeld een telefoon- of elektriciteitscentrale. In dergelijke objecten verblijven geen mensen, terwijl de in de artikelen 2.5 tot en met 2.10 opgenomen eisen uitsluitend ten doel hebben mensen die in bouwwerken verblijven te beschermen tegen de gevolgen van een calamiteit op een basisnetroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn.

Artikel 2.5

Op grond van dit artikel moet een bouwwerk een zodanige kwaliteit hebben dat in het geval van een plasbrand of een ander ernstig incident met gevaarlijke stoffen voldoende tijd is om het bouwwerk veilig te verlaten en de brandweer voldoende gelegenheid heeft om te voorkomen dat de brand overslaat naar de belendingen. In het eerste lid is geregeld dat de brandwerendheid van een uitwendige scheidingsconstructie van het gedeelte van een te bouwen bouwwerk dat gelegen is in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied ten minste 60 minuten moet zijn. De relevante beoordelingscriteria voor de brandwerendheid volgen uit de aangewezen NEN 6069. Afhankelijk van het bouwdeel in de uitwendige scheidingsconstructie en afhankelijk van de te beschermen ruimte, kan het hierbij gaan om vlamdichtheid (E), temperatuur (I), warmtestraling (W) en/of bezwijken (R). Hoewel NEN 6069 niet specifiek bedoeld is voor de bepaling van de brandwerendheid van een uitwendige scheidingsconstructie van buiten naar binnen, kan deze NEN 6069 toch worden gebruikt ervan uitgaande dat de buitenruimte wordt beschouwd als brandcompartiment. Uit praktische overweging is verder uitgegaan van de standaardbrandkromme voor een buitenbrand die volgt uit NEN-EN 13501-2. De specifiek bij een plasbrand of ernstig incident optredende brandbelasting kan dus buiten beschouwing blijven. Deze aanpak maakt het mogelijk dat niet bij ieder bouwwerk een maatwerkbepaling nodig is en dat gebruik kan worden gemaakt van de bestaande brandklasse gegevens van constructieonderdelen van uitwendige scheidingsconstructies.

Dit betekent niet dat een beoordeling op basis van de feitelijk optredende brandbelasting onmogelijk is. Dit kan op basis van gelijkwaardigheid (zie artikel 1.3 van het Besluit). Dit is zinvol als kan worden aangetoond dat de feitelijke brandbelasting geringer is.

Artikel 2.6

Het eerste lid eist brandklasse A2 voor de constructieonderdelen die in de buitengevel worden toegepast. Hierdoor wordt gerealiseerd dat een eventuele brand zich niet zo snel kan voortplanten dat de ontvluchting van personen of een adequaat repressief optreden door de brandweer wordt belemmerd. Het gaat hierbij alleen om de constructieonderdelen die in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied zijn gelegen. De reikwijdte van het voorschrift kan worden bepaald aan de hand van de projectie op het grondvlak. In het tweede tot en met vierde lid zijn uitzonderingen op het basisprincipe van het eerste lid opgenomen.

Artikel 2.7

Met het voorschrift van het eerste lid dat bovenop een dakconstructie een constructieonderdeel moet worden toegepast dat aan de buitenzijde aan brandklasse A2 voldoet, wordt bewerkstelligd dat een eventuele brand zich op een dak niet zo snel kan voortplanten dat hierdoor de ontvluchting van personen of een adequaat repressief optreden door de brandweer wordt belemmerd. De eis in dit artikel is niet aan het dak zelf gesteld omdat de Europese klasseringsnorm voor daken EN 13501-5 alleen een brandklasse E kent en geen klasse A2. Het gaat in dit voorschrift alleen om dat deel van het dak dat in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied ligt. Op grond van de tweede lid behoeft 5% van de oppervlakte van de dakconstructie niet aan het voorschrift van het eerste lid te voldoen.

Artikel 2.8

Bij een incident met gevaarlijke stoffen dient voorkomen te worden dat personen gebruik moeten maken van vluchtroutes, zoals bedoeld in afdeling 2.12 van het Besluit, die uitkomen op het buitenterrein waar het incident zich voordoet. Het eerste lid stelt dat er geen uitgang waardoor een vluchtroute voert, gelegen mag zijn in een buitenzijde van een bouwwerk, die zich bevindt in de veiligheidszone of het plasbrandaandachtsgebied. Indien het bouwwerk zich in z’n geheel bevindt in de veiligheidszone of het plasbrandaandachtsgebied stelt het tweede lid dat zo’n uitgang in dat geval aan die zijde moet zijn gelegen die van de infrastructuur is afgekeerd. Het eerste en tweede lid betekenen niet dat er helemaal geen deuren aanwezig mogen zijn in de betreffende zijden van een bouwwerk. Zolang door deze deuren geen noodzakelijke vluchtroute voert als bedoeld in afdeling 2.12 van het Bouwbesluit 2012, zijn deze deuren wel toegestaan. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat op de begane grond van een woning een tuindeur aanwezig mag zijn in de naar de infrastructuur toegekeerde zijde.

Artikel 2.9

Het eerste lid bepaalt dat de eisen die het Bouwbesluit 2012 in afdeling 2.2 stelt aan de sterkte bij brand ook gelden bij een buitenbrand.

Evenals bij artikel 2.5 is hier er uit praktisch oogpunt voor gekozen om uit te gaan van de standaardbrand-kromme voor een buitenbrand. Verder wordt er hierbij van uitgegaan dat de buitenruimte een subbrandcompartiment of brandcompartiment is. De tijdsduur waarbinnen een bouwconstructie niet mag bezwijken door brand zijn daarbij overeenkomstig afdeling 2.2 gerelateerd aan de gebouwhoogte. Het tweede lid geldt alleen voor bouwconstructies die geheel of gedeeltelijk over een plasbrandaandachtsgebied, veiligheidszone of basisnetroute heen worden gebouwd. Hierbij worden deze bouwconstructies van onderaf blootgesteld aan brand. Bij deze bouwconstructies is de tijdsduur waarbinnen de bouwconstructie niet mag bezwijken 90 minuten zodat gedurende deze langere tijd inzet door de hulpdiensten mogelijk is. In tegenstelling tot het eerste lid moet hierbij wel worden uitgegaan van de reële brandscenario’s. Deze scenario's zullen per transportroute en bouwconstructie verschillen, en zijn ter goedkeuring van het bevoegd gezag.

Artikel 2.10

Met een handmatig bedienbare voorziening kan het aanwezige mechanische ventilatiesysteem tijdelijk worden uitgeschakeld in het geval van een calamiteit waarbij giftige gassen zijn vrijgekomen. Bij aanwezigheid van een ruimte met een opstelplaats voor een elektriciteitsmeter heeft het de voorkeur de voorziening daar aan te brengen.

Bij Stcrt. 2017, 73470 is een nieuwe paragraaf “2.4 Drijvende bouwwerken, met vijf artikelen toegevoegd als verdere invulling van de regels die in het Bouwbesluit 2012 gelden voor de drijvende bouwwerken. Gezien de inhoud van paragraaf 2.4 is het opschrift van hoofdstuk 2 zo aangepast dat het niet meer alleen om brandveiligheid gaat, maar om veiligheid in het algemeen. De artikelen 2.11 tot en met 2.15 zijn hieronder toegelicht.

Artikel 2.11

In het eerste lid is de functionele eis gesteld dat een te bouwen drijvend bouwwerk en een tijdelijk drijvend bouwwerk voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte hebben. Deze eis is gebaseerd op artikel 2.5c van het Bouwbesluit 2012. Op grond van artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2012 geldt deze eis ook voor verbouw. Hiermee geldt de functionele eis dus zowel voor nieuwbouw, tijdelijke bouw als verbouw. De eis is aanvullend op de eisen voor constructieve veiligheid in de artikelen 2.2 tot en met 2.5a van het besluit. Het tweede lid stelt dat aan deze eis wordt voldaan door de overige voorschriften van paragraaf 2.3 op te volgen. Dit geldt alleen voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 zoals bedoeld in NEN-EN 1990 zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 meter boven de waterlijn en dat niet is gelegen in:

a.een rivier, kanaal, meer of ander water dat bestemd is voor motorvrachtschepen;
b.een water dat onderhevig is aan getijdenwisseling.

Voor drijvende bouwwerken die niet aan voormelde vereisten voldoen, moet per aanvraag aan het bevoegd gezag aannemelijk worden gemaakt dat het drijvend bouwwerk voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte heeft en daarmee voldoet aan de functionele eis in het eerste lid. Bij het bepalen of deze drijvende bouwwerken voldoen aan de functionele eis van het eerste lid kan gebruik worden gemaakt van het rapport van Hageman “Constructieve veiligheid drijvende bouwwerken” van 5 september 2017 (www.rijksoverheid.nl). In dit rapport is beschreven hoe rekening kan worden gehouden met golven door beroepsvaart en getijdenstroming.

Artikel 2.12

In dit artikel staan de voorschriften met betrekking tot stabiliteit en drijfvermogen. Stabiliteit houdt in dat een drijvend bouwwerk niet mag kantelen. Met drijfvermogen wordt bedoeld dat een drijvend bouwwerk geen water mag maken. Het eerste lid geeft aan wat de afstand is tussen het metacentrum en het zwaartepunt van een drijvend bouwwerk, waarbij het metacentrum zich boven het zwaartepunt bevindt. Het metacentrum is een algemeen begrip in de scheepsmechanica. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar genoemd rapport van Hageman. Als het metacentrum zich onder het zwaartepunt bevindt, is een drijvend bouwwerk niet stabiel en zal het omslaan. In het tweede lid staat hoe groot de veiligheidsafstand ten minste moet zijn. In onderdeel A is hiervoor het begrip veiligheidsafstand geïntroduceerd. De veiligheidsafstand is de aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven het drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, bepaald volgens NEN 2778. NEN 2778 is de bestaande norm in het Bouwbesluit 2012 voor waterdichtheid. De minimale veiligheidsafstand hangt af van de gevolgklasse van het drijvend bouwwerk. In het derde lid is aangegeven hoe de benodigde veiligheidsafstand moet worden vergroot in het geval het drijvend bouwwerk is gelegen in een water waarin grote golven zijn die door wind kunnen ontstaan. Als de significante golfhoogte vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300mm, dan wordt de veiligheidsafstand verhoogd met het verschil tussen de significante golfhoogte vermenigvuldigd met 1,125 en 300mm. De significante golfhoogte wordt bepaald volgens tabel 2.12.1 (voor windgebied I) of tabel 2.12.2 (voor windgebieden II en III). Naast deze veiligheidsafstand geldt ook dat een drijvend bouwwerk niet te veel scheef mag komen te liggen. Het vierde lid regelt daarom dat de scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde veiligheidsafstand, niet groter mag zijn dan 5 graden.

Artikel 2.13

In dit artikel staan de bepalingsmethoden voor de voorschriften uit artikel 2.12 met betrekking tot stabiliteit en drijfvermogen. In het eerste lid is de bepalingsmethode gegeven waarmee de grenswaarde van artikel 2.12, eerste lid, (de afstand tussen het metacentrum en het zwaartepunt van een drijvend bouwwerk) bepaald wordt. Onder a is aangegeven dat uitgegaan moet worden van de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990. Onder b staan veranderlijke belastingen (in NEN-EN 1991) die daarbij voor drijvende bouwwerken als blijvende belastingen worden meegenomen, omdat deze belastingen bij drijvende bouwwerken veelal een permanent karakter hebben. Onder c is aangegeven dat bij de belastingcombinatie moeten worden uitgegaan van de opgelegde belastingen volgens NEN-EN 1991 en worden afwijkingen hierop gegeven. Zo hoeft men geen rekening te houden met een ongunstige plaatsing van de opgelegde belasting. Voor de bepaling van het zwaartepunt is namelijk alleen de rechtstandige zakking van het drijvend bouwwerk van belang. Verder hoeft men slechts op één vloer de extreme waarde aan te houden, terwijl de norm uitgaat van twee vloeren. Het tweede lid geeft de bepalingsmethode waarmee de veiligheidsafstand bedoeld in artikel 2.12, tweede en derde lid, bepaald wordt. Onder a is aangegeven dat uitgegaan moet worden van de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990. Onder b staan veranderlijke belastingen (in NEN-EN 1991) die daarbij voor drijvende bouwwerken als blijvende belastingen worden meegenomen, omdat deze bij belastingen bij drijvende bouwwerken veelal een permanent karakter hebben. Onder c is aangegeven dat bij de belastingcombinatie moeten worden uitgegaan van de veranderlijke belastingen volgens NEN-EN 1991 en worden afwijkingen hierop gegeven. Zo hoeft men slechts op één vloer de extreme waarde van de opgelegde belasting aan te houden, terwijl de norm uitgaat van twee vloeren. Wel wordt gerekend met een ongunstige plaatsing van deze extreme waarde van de opgelegde belasting op een vloer zodanig dat het kantelende moment het grootst is. Bij deze belasting hoeft men geen rekening te houden met overige veranderlijke belastingen zoals wind. Indien de opgelegde belastingen niet overheersend zijn, hoeft men geen rekening te houden met een ongunstige plaats van deze belastingen. Wel zal men dan alle andere veranderlijke belastingen die NEN-EN 1991 kent, in rekening moeten brengen. Het meest bepalende hierbij is dan de windbelasting. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het hierboven genoemde rapport van Hageman. Verder is geregeld dat de belasting door golven alleen mee hoeft te worden genomen als deze hoger zijn dan 0,5 m. Tot slot geeft het derde lid aan wanneer de bepalingsmethoden uit het eerste en tweede lid van dit artikel toegepast mogen worden. Onderdeel a stelt dat de scheefstand bij oplevering van een drijvend bouwwerk niet groter mag zijn dan 0,5 graden. Dit betekent dat een drijvend bouwwerk nagenoeg horizontaal waterpas moet liggen. Dit gebeurt in de praktijk door het aanbrengen van trimgewichten in het drijflichaam, het zogenaamde trimmen. Bij het gebruik van het drijvend bouwwerk zal deze situatie in stand moeten worden gehouden. Dit valt onder de zorgplicht uit artikel 1a van de Woningwet en wordt niet expliciet geregeld in de Regeling Bouwbesluit 2012. In onderdeel b is geregeld dat een drijvend bouwwerk met een drijflichaam met een holle ruimte een waterniveau-alarm moet hebben. Dat geeft een alarmsignaal af als er water op de bodem van het drijflichaam komt. Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam met een holle ruimte geldt verder dat het drijflichaam ten minste moet bestaan uit twee gescheiden compartimenten en een automatische pomp moet hebben in ieder compartiment. Al deze voorzieningen zijn erop gericht dat de kans op het volstromen en zinken van een drijvend bouwwerk beperkt blijft. Aan het alarm en de waterpomp worden geen specifieke producteisen gesteld in de regeling. Het is aan de aanvrager van een vergunning om te bepalen welk alarm of welke pomp hij toepast. Het bevoegd gezag kan vervolgens beoordelen of deze keuze voldoende tegemoet komt aan hetgeen is beoogd (alarmeren van gebruikers van het drijvend bouwwerk respectievelijk het afvoeren van binnenkomend water). Het alarm en de pomp moeten uiteraard in het gebruik ook goed functioneren. Het gebruik valt onder de zorgplicht van artikel 1a van de Woningwet en is daarom niet expliciet geregeld.

Artikel 2.14

Dit artikel regelt de belastingen waarvan uitgegaan moet worden bij de bepaling van het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk. De bepalingsmethode zelf volgt al uit het Bouwbesluit 2012. In onderdeel a is geregeld dat de belastingen die op een drijvend bouwwerk worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties uit artikel 2.13 ook daadwerkelijk door het drijvend bouwwerk moet kunnen worden opgenomen zonder dat deze bezwijkt. In onderdeel b is verder geregeld dat bij de bepaling van het niet bezwijken van het drijflichaam uitgegaan moet worden van de fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in artikel 2.2 van het besluit waarin de belasting door ijs en golven zijn meegenomen als veranderlijke belasting. Wat betreft de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 geldt op basis van deze norm dat ijsbelastingen niet behoeven te worden meegenomen als er maatregelen zijn getroffen waardoor ijsbelastingen niet kunnen optreden. Voor een nadere toelichting daarop wordt verwezen naar het rapport van Hageman. De belasting door golven hoeft alleen mee te worden genomen als deze hoger zijn dan 0,5 m. In onderdeel c is geregeld dat een drijvend bouwwerk niet mag zinken door een calamiteit. Uit artikel 2.3 van het Bouwbesluit 2012 volgt dat hierbij alleen de bekende buitengewone belastingen hoeven te worden beschouwd. Voor een drijvend bouwwerk is dit met name de aanvaarbelasting. Omdat het toepassingsgebied (zie hiervoor artikel 2.11, tweede lid) beperkt is tot wateren zonder motorvrachtschepen behoeft hierbij alleen rekening te worden gehouden met toeristische scheepvaart. In NEN-EN 1991-1-7 worden hiervoor stootbelastingen gegeven. Drijvende bouwwerken in gevolgklasse CC1 met minder dan twee bouwlagen zijn hiervan uitgezonderd. Deze uitzondering is opgenomen omdat ook het gestelde in artikel 2.3 van het Bouwbesluit 2012 niet uitsluit dat eenvoudige tweelaagse bouwwerken door een calamiteit kunnen bezwijken. Als er maatregelen worden genomen om aanvaringen te voorkomen zoals het aanbrengen van beschermingsconstructies rondom het drijvend bouwwerk, behoeft geen rekening te worden met een aanvaring. Dit geldt ook als het drijvend bouwwerk is gelegen in (een gedeelte van) een water waarin helemaal geen scheepvaart plaatsvindt.

Artikel 2.15

Dit artikel regelt de belastingen waarvan moet worden uitgegaan bij de bepaling van het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk. De bepalingsmethode zelf volgt uit het Bouwbesluit 2012. Met onderdeel a is geregeld dat de belastingen, die op een aanmeerconstructie worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties uit artikel 2.13, ook daadwerkelijk door de aanmeerconstructie moet kunnen worden hoe opgenomen zonder dat deze bezwijkt. In onderdeel b is geregeld dat bij de bepaling van het niet bezwijken van de aanmeerconstructie ook moet worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in artikel 2.2 van het Bouwbesluit 2012 waarin de belasting door ijs is meegenomen als veranderlijke belasting. Wat betreft de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 geldt op basis van deze norm dat ijsbelastingen niet hoeven te worden beschouwd als er maatregelen zijn getroffen waardoor ijsbelastingen niet zullen optreden.

Hoofdstuk 3Gezondheid, energiezuinigheid en milieu (Stcrt. 2013, 16919 en Stcrt 2015. 17338)

De titel van hoofdstuk 3 middels Stcrt. 16919 is van ″duurzaam bouwen″ gewijzigd in ″energiezuinigheid en milieu″. Deze nieuwe titel is breder en dekt ook voorschriften met betrekking tot ingrijpende renovatie en systeemrendement.

In het opschrift van hoofdstuk 3 is middels Stcrt. 2015, 17338 nu “gezondheid” toegevoegd. Deze aanvulling is nodig omdat in dit hoofdstuk een nieuw artikel 3.5 is toegevoegd over de eisen die uit het oogpunt van gezondheid aan kooldioxidemeters worden gesteld.

Artikel 3.1

Bij Stcrt. 2017, 73470 is artikel 3.1 in zijn geheel vervangen door een nieuw artikel. In artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012 geldt met ingang van 1 januari 2018 een grenswaarde van 1.0 voor de milieuprestatie (Stb. 2017, 494). In het kader hiervan is de bepalingsmethode aangepast met een wijzigingsblad. In dit wijzigingsblad staat aangegeven welke constructies en installaties in beschouwing moeten worden genomen bij de bepaling van de grenswaarde. Het wijzigingsblad is verwerkt in de doorlopende tekst van de bepalingsmethode. Zowel het wijzigingsblad als de doorlopende tekst zijn te vinden op de website van de Nationale Milieudatabase (https://www.milieudatabase.nl/index.php?q=bepalingsmethode). Artikel 3.1 is hierop aangepast, zodat verwezen wordt naar de nieuwe bepalingsmethode voor de milieuprestatie. Daarnaast is een nieuw tweede lid van artikel 3.1 opgenomen op grond waarvan de uitkomst van de milieuprestatieberekening mag worden verlaagd met 0.4 wanneer er bij de berekening gebruik is gemaakt van de Nationale Milieudatabase (NMD) release 2.0 of hoger. Er wordt vanuit gegaan dat bij de milieuprestatieberekening gebruik is gemaakt van de meest recente release (uitgave) van de NMD. Gebleken is dat een berekening met de NMD release 2.0 tot hogere waarden kan leiden ten opzichte van een berekening met de vorige release (release 1.8). Met de bijstelling van 0.4 wordt zeker gesteld dat de milieuprestatiegrenswaarde van 1.0 in het Bouwbesluit 2012 eenvoudig haalbaar is. Wanneer bijvoorbeeld een milieuprestatie van 1.3 is berekend met gebruik van de NMD release 2.0, dan mag daar dus 0.4 van worden afgetrokken. Dit resulteert dan in een milieuprestatie van 0.9, waarmee wordt voldaan aan de milieuprestatiegrenswaarde van het Bouwbesluit 2012. Deze bijstelling is overigens bedoeld als een tijdelijke maatregel. De Stichting Bouwkwaliteit zal nog verder onderzoek (laten) uitvoeren naar de consequenties van de NMD release 2.0 teneinde de aftrekwaarde meer specifiek te onderbouwen. In overleg met het Overlegplatform bouwregelgeving zal vervolgens worden besloten of de bijstelling van 0.4 moet worden aangepast of kan komen te vervallen. Het onderzoek wordt medio 2018 verwacht.

Bij Stcrt. 2019, 36206 is artikel 3,1 geheel vervangen. Met de wijziging van artikel 3.1 is de laatste versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebou wen en GWW-werken aangewezen. Deze nieuwe versie van de bepalingsmethode MPG (versie 1 januari 2019 met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 juli 2019) is te raadplegen op de site over de Nationale Milieudatabase van Stichting Bouwkwaliteit: www.milieudatabase.nl. Met deze wijziging is de bepalingsmethode verder afgestemd op NEN-EN15804. Ook zijn in deze versie de databases voor de burgerlijke en utiliteitsbouw samengevoegd met die voor de grond-, weg- en waterbouw. De nieuwe versie van de bepalingsmethode MPG is voorafgaand aan de vaststelling door de Stichting Bouwkwaliteit getoetst bij gebruikers, deskundigen en andere belanghebbende partijen. Met de introductie van de nieuwe bepalingsmethode is de correctiefactor van 0.4 die eerder in het tweede lid van dit artikel was opgenomen vervallen. Op basis van artikel 3.1, tweede lid, mocht de uitkomst van de milieuprestatieberekening worden verlaagd met 0.4 wanneer er bij de berekening gebruik was gemaakt van de Nationale Milieudatabase (NMD) release 2.0 of hoger. Deze correctie was alleen bedoeld als een tijdelijke maatregel en vervalt nu. In het verlengde van de vaststelling van de nieuwe bepalingsmethode MPG zijn overigens diverse technische verbeteringen in de Nationale Milieudatabase doorgevoerd.

Artikel 3.2

Met artikel 3.2, ingevoegd via Stcrt. 2013, 16919, is een uitwerking gegeven aan artikel 5.6, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012. In artikel 3.2 is bepaald dat van ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn energie prestatie gebouwen sprake is wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot én deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. Hiermee wordt bedoeld dat de uitwendige scheidingsconstructie volledig, dat wil zeggen met inbegrip van alle constructieonderdelen (binnenblad, spouwvulling, buitenblad) wordt gerenoveerd. Het voorschrift geldt alleen voor het deel van de gebouwschil dat wordt gerenoveerd en niet voor de gehele gebouwschil van het gebouw. Met deze keuze voor de oppervlakte van de gebouwschil als criterium voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ingrijpende renovatie is uitvoering gegeven aan de keuzemogelijkheid zoals deze in artikel 2 onderdeel 10 van de herziene richtlijn is gegeven. De berekening of er sprake is van 25% van de gebouwschil wordt uitgevoerd aan de hand van ISSO publicatie nr. 75.1, uitgave oktober 2011. De berekeningswijze in deze publicatie heeft weliswaar betrekking op utiliteitsgebouwen, maar is ook te gebruiken bij woningen. Bij de berekening van het percentage van de gebouwschil wordt niet gekeken naar de gebruiksfunctie, maar wordt uitgegaan van het gebouw. De gebouwschil kan bestaan uit gevels (inclusief ramen en deuren), daken en vloeren. Zie hiervoor paragraaf 6.6 in genoemde ISSO publicatie. De oppervlakte van de gevel wordt bepaald aan de hand van paragraaf 6.6.2.1 van de genoemde publicatie, waarin is aangegeven hoe de horizontale afmeting en de verticale afmeting van de gesloten gevel moet worden bepaald. De oppervlakte van ramen en deuren wordt niet van de totale oppervlakte afgetrokken. De oppervlakte van het dak wordt bepaald conform paragraaf 6.6.2.3. Dit dakvlak wordt binnenwerks gemeten tussen de beide aansluitingen met de gevel (bij een plat dak) of tussen de aansluiting met de gevel en de nok (bij een hellend dak).De oppervlakte van de vloer wordt bepaald conform paragraaf 6.6.2.4. Deze oppervlakte wordt binnenwerks gemeten tussen de opgaande wanden.

Er wordt op gewezen dat deze ISSO publicatie is te raadplegen via www.isso.nl.

Als op basis van het eerste deel van het voorschrift is bepaald dat er sprake is van een ingreep die betrekking heeft op meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil, moet daarna worden nagegaan of deze ingreep de integrale gebouwschil betreft. Alleen voor zover daar sprake van is, geldt op grond van het derde lid van artikel 5.6 voor de ingreep in kwestie het nieuwbouwniveau. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd, waardoor de mogelijkheid bestaat om tegelijkertijd de isolatie aan te brengen die voldoet aan de nieuwbouweis. Bij aanpassingen die geen betrekking hebben op de integrale bouwschil is, ook als het gaat om renovatie van meer dan 25% van de gebouwschil, geen sprake van ingrijpende renovatie. Voorbeelden van dergelijke niet ingrijpende renovaties zijn bijvoorbeeld: na-isolatie van een spouwmuur, na-isolatie van enkelsteens buitenmuren aan binnen- of buitenkant, na-isolatie onder dakpannen of tegen het dakbeschot. Bij aanpassingen waarbij geen werkzaamheden aan de integrale gebouwschil worden verricht, kan op grond van het eerste lid van artikel 5.6 met het rechtens verkregen niveau worden volstaan.

De verwijzing in artikel 3.2 naar ISSO 75.1 is bij Stcrt. 2014, 34076 geactualiseerd. Voortaan (vanaf 1 januari 2015) kan bij de berekening van de oppervlakte van de gebouwschil gebruik worden gemaakt van de versie van juli 2014.

Met de wijziging in Stcrt. 2016, 33491 van het derde lid in het vierde lid is de verwijzing in artikel 3.2 weer in overeenstemming met de nummering van artikel 5.6 in het Bouwbesluit 2012. Met ingang van 24 november 2015 is namelijk een extra lid ingevoegd in artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2015, 425).

Met de wijziging van artikel 3.2 bij Stcrt. 2020, 13004 is geregeld hoe bij toepassing van artikel 5.16, eerste lid, van het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) moet worden bepaald of er sprake is van ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen. Hiermee is evenals al eerder voor de ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 gekozen voor de optie van artikel 2, tiende lid, onderdeel b, van de richtlijn. Van een ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, is sprake wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil, bepaald volgens ISSO 75.1, uitgave juli 2014, wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft.

Artikel 3.3

Met het per Stcrt 2020, 13004 gewijzigde artikel 3.3 is invulling gegeven aan de artikelen 6.55 en 6.55a van het Bouwbesluit 2012, zoals die luiden na de wijziging gepubliceerd in Stb. 2020, 84. De waarde van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem wordt bepaald op basis van de als bijlage III bij de wijzigingsregeling Stcrt. 2020, 13004 opgenomen rekenmethodiek. Het begrip waarde van de energieprestatie is daarbij in de plaats gekomen van het begrip systeemrendement. Met deze rekenmethodiek kan worden berekend wat de waarde voor de energieprestatie van technische bouwsystemen is en of deze waarde voldoet aan de minimumeisen uit de artikelen 6.55 en 6.55a van het Bouwbesluit 2012. Deze rekenmethodiek kan worden toegepast met behulp van een digitale tool.

Met de wijziging in Stcrt. 2020, 21238 is een correctie in de formule voor de berekening van de waarde van de energieprestatie voor ventilatiesystemen in onderdeel 4 van bijlage III bij artikel 3.3 opgenomen. In de formule is ‘[kWh/(m3/s)]’ vervangen door ‘[kWh/(m3/u)]’. Bedoelde formule is een uitwerking van artikel 6.55 van het Bouwbesluit 2012. In de artikelsgewijze toelichting op dat artikel van het Bouwbesluit 2012, zoals gepubliceerd in Stb. 2020, 84, komt genoemde formule kort aan de orde. Aldaar is in de toelichting op hetzelfde onderdeel van de formule ook een onjuistheid opgenomen. Met voorliggende correctie in de Regeling Bouwbesluit 2012 kan er echter geen misverstand zijn over de invulling en toepassing van de formule voor de berekening van de energieprestatie voor ventilatiesystemen.

Artikel 3.3a(nieuw in Stcrt. 2020, 13004)

Met het nieuwe artikel 3.3a is invulling gegeven aan de eisen voor een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar technisch bouwsysteem zoals bedoeld in de artikelen 6.55, tweede lid, en 6.55a, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 op grond van Stb. 2020, 84. Deze invulling van de eisen aan technische bouwsystemen zijn per soort bouwsysteem opgenomen. Hierbij is de indeling in soorten bouwsystemen van tabel 6.55 van het Bouwbesluit 2012 aangehouden. Per soort technisch bouwsysteem is beschreven hoe het systeem zodanig moet worden gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar moet zijn, dat het systeem zo energiezuinig mogelijk kan functioneren.Bij de dimensionering van ruimteverwarmings-, ruimtekoelings-, ventilatie- en warm tapwatersystemen en systemen voor ingebouwde verlichting dient goed te worden gekeken naar de vraag naar ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater en verlichting van het gebouw. Bij ruimteverwarmingssystemen mag de capaciteit van het ruimteverwarmingssysteem niet groter zijn dan nodig voor de warmtevraag van het gebouw. Daarnaast moet de temperatuur in het warmtedistributie- en afgiftedeel op de laagst mogelijke temperatuur worden afgesteld, waarmee nog kan worden voorzien in de warmtevraag van het gebouw. Ook voor ruimtekoelingssystemen geldt dat de capaciteit niet groter mag zijn dan nodig voor de koudevraag van het gebouw. De temperatuur in het koudedistributie- en afgiftedeel van het systeem dient daarbij afgesteld te worden op de hoogst mogelijke temperatuur waarbij het ruimtekoelingssysteem kan voldoen aan de benodigde koudecapaciteit van het gebouw. Bij de installatie van alle hiervoor genoemde technische bouwsystemen geldt dat die systemen moeten worden geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van de onderdelen. Dit is voor de verschillende technische bouwsystemen telkens in het tweede lid opgenomen. Voor ruimteverwarmingssystemen geldt dat deze zodanig moeten worden ingeregeld dat er een energetisch optimale stooklijn is en dat het systeem hydraulisch in balans is. De inregeling mag niet ten koste gaan van het comfort en het systeem moet optimaal kunnen presteren bij typische (meest voorkomende) gebruiksomstandigheden. Bij ruimtekoelingssystemen is het systeem afgesteld op de energetisch optimale condensor- en verdampertemperaturen en is hydraulisch in balans (voor hydraulische systemen) of heeft geoptimaliseerde luchtstromen (voor lucht-distributiesystemen). Ook bij ruimtekoelingssystemen mag de inregeling geen afbreuk doen aan het comfort en moet het systeem optimaal presteren bij typische (meest voorkomende) gebruiksomstandigheden. Bij ventilatiesystemen is het ventilatiedebiet geoptimaliseerd voor laag energieverbruik met behoud van comfort en luchtkwaliteit. Bij warm tapwatersystemen is de tapwatertemperatuur zodanig ingeregeld dat het energieverbruik zo laag mogelijk is, maar er geen risico’s ontstaan ten aanzien van legionella-veiligheid.Ruimteverwarmings-, ruimtekoelings-, ventilatie- en warm tapwatersystemen en systemen voor ingebouwde verlichting moeten voldoende instelbaar te zijn. Ruimteverwarmingssystemen moeten daarbij zijn voorzien van een ruimtethermostaat van klasse 2 of hoger als bedoeld in verordening Nr. 1253/2014 van de Commissie van 7 juli 2014 tot uitvoering van Ecodesign richtlijn 2009/125/EC en van thermostatische radiatorkranen waaronder kranen voor vloerverwarming (PbEU 2014, L337/8). Bij vervanging of toevoeging van radiatoren binnen een ruimteverwarmingssysteem moeten deze radiatoren worden voorzien van thermostatische radiatorkranen met ingebouwde flowregeling of thermostatische radiatorkranen zonder flowregeling met een separaat voetventiel. Deze eisen zijn echter niet van toepassing als de ruimteverwarmingssystemen al worden aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd (onderdeel zes). Bij ruimtekoelingssystemen moet een centraal aangestuurd systeem een kamerthermostaat te hebben. Bij individueel geregelde units moeten de ruimtekoelingssystemen een door de gebruiker in te stellen thermostaat te hebben. Ook hier geldt dat deze vereisten niet van toepassing zijn als de ruimtekoelingssystemen aangestuurd worden door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd (onderdeel zes). Bij ventilatiesystemen moeten de systemen zijn voorzien van passende regelapparatuur waarmee het ventilatievolume in drie of meerdere standen of traploos aan te passen is aan de ventilatiebehoefte. Bij warm tapwatersystemen dient de watertemperatuur op toegankelijke wijze te kunnen worden ingesteld. Bij ingebouwde verlichting dient het systeem instelbaar te zijn door aan-uit schakelaars of aanwezigheidsdetectie. Gebouwautomatiserings- en controlesystemen (GACS) moeten worden ingesteld op een energetisch optimale prestatie onder typische (meest voorkomende) gebruiksomstandigheden en moeten voor oplevering te worden getest.

Met de wijziging in Stcrt. 2020, 37764 is de eerdere verwijzing voor de ruimtethermostaat in onderdeel a, subonderdeel 40 gecorrigeerd. Voortaan is verwezen naar de definitie van temperatuurregelaarklassen zoals opgenomen in artikel 6.1 van de Mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (2014/C 207/02). Deze mededeling is online te raadplegen via https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52014XC0703(01)&from=NL. In genoemd artikel worden verschillende soorten centrale thermostatische regelingen voor verwarmingssystemen beschreven. Regelingen van klasse I (aan/uit-kamerthermostaat) voldoen niet aan de gestelde eis; andere gedefinieerde regelingen (zoals diverse soorten weercompensatieregelingen, een TPI-kamerthermostaat, modulerende kamerthermostaat en een multisensor kamertemperatuurregelaar) voldoen wel.

Met een eerdere wijziging van de Regeling bouwbesluit 2012 (Strct. 2020, 37764) is de verwijzing voor de ruimtethermostaten gecorrigeerd. Daarbij is per abuis een zinsnede wegvallen over thermostatische radiatorkranen. Dit is met de onderhavige wijziging, Stcrt. 2020. 66974, hersteld. Zie voor een toelichting op deze eis voor ruimteverwarmingssystemen de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stcrt. 2020, 13004).

Artikel 3.3b(nieuw in Stcrt. 2020, 13004)

Met het nieuwe artikel 3.3b is invulling gegeven aan artikel 6.55b (verslaglegging) van het Bouwbesluit 2012. In dat artikel staat dat de energieprestatie van de technische bouwsystemen moet worden beoordeeld en gedocumenteerd door de installateur en dat deze stukken daarna moet worden overhandigd aan de gebouweigenaar. In artikel 3.3b is een opsomming opgenomen van de gegevens die moeten zijn opgenomen. Het gaat hierbij niet alleen om gegevens zoals naam, adres en woonplaats van de opdrachtgever, maar bijvoorbeeld ook om de functie van gebouw. Hierbij moet worden aangegeven of het een woning of een ander soort gebouw is. Dit is relevant in verband met de minimumeisen die gelden voor de waarde van de energieprestatie als bedoeld in de artikelen 6.55 en 6.55a van het Bouwbesluit 2012.Ook moeten de stukken informatie bevatten over de opsteller van de documentatie. In het geval van een professionele installateur moet de naam en het registratienummer van de installateur te worden vermeld. In andere gevallen moet de documentatie de naam, het adres en de woonplaats van de opsteller te bevatten.Ook moet duidelijk vermeld worden om wat voor soort technisch bouwsysteem het gaat. Betreft het een systeem voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater of ingebouwde verlichting? Verder moet worden aangegeven om welk systeem het gaat door het type of serienummer van (componenten) van het technisch bouwsysteem te vermelden. Als dergelijke gegevens ontbreken, dan volstaat een nauwkeurige omschrijving van de plaats waar het technisch bouwsysteem zich in, aan, op of naast het gebouw bevindt.De stukken moeten daarnaast ook een beschrijving bevatten van de verrichte werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem en de berekende waarde voor de energieprestatie, zoals berekend volgens de rekenmethodiek in bijlage III van deze regeling. Tot slot dient de documentatie de datum van de werkzaamheden te bevatten en een ondertekening door de installateur, die het document opstelt. Dit kan bijvoorbeeld ook de gebouweigenaar zijn als deze zelf het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd.

Artikel 3.4

Met het nieuwe artikel 3.4, ingevoeg bij Stcrt 2014, 34076, is een formule gegeven om de gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) van ramen, deuren en kozijnen als bedoeld in artikel 5.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 te berekenen. Deze gemiddelde U-waarde van een bouwwerk wordt als volgt bepaald.

  • Bepaal van ieder raam, deur en kozijn de U-waarde en het geprojecteerde oppervlak volgens NEN 1068;
  • Bepaal daarna het gesommeerd geprojecteerd oppervlak van alle ramen, deuren en kozijnen;
  • Bereken van ieder raam, deur en kozijn het quotiënt van beide bovengenoemde berekeningen en vermenigvuldig deze uitkomst met de U-waarde. Dit is de gewogen U-waarde;
  • De op basis van bovenstaande gesommeerde gewogen U-waarde is het in het zesde lid bedoelde getal;
  • Dit getal mag dus niet hoger zijn dan 1,65 W/m2.K om aan de in het Bouwbesluit 2012 gestelde eis te voldoen.

Artikel 3.5

(Stcrt. 2015, 17338) In artikel 7.23 van het Bouwbesluit is bepaald dat de verblijfsruimten van de onderwijsfunctie voor het basisonderwijs een kooldioxidemeter moeten hebben en dat daaraan bij ministeriële regeling eisen kunnen worden gesteld. Artikel 3.5 bevat deze eisen. In onderdeel e wordt gesproken over de drie signaalniveaus met een eigen kleurcode. Op grond van een advies van Rijksbouwmeester over scholenbouw, getiteld “Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie” uit 2009 is de vereiste capaciteit van de voorziening voor de luchtverversing in een onderwijsfunctie aangescherpt. Op basis van de ISSO-publicatie nr. 89 – 2008 Binnenklimaat scholen, komt dit overeen met een CO2-concentratie van ten hoogste 1000 ppm. In een recent advies van de Gezondheidsraad over de binnenluchtkwaliteit in basisscholen (Binnenluchtkwaliteit in basisscholen, 2010, publicatienr. 2010/06) is de raad van mening dat er in verreweg de meeste onderzoeken geen aanwijzingen zijn dat gezondheidsklachten ontstaan bij gemiddelde CO2-concentraties onder 1200 ppm. De indeling in drie signaalniveaus met drie signaalkleuren is aan deze twee waarden gerelateerd. Gebruikelijk is het signaalniveau van de laagste concentratie groen te maken, de middelste oranje en de hoogste rood.

Artikel 3.6(Stcrt. 2017, 73470) <is vervallen per 01.01.2021 na inwerkingtreding Stcrt 2020, 37764>

In artikel 5.2, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 is opgenomen dat per 1 januari 2019 nieuwe gebouwen waarvan de overheid eigenaar is en waarin overheidsinstanties zijn gevestigd bijna energieneutraal moeten zijn. Deze bepaling is ter omzetting van artikel 9, eerste lid, van de herziene EPBD. Tevens is ter omzetting van artikel 9, eerste lid, van de herziene EPBD in artikel 5.2, zevende lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen dat alle overige gebouwen bijna energieneutraal moeten zijn met ingang van 31 december 2020. In het achtste lid van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven over (onder andere) deze beide leden. Met artikel 3.6 dat invulling geeft aan genoemd artikel 5.2, zesde lid, is uitgewerkt aan welke voorwaarden nieuwe overheidsgebouwen moeten voldoen om bijna energieneutraal te zijn. De energieprestatie is hiervoor in drie indicatoren uitgewerkt: de maximale energiebehoefte, het maximale primaire fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. In de brief aan de Tweede Kamer van 2 juli 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 30196, nr. 352) zijn de voorlopige eisen voor de drie waarden opgenomen. Volgens het methodologisch kader van de herziene EPBD moet vervolgens de kostenoptimaliteit (van het primair fossiel energiegebruik) en de kosteneffectiviteit (van de energiebehoefte en het aandeel hernieuwbare energie) worden bepaald. Hiertoe is een kostenoptimaliteitsstudie uitgevoerd, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uit de kostenoptimaliteitsstudie is gebleken dat de voorgenomen eisen voor kantoren kostenoptimaal (primair fossiel energiegebruik) en kosteneffectief (energiebehoefte en aandeel hernieuwbare energie) zijn. Dit geldt ook voor de kostenoptimaliteit (primair fossiel energiegebruik) en kosteneffectiviteit (aandeel hernieuwbare energie) van de bijeenkomstgebouwen en de kosteneffectiviteit (aandeel hernieuwbare energie) van de celgebouwen. De voorgenomen eisen voor de energiebehoefte voor de bijeenkomstgebouwen en de celgebouwen en de voorgenomen eis voor primair fossiel energiegebruik voor de celgebouwen bleken te ambitieus, omdat de maatregelenpakketten niet kosteneffectief dan wel kostenoptimaal bleken te zijn. Deze eisen zijn, vergeleken met de voorlopige eisen, aangepast conform de procedures die de Europese Commissie voorschrijft. In de kostenoptimaliteitsstudie is gekeken naar de meest voorkomende soorten overheidsgebouwen: de kantoorgebouwen, bijeenkomstgebouwen en celgebouwen. Uitzonderlijke soorten gebouwen zijn vanwege de beperkte doorlooptijd van deze studie niet meegenomen. Deze gebouwen worden meegenomen bij het kostenoptimaliteitsonderzoek in 2018. Voor nieuwe overheidsgebouwen, anders dan de kantoor-, bijeenkomst- of celgebouwen, blijven in de periode van 1 januari 2019 tot het moment waarop de BENG-eisen voor alle nieuwbouw gaan gelden (1 januari 2020) de huidige EPC-eisen van kracht. Bovenstaande eis voor kantoorgebouwen geldt niet voor zeer kleine kantoorgebouwen met een vloeroppervlakte kleiner dan 100 m2 . Daarvoor blijven voorlopig de huidige EPC-eisen gelden. Het derde lid geeft de bepalingsmethode waarmee de waarden uit het eerste lid bepaald moeten worden. Deze bepalingsmethode is te vinden in de Handreiking BENG van 28 augustus 2017 (www.rijksoverheid.nl). Er wordt op gewezen dat in de Handreiking BENG nieuwe versies van NEN 1068, NEN 7120 en NVN 7125 zijn aangewezen. Bijlage I, waarin is aangegeven welke versie van een bepaalde norm van toepassing is, is overeenkomstig aangepast. Zie de toelichting bij artikel 1.2.

Artikel 3.6[in werking getreden 01.01.2021 op grond van Stcrt. 2020, 37764, gewijzigd bij Stcrt. 2021, 7401 en 32830]

Voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, Stcrt. 2020, 37764, bevatte artikel 3.6 de eisen aan bijna energieneutrale overheidsgebouwen. Deze eisen zijn vanaf de inwerkingtreding van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw op besluitniveau opgenomen (artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012). Met artikel 3.6 zijn voortaan eisen gesteld aan de wijze van berekening van de waarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie.

Op grond van het eerste lid van artikel 3.6 moeten deze waarden worden berekend door een op basis van BRL 9500-W of BRL 9500-U, in beide gevallen, subdeelgebied detailopname, gecertificeerd bedrijf. Bij woningbouw wordt dus gebruik gemaakt van BRL 9500-W. In alle andere gevallen geldt BRL 9500-U. Uit de beide BRLen volgt dat daarbij gebruik moet worden gemaakt van vakbekwame en onafhankelijke adviseurs met een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in paragraaf 4.1 van BRL 9500-W of BRL 9500-U. Het bedrijf dat de berekening uitvoert moet daarbij gebruikmaken van op basis van BRL 9501 geattesteerde software. Uit de waarden die uit de hier bedoelde berekening volgen kan worden afgeleid of de onderhavige bouwactiviteit wel voldoet aan de eisen van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012. Als dat niet het geval mocht zijn, dan zal het ontwerp zo moeten worden aangepast dat de vergunning voor het bouwen alsnog kan worden verleend.

Aan het eerste lid is bij Stcrt. 2021, 7401 een kleine toevoeging aangebracht. De berekening moet niet alleen worden gemaakt, maar ook geregistreerd.

Het tweede lid bevat een overgangsbepaling. Tot 1 januari 2022 wordt met een gecertificeerd bedrijf gelijkgesteld een bedrijf dat certificering heeft aangevraagd en dat voor de berekening gebruikmaakt van vakbekwame en onafhankelijke adviseurs met een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in paragraaf 4.1 van BRL 9500-W of BRL 9500-U. Zowel bedrijven die al eerder gecertificeerd waren onder de vorige versie van de BRL als nieuwe toetreders op de markt mogen gebruikmaken van deze overgangsregeling. Voorwaarde is alleen dat de certificering is aangevraagd of dat het bestaande (oude) certificaat in overeenstemming met de afspraken met de certificatie-instelling zullen worden omgezet naar een nieuw certificaat, dat er al wordt gewerkt conform de BRL 9500-W of BRL 9500-U én daarbij gebruik wordt gemaakt van adviseurs die aan de gestelde eisen voldoen.

Bij Stcrt. 2021, 7104 is in artikel 3.6, derde lid, een overgangsregeling in de Regeling Bouwbesluit 2012 opgenomen voor personen die BENG-berekeningen willen maken en registeren maar nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald. Op grond van artikel 3.6, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 moeten BENG-berekeningen worden uitgevoerd door een op basis van BRL 9500-W van 15 april 2020, inclusief wijzigingsblad van 15 december 2020 en in BRL 9500-U van 15 april 2020, inclusief wijzigingsblad van 15 december 2020, in beide gevallen subdeelgebied detailopname, gecertificeerd bedrijf, of een bedrijf dat certificering heeft aangevraagd (zie artikel 3.6, tweede lid, van de regeling). In afwijking van het eerste lid mogen BENG-berekeningen tot 1 juli 2021 worden uitgevoerd en geregistreerd door personen die werkzaam zijn voor een certificaathouder en aantoonbaar in staat zijn volgens de voorschriften BRL 9500-W en BRL 9500-U een opname te maken van de bouwkundige schil en installaties van het gebouw. Adviseurs zijn hiertoe aantoonbaar in staat wanneer zij alle examenmodules hebben behaald die voor het opnemen van de energieprestatie voor het van toepassing zijnde deelgebied en detailniveau vereist zijn. De softwaremodules (W4d, U4d) zijn niet vereist1. Met de wijziging in Stcrt. 2021, 32830 wordt de bestaande overgangsregeling voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs verlengd tot 1 november 2021.

Evenals bij de uitbreiding van de overgangsregeling in de Regeling energieprestatie gebouwen (artikel I van Stcrt. 2021, 7104) wordt ook bij de overgangsregeling in deze regeling in artikel 3.6, vierde lid, voorgeschreven dat de certificaathouder aanvullend in ieder geval de eerste twee registraties van BENG-berekeningen controleert middels een beoordeling van het dossier als bedoeld in paragraaf 6.1 van BRL 9500-W van 15 april 2020, inclusief wijzigingsblad van 15 december 2020 en in BRL 9500-U van 15 april 2020, inclusief wijzigingsblad van 15 december 2020. Op deze manier wordt de kwaliteit van de berekeningen door iedere certificaathouder op dezelfde wijze geborgd. Zie voor een verdere toelichting hierop de artikelsgewijze toelichting bij de voornoemde wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen.

1 Een overzicht van de benodigde examenmodules is door ISSO gepubliceerd op https://isso.nl/kennis/ep.

Artikel 3.7(Nieuw per 01.01.2021 in Strct. 2020, 37764)

Met de in artikel 3.7 opgenomen overgangsbepaling is het mogelijk gebruik te maken van een zogenoemde geattesteerde voorversie van de in artikel 3.6 bedoelde definitieve versie van de geattesteerde software. Waar hierna van definitieve versie van de geattesteerde software wordt gesproken, gaat het om de versie die geldt op 1 januari 2021. Dit is ook de versie die in BRL 9501, in ieder geval tenminste tot 1 juli 2021, wordt bedoeld met ‘meest geactualiseerde attestversie’.

De geattesteerde voorversie wordt in de tweede helft van 2020 verder uitgewerkt ter zake van de in- en uitvoermogelijkheden en aanvullend getest en zal dan uiteindelijk resulteren in de hierboven bedoelde definitieve ofwel ‘meest geactualiseerde attestversie’. Wanneer voor inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling al berekeningen zijn gemaakt op basis van de voorversie die geldt op 1 juli 2020 van de conform BRL 9501 geattesteerde software, en de ontwikkelende partijen op basis daarvan hun voorontwerpen tussentijds hebben getoetst op bijna-energieneutraliteit, dan mag van die berekeningen desgewenst gebruik worden gemaakt tot 1 juli 2021. Voor deze mogelijkheid is gekozen overeenkomstig het expliciete verzoek van genoemde partijen om hen al voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Besluit van 13 december 2019, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501), ook wel het BENG besluit genoemd, in de gelegenheid te stellen zich voldoende voor te kunnen bereiden op de nieuwe systematiek en de nieuwe eisen.

Hoewel niet verwacht wordt dat er sprake is van grote verschillen tussen de voorversie en de definitieve versie van de geattesteerde software is niet volledig uit te sluiten dat bij berekening op grond van de voorversie een gering verschil optreedt vergeleken met de berekening op grond van de definitieve versie. Om partijen die voorafgaande aan de inwerkingtreding van het BENG besluit al berekeningen hebben uitgevoerd en hun ontwerp daarop hebben gebaseerd niet in een nadelige positie te brengen als gevolg van mogelijke wijzigingen in de periode tussen 1 juli 2020 en het moment van vaststelling van de definitieve versie van de geattesteerde software, mogen beide versies tot 1 juli 2021 naast elkaar worden gebruikt.

Met het eerste lid is bepaald dat vanaf het moment van inwerkingtreding van het BENG besluit (naar verwachting 1 januari 2021) tot 1 juli 2021 naast een berekening op grond van de definitieve geattesteerde software (dus de versie die op 1 januari 2021 geldt) een tweede berekening op basis van de voorversie mag worden gemaakt.

Het is dus altijd nodig om een berekening te maken op grond van de definitieve geattesteerde versie. Alleen de berekening op grond van deze versie kan namelijk conform de BRL 9500 worden geregistreerd.

Op grond van het tweede lid moeten bij beide berekeningen dezelfde invoergegevens worden gehanteerd. Hiermee kunnen de resultaten van beide berekeningen goed met elkaar worden vergeleken. Ook overigens moeten de berekeningen worden uitgevoerd door een bedrijf of organisatie dat voldoet aan artikel 3.6, eerste of tweede lid.

Op grond van het derde lid mag bij een verschil tussen beide berekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor het bouwen van de meest gunstige berekening worden uitgegaan. Dit betekent dat tot 1 juli 2021 de aanvrager mag kiezen om bij de vergunningaanvraag een berekening in te dienen op basis van de geattesteerde voorversie. Mocht in een specifiek geval berekening op grond van de definitieve geattesteerde software betekenen dat niet aan BENG-eisen wordt voldaan, of de berekening op grond van de voorversie gunstiger zijn, dan volstaat bij de vergunningaanvraag de berekening op grond van de voorversie om aan te tonen dat men wél aan de BENG-eisen voldoet. In dat geval wordt bij de registratie aangegeven dat met de attestversie van 1 juli 2020 is aangetoond dat aan de BENG-eisen wordt voldaan.

Als gezegd, het is dus altijd nodig om ook een berekening op grond van de definitieve software te maken. Zoals in artikel 3.10, vierde lid, is geregeld, is de softwarekeuze die op grond van artikel 3.7 wordt gemaakt ook bepalend voor de berekening van de waarde voor oververhitting.

De overgang van het stelsel NEN 7120 (EPC) naar het stelsel NTA 8800 (BENG) is voor de praktijk als volgt samen te vatten: In de periode van 1 juli tot 1 januari 2021 geldt ten behoeve van de tijdens die periode nog voorgeschreven EPC-berekeningen de BRL 9501 geattesteerde rekensoftware op basis van de NEN 7120. Deze wordt gebruikt om aan te tonen dat men aan de nieuwbouw-eisen (EPC-eisen) voldoet. Deze rekensoftware is ook nog in de periode ná 1 januari 2021 beschikbaar om bij oplevering van een gebouw onder het oude regime aan te kunnen tonen dat het gerede product aan de EPC-eisen voldoet.Verder is in de periode vanaf 1 juli 2020 tot 1 januari 2021 ook de geattesteerde voorversie van 1 juli 2020 van de NTA 8800 beschikbaar, met als doel dat de ontwikkelende nieuwbouwpartijen zich tijdig kunnen voorbereiden op de nieuwe BENG-eisen en de nieuwe bepalingsmethode (NTA 8800). Het gebruik van de voorversie van de geattesteerde rekensoftware vindt plaats op eigen initiatief: het rekenen moet hoe dan ook worden gedaan conform de spelregels van de BRL 9500-W en 9500-U (detailopname) die gaan gelden vanaf 2021. Dit is het geval waarin een beroep kan worden gedaan op artikel 3.7.Vanaf 1 januari 2021 worden de nieuwbouw BENG berekeningen conform BRL 9500 (W en U) uitgevoerd en geregistreerd volgens de definitieve geattesteerde rekensoftware. De registratie vindt daarbij altijd plaats op basis van deze definitieve geattesteerde software.

Artikel 3.8(Nieuw per 01.01.2021 in Stcrt. 2020, 37764)

Met artikel 3.8 is geregeld dat bij het bepalen van het aandeel hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het BENG besluit rekening mag worden gehouden met de restwarmte en restkoude. Met restwarmte en -koude wordt respectievelijk warmte en koude bedoeld waarvoor geen extra brandstofinzet nodig is en die anders zou worden geloosd. Bij toepassing van dit artikel gaat het alleen om de restwarmte en restkoude zoals die gewaardeerd wordt bij toepassing van NTA 8800. Met dit voorschrift is vooruitgelopen op de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L328/82).

Artikel 3.9(Nieuw per 01.01.2021 in Stcrt. 2020, 37764)

Met dit artikel is een nadere invulling gegeven aan artikel 5.2, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Artikel 5.2, derde lid, biedt de mogelijkheid om bij woongebouwen niet te voldoen aan de voorgeschreven minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie, voor zover het als gevolg van locatiegebonden omstandigheden niet mogelijk is aan de eis te voldoen. In artikel 3.9 is aangegeven hoe beoordeeld moet worden of het daadwerkelijk mogelijk is gebruik te maken van de beschreven uitzonderingsmogelijkheid. Met deze nadere voorschriften worden mogelijk onjuiste interpretaties van de uitzonderingsmogelijkheid voorkomen. Bij de beoordeling moet gebruik worden gemaakt van het stappenplan dat is opgenomen in de Leidraad afwijking eis hernieuwbare energie woongebouwen (nieuwbouw) van 7 juli 2020 zoals gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/12/17/kostenoptimaliteitsstudie-beng-eisen. In dit stappenplan zijn de randvoorwaarden opgenomen waaraan voor een beroep op de uitzondering moet worden voldaan. Hierbij wordt opgemerkt dat de uiteindelijke beslissing of gebruik mag worden gemaakt van de uitzondering door het bevoegd gezag wordt genomen. De beoordeling van de kosteneffectiviteit in dat specifieke geval speelt daarbij geen rol. Zoals is beschreven in het algemeen deel van de toelichting op het Besluit van 13 december 2019 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501) is de kostenoptimaliteit en kosteneffectiviteit van de verschillende mogelijke maatregelen onderzocht.

Artikel 3.10Nieuw per 01.01.2021 in Stcrt. 2020, 37764)

Artikel 3.10 stelt een expliciete eis aan de waarde voor oververhitting. De afgelopen jaren is gebleken dat als gevolg van de steeds scherpere eisen aan de energieprestatie voor nieuwe woningen niet altijd voldoende aandacht aan het binnenklimaat in de zomer werd gegeven. Dit heeft in recente jaren, met enkele bijzonder warme zomers, in een aantal gevallen geleid tot ongewenste oververhitting bij nieuwe woningen. In zulke gevallen moest er alsnog een – veelal mobiele en daarmee inefficiënte – airco in de woning worden geplaatst om deze oververhitting weg te koelen. Om dergelijke ongewenste situaties voortaan zoveel mogelijk te voorkomen wordt een eis aan de maximale waarde voor oververhitting gesteld. Om te berekenen of aan de BENG eisen is voldaan, wordt gebruik gemaakt van NTA 8800. Als onderdeel van deze berekeningen wordt ook een indicator voor de oververhitting berekend. Dit is de waarde voor oververhitting, ofwel de zogenoemde TOjuli. In artikel 3.10 is bepaald dat deze waarde voor woningen ten hoogste 1,20 mag zijn.

Omdat NTA 8800 een methode is die op basis van maandgemiddelde gegevens de energieprestatie bepaalt, en het temperatuurverloop bij warme dagen een meer dynamisch gedrag vertoont dan op basis van maandgemiddelde situaties en aannames, geeft de indicator TOjuli slechts een globaal beeld. Op basis van analyses van berekeningsresultaten voor TOjuli met NTA 8800 te vergelijken met berekeningen met een dynamisch rekenmodel op basis van gegevens per uur en gewogen temperatuuroverschrijdingen is vastgesteld dat, indien de TOjuli een waarde geeft van 1,20 of minder, het risico op ongewenste oververhitting beperkt kan blijven. De indicator TOjuli is echter te globaal om hiermee te concluderen dat bij waarden boven 1,20 het aantal overschrijdingen per definitie onacceptabel is. Om die reden wordt de mogelijkheid geboden om – indien voor bepaalde rekenzones en oriëntaties de grenswaarde wordt overschreden en men toch de veronderstelling heeft dat het thermisch binnenklimaat in de zomer aanvaardbaar is – met een dynamische berekening aan te tonen dat onder de als acceptabel veronderstelde 450 gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO1 ) wordt gebleven. Wanneer bij de aanvraag van een vergunning een BENG-berekening wordt ingediend waarin TOjuligroter dan 1,20 is, moet worden aangetoond dat het aantal gewogen overschrijdingsuren ten hoogste 450 is.

Het eerste lid geeft deze maximale grenswaarde voor de indicator voor oververhitting. Indien men onder deze waarde blijft wordt het risico op oververhitting als acceptabel klein verondersteld.

Het tweede lid geeft de mogelijkheid om, indien de berekende indicator voor oververhitting de in het eerste lid aangegeven grenswaarde overstijgt, op basis van een berekening aan te tonen dat het aantal gewogen temperatuuroverschrijdingen maximaal het acceptatieniveau van 450 gewogen temperatuuroverschrijdingen (GTO) bedraagt.

Het derde lid beschrijft de werkwijze hoe bij woongebouwen waarin binnen een of meerdere woningen de grenswaarde voor oververhitting wordt overschreden. In dat geval moet voor de maatgevende woning met de absoluut hoogst berekende waarde voor oververhitting met een dynamisch rekenmodel worden aangetoond dat binnen die woning het aantal gewogen temperatuuroverschrijdingen maximaal het acceptatieniveau van 450 temperatuuroverschrijdingen (GTO) bedraagt. De veronderstelling daarbij is dat in dat geval ook bij de overige woningen binnen dat woongebouw het aantal overschrijdingsuren acceptabel is.

Het vierde lid bepaalt dat de berekening van de waarde voor oververhitting met dezelfde versie van de software moet plaatsvinden als de versie die wordt gebruikt voor de vergunningaanvraag. Zie ook hierboven de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.7.

Het vijfde lid bepaalt dat de in dit artikel bedoelde berekeningen moeten voldoen aan de in de bijlage VII opgenomen ‘uitgangspunten dynamische rekenmethodiek oververhitting in de zomerperiode’. Toepassing van deze uitgangspunten betekent dat er gebruik moet worden gemaakt van een dynamisch rekenmodel dat is getest conform BESTEST of ASHRAE 140. BESTEST en ASHRAE 140 zijn internationale testmethoden die de betrouwbaarheid van het rekenmodel garanderen. Praktisch alle in Nederland beschikbare dynamische rekenmodellen zijn met genoemde testmethoden getest. Dit betekent niet dat er op grond van deze testmethoden specifieke eisen aan het rekenmodel worden gesteld, maar dat met de test eventuele fouten uit het rekenprogramma zijn gehaald.Over de uitgangspunten zoals opgenomen in bijlage VII wordt voorts nog het volgende opgemerkt:

Parameters PMV

De PMV is de index die de mate van thermisch comfort aangeeft. In de bijlage zijn de belangrijkste parameters opgenomen. De bij parameter 1 gehanteerde waarde komt overeen met licht huishoudelijk werk. De kledingweerstand van 0,5 clo bij parameter 2 is te vergelijken met lichte zomerkleding.

Weegfactor uren

Sommige (voornamelijk Nederlandse) dynamische rekenmodellen berekenen zelf de gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO), er zijn echter internationale programma’s op de markt die wél de PMV berekenen, maar niet de GTO-uren. In die gevallen moeten de uren met 0,5 ≤ PMV <2,5 worden gewogen volgens de formule: 0,47+0,22*PMV+1,3*PMV2+0,97*PMV3-0,39*PMV4. Uren met een PMV van 2,5 of hoger krijgen een factor van 10. Dit komt er op neer dat een uur met een PMV van 0,5 met een factor 1 wordt vermenigvuldigd en dus 1 GTO-uur betreft. Een uur met een PMV van 1 daarentegen krijgt een weegfactor van 2,5.

Zonering van de woning2

De zonering is gebaseerd op de indeling van de woning bij de vergunningaanvraag. Dit betekent ook dat voor alle zones waarin zich verblijfsruimten bevinden het gewogen aantal overschrijdingsuren (GTO) moet worden berekend. In de bijlage wordt gesproken van verblijfsruimten, dit betekent automatisch ook dat het gaat om zones met verblijfsgebieden. Zie voor een toelichting op de begrippen verblijfsruimten en verblijfsgebied, de artikelsgewijze toelichting op artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012.

Bouwkundige eigenschappen

Bij de berekening van de GTO worden lineaire en puntvormige thermische bruggen toebedeeld aan de uitwendige scheidingsconstructies waarvan zij deel uitmaken. Wanneer een thermische brug een combinatie van verschillende vloer-, gevel- of dakdelen betreft, moet de thermische brug evenredig aan die verschillende bouwdelen worden toebedeeld. Thermische bruggen van vloeren met funderingsaansluitingen zoals vloeren direct op de ondergrond of vloeren boven een kruipruimte of onverwarmde kelder worden niet aan andere uitwendige constructies toebedeeld.

Minimale temperatuur

Onder het kopje minimale temperatuur betekent het begrip operatieve temperatuur de temperatuur die de bewoner aanvoelt, en houdt rekening met de luchttemperatuur en de stralingseffecten. Bij de rekenmodellen wordt hiervoor het gemiddelde aangehouden van de luchttemperatuur van het vertrek en de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van de wanden, vloer en plafond van het vertrek.

1 GTO staat voor gewogen temperatuuroverschrijdingen. Wanneer de temperatuur boven een bepaalde comforttemperatuur komt, ervaart men dit als oncomfortabel (te warm). Hoe hoger de temperatuur wordt, hoe meer hinderlijk men het vindt. Daarom worden hogere temperaturen zwaarder gewogen bij het aantal GTO-uren.

Opmerking BRIS

2 Een niet bestaande term in het Bouwbesluit 2012; moet zijn woonfunctie

Artikel 3.11(Stcrt. 2020, 62676)

De geluidseisen in artikel 3.8, tweede lid, en artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 zijn alleen van toepassing op woningen. De eisen hebben betrekking op installaties die buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een woning zijn opgesteld. Zoals een warmtepomp die een tuin staat of een airco die aan een gevel hangt. De eisen hebben dus geen betrekking op installaties die in de woning staan of bijvoorbeeld in een bij de woning behorende schuur of garage. Een installatie die in de uitwendige scheidingsconstructie zit valt ook niet onder de eisen, net als toe- of afvoeropeningen. Een buiten opgestelde installatie kan zijn voorzien van een geluidwerend omkapping. Deze geluidwerende omkapping is geen uitwendige scheidingsconstructie zoals bedoeld in het Bouwbesluit 2012. De eis in het Bouwbesluit 2012 wordt gesteld aan iedere afzonderlijke installatie.

In dit artikel 3.11 van de Regeling Bouwbesluit 2012, in combinatie met de nieuwe bijlage VIII, is aangegeven waar moet worden gemeten en onder welke omstandigheden. Ook wordt aangegeven hoe de gemeten waarden moeten worden gecorrigeerd. De gecorrigeerde meetwaarden moeten voldoen aan de eis (40 dB) die is opgenomen in het Bouwbesluit 2012.

Het vaststellen van het geluidsniveau gebeurt aan de hand van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (hierna: HMRI). In bijlage VIII zijn de afwijkende of aanvullende bepalingsvoorschriften opgenomen. Het uitvoeren van een geluidsmeting volgens de HRMI vereist deskundigheid op het gebied van akoestiek. Bij de voorschriften in bijlage VIII is eveneens toepassing door een akoestisch deskundige veronderstelt.

Hoofdstuk 3aVerwarmingssystemen en airconditioningsystemen (Stcrt. 2020, 13004)

Na hoofdstuk 3 is bij Stcrt. 2020, 13004, een nieuw hoofdstuk tussengevoegd. Dit hoofdstuk 3a bevat de uitwerking van de eisen aan verwarmingssystemen en airconditioningsystemen, zoals deze met het besluit EPBD III in de nieuwe afdeling 6.15 van het Bouwbesluit 2012 bij Stb. 2020, 84 zijn opgenomen.

Artikel 3.a.1

Met het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) is de EPBD-keuring voor verwarmingssystemen van Activiteitenregeling milieubeheer, waarmee deze verplichting oorspronkelijk was geïmplementeerd, naar het Bouwbesluit 2012 verplaatst. Hiervoor is gekozen omdat de keuring als gevolg van de implementatie van EPBD III zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer in te passen valt in de bepalingen over de keuring van stookinstallaties in de Activiteitenregeling milieubeheer. Zo gaat bijvoorbeeld een andere grenswaarde gelden en heeft de keuring voortaan niet alleen betrekking op verwarmingssystemen met een stookinstallaties als opwekker. Zie hiervoor ook onderdeel 2 van het algemeen deel van de toelichting. De organisatie rond de EPBD-keuring voor verwarmingssystemen (en verwarmingssystemen gecombineerd met ventilatie) blijft echter wel dezelfde als eerder toen deze keuring van stookinstallaties nog onder de Activiteitenregeling milieubeheer viel. De bedoeling is ook dat in voorkomende gevallen beide keuringen tegelijk in één keuringsactiviteit kunnen worden uitgevoerd. Om die reden is keuringsfrequentie zoals deze voortaan is opgenomen in artikel 6.61, vierde lid, van het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) gelijk gehouden aan de frequentie in de Activiteitenregeling milieubeheer (eenmaal per vier jaar).De keuring voor verwarmingssystemen (en verwarmingssystemen in combinatie met ventilatie) wordt uitgevoerd door bedrijven die, evenals bij de keuring voor stookinstallaties, zijn gecertificeerd door een instantie die is geaccrediteerd om uitvoering te geven aan de Deelregeling voor stookinstallaties die onderdeel uitmaakt van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS.De bepaling van het nominaal vermogen moet uitgevoerd worden per installatie, bestaande uit een opwekker, en een distributie- en afgiftesysteem. Waar meerdere opwekkers verbonden zijn met hetzelfde systeem (bijvoorbeeld een warmtepomp met back-up verwarmingsketel in een systeem) moeten de vermogens opgeteld worden. Waar opwekkers functioneren in hun eigen systeem (bijvoorbeeld meerdere split-unit airconditioners in een gebouw, of meerdere close-in boilers in een gebouw) worden de vermogens niet opgeteld. Met het tweede lid is zeker gesteld dat het keuringsverslag tenminste zes jaar wordt bewaard.

Artikelen 3a.2 tot en met 3a.8

Met de artikelen 3a.2 tot en met 3a.8 zijn de artikelen 7a tot en met 7l (paragraaf 3) van de Regeling energieprestatie gebouwen omgezet naar de Regeling Bouwbesluit 2012. Omdat met het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) de eisen aan de keuring van airconditioningsystemen zijn overgeheveld van het Besluit energieprestatie gebouwen naar het Bouwbesluit 2012 zijn de eisen ter uitwerking van de keuringsverplichting met voorliggende wijzigingsregeling eveneens verplaatst. De hier genoemde artikelen 7a tot en met 7l waren per 1 december 2013 in de Regeling energieprestatie gebouwen opgenomen ter implementatie van de eerdere versie van de richtlijn energieprestatie gebouwen (richtlijn 2010/31/EU). Zie voor de oorspronkelijke tekst en toelichting van de genoemde artikelen van de Regeling energieprestatie gebouwen (hierna ook REG), Staatscourant 2013, 32499.De artikelen 3a.2 tot en met 3a.8 bevatten vergeleken met de artikelen 7a tot en met 7l nauwelijks inhoudelijke wijzigingen. Wel is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de artikelen redactioneel aan te passen en is met het oog op de toegankelijkheid ervoor gekozen de inhoud meer per onderwerp te groeperen. Als gevolg van het invoeren van een nieuwe grenswaarde is voortaan geen sprake meer van een indeling in klassen 1, 2 en 3 voor airconditioningsystemen. Ook moeten airconditioningsystemen voortaan na de keuring evenals dit voor stookinstallaties al eerder gold op grond van de Activiteitenregeling milieubeheer, worden afgemeld (artikel 3a.8). Bij de eerder in de Regeling energieprestatie gebouwen opgenomen artikelen over de eisen aan de keuring van airconditioningsystemen waren vijf bijlagen gevoegd, de bijlagen IV tot en met VIII. Om de toegankelijkheid van deze bijlagen te vergroten zijn deze bijlagen redactioneel aangepast. Ook zijn om die reden enkele bijlagen samengevoegd. Bij de wijziging via Stcrt. 2020, 13004 zijn nu drie bijlagen toegevoegd aan onderhavige regeling, te weten de bijlagen IV tot en met VI. Bijlage IV is samengesteld uit de bijlagen IV en V bij de REG. Deze bijlage bevat de eisen waaraan de inspectie moet voldoen en geven aan welke bevoegdheid (deskundige EPBD-A of deskundige EPBD-B) nodig is voor welke onderdelen van de inspectie. Daarbij zijn de eisen voor inspectie en beoordeling samengevoegd, omdat deze grote overlap vertoonden. Bijlage V bevat het format van het keuringsverslag en de lijst met adviezen. De inhoud van deze bijlage is afkomstig uit VI bij de REG. Bijlage VI is samengesteld uit de bijlagen VII en VIII bij de REG. In deze bijlage VI zijn de exameneisen voor de diploma’s EPBD-A en EPBD-B, die eerder in twee verschillende bijlagen waren opgenomen naast elkaar geplaatst. Op die manier is per exameneis direct te zien of het onderwerp onderdeel uitmaakt van de eisen voor diploma EPBD-A of voor diploma EPBD-B.

Artikel 3a.2keuring airconditioningsysteem

In artikel 3a.2 is de inhoud van de artikelen 7a tot en met 7c opgenomen. In dit artikel is naar de bijlagen IV en V verwezen (zie onderdeel G).

Artikel 3a.3exameninstellingen

Artikel 3a.3 bevat de inhoud van de artikelen 7d en 7e.

Artikel 3a.4examens

Artikel 3a.4 bevat de inhoud van de artikelen 7f en7g. In dit artikel is verwezen naar bijlage VI (zie onderdeel G).

Artikel 3a.5diploma’s

Artikel 3a.5 bevat de inhoud van de artikelen 7h tot en met 7j.

Artikel 3a.6registratie diploma’s

Artikel 3a.6 bevat de inhoud van artikel 7k.

Artikel 3a.7bijscholing deskundigen

Artikel 3a.7 bevat de inhoud van artikel 7k. Artikel 3a.7, bijscholing deskundigen, bevat de inhoud van artikel 7l. Er wordt op gewezen dat een bijscholingsexamen alleen kan worden afgelegd zolang het diploma nog niet verlopen is. Artikel 3a.8, afmelding verwarmingssystemen en airconditioningsystemen, bevat de verplichting

Artikel 3a.8afmelding verwarmingssystemen en airconditioningsystemen

Artikel 3a.8 bevat de verplichting om binnen vier weken nadat een keuring is verricht deze keuring af te melden bij een door de minister aangewezen instantie. Deze afmelding is voor wat betreft de airconditioningsystemen nieuw.

Hoofdstuk 4Scheiden bouw- en sloopafval

Artikel 4.1

De voorschriften van dit artikel zijn gericht op een optimaal hergebruik van materialen uit bouw- en sloopafval. Het eerste lid bepaalt in welke fracties bouw- en sloopafval moet worden gescheiden.Het tweede lid stelt een verbod op het scheiden of mengen van de in het eerste lid, onder a, genoemde gevaarlijke stoffen. Zie daartoe ook de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat een gemeente hiervoor ook geen ontheffing mag verlenen.Het derde lid bepaalt dat de in het eerste lid genoemde fracties op het bouw- of sloopterrein zelf gescheiden moeten worden en daarna gescheiden van elkaar moeten worden afgevoerd.Het vierde lid bepaalt ten slotte dat scheiden in een fractie niet nodig is indien de hoeveelheid afval van zo’n fractie minder is dan 1 m3. Dit geldt niet voor de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid onder a. Dergelijke afvalstoffen dienen altijd gescheiden te worden van het andere afval.Het vijfde lid betreft een uitzondering op de derde lid. Als het redelijkerwijs niet mogelijk is het afval op het bouw- of sloopterrein te scheiden, dan kan dit met goedkeuring van het bevoegd gezag op een andere locatie plaatsvinden. Op die andere locatie moet dan ook aan de scheiding in dezelfde fracties als bedoeld in het eerste lid worden voldaan.

[Stcrt. 2014, 4057] In de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) is een afvalhiërarchie opgenomen die lidstaten bij het opstellen van wetgeving en beleidsinitiatieven voor de preventie en het beheer van afvalstoffen als prioriteitsvolgorde moeten hanteren. Volgens deze hiërarchie moeten afvalstoffen zoveel mogelijk worden gerecycled. In het Regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ van 29 oktober 2012 is daarover onder meer opgenomen: ‘Het kabinet streeft naar een circulaire economie en wil de (Europese) markt voor duurzame grondstoffen en hergebruik van schaarse materialen stimuleren.’

Aan het eerste lid van artikel 4.1 zijn derhalve de categorieën te scheiden bouw- en sloopafval ‘vlakglas’, ‘armaturen’ en ‘gasontladingslampen’ toegevoegd en is de categorie ‘steenachtig sloopafval’ komen te vervallen. Met deze aanpassing is aangesloten bij het principe dat categorieën bouw- en sloopafval bij de bron moeten worden gescheiden op basis van de volgende uitgangspunten:

  • gevaarlijke afvalstoffen;
  • categorieën bouw- en sloopafval die als zij niet gescheiden blijven een negatief (vervuilend) effect hebben op het recyclingproces van het bouw- en sloopafval waarin het terechtkomt. Een voorbeeld daarvan is gips, dat is naderhand niet meer van het overige steenachtig afval te scheiden en heeft daarom een negatief effect op de herbruikbaarheid van steenachtige materiaal;
  • categorieën bouw- en sloopafval die alleen voor recycling in aanmerking komen als er bronscheiding wordt toegepast omdat nascheiding technisch en/of economisch redelijkerwijs niet haalbaar is.

Alle overige afvalstromen die vrijkomen, zoals steenachtig materiaal, metaal, hout en kunststoffen, moeten ook optimaal kunnen worden hergebruikt. Dergelijke stoffen behoeven, in tegenstelling tot de in artikel 4.1, eerste lid, genoemde stoffen, niet aan de bron te worden gescheiden, zij mogen ook op een andere plaats dan op de bouw- of sloopplaats gescheiden worden. Voor de afvalstromen vlakglas en dakbedekking in lid 1 is aangegeven dat deze materialen al dan niet nog in de kozijnen respectievelijk aan het dakbeschot vast gescheiden mogen worden van andere materialen. In sommige gevallen is op die manier het scheiden van die afvalstoffen uiteindelijk beter mogelijk. Om die reden wordt in de opsomming gesproken van dakbedekking ‘al dan niet met dakbeschot’ en van vlakglas ‘al dan niet met kozijn’. Dit betekent dat wanneer de dakbedekking op de bouwplaats zo gescheiden is dat dakbedekking en dakbeschot nog aan elkaar vastzitten, of wanneer het vlakglas samen met het kozijn waar dat glas inzit gescheiden wordt er aan de verplichting van het eerste lid is voldaan.

Het vierde lid is evenals het eerste lid aangepast. Als de hoeveelheid van de desbetreffende fractie minder dan 1 m³ bedraagt hoeft het afval niet te worden gescheiden. Deze uitzondering geldt alleen voor de fracties die zijn genoemd in de onderdelen d tot en met j van het eerste lid. Dit betekent dat teerhoudende dakbedekking (al dan niet met dakbeschot) en teerhoudend asfalt ook bij een hoeveelheid van minder dan 1 m³ moeten worden gescheiden. Dergelijke materialen kunnen dermate schadelijk of moeilijk te scheiden zijn, dat het mengen van deze categorieën vanuit milieuoogpunt onwenselijk is.

Hoofdstuk 5Nadere voorschriften omtrent de toepassing van normen

Nieuwbouw

Artikel 5.1NEN 1006

Met dit onderdeel is bij Stcrt. 2016, 71548 een nieuw artikel 5.1 over NEN 1006 tussengevoegd. Het oude artikel 5.1, dat gewijzigd is met onderdeel B, is daarbij vernummerd tot artikel 5.1a. NEN 1006 regelt meer dan noodzakelijk is voor een adequate toepassing van de artikelen 6.12 en 6.13 van het Bouwbesluit 2012. In dit nieuwe artikel is daarom bepaald dat NEN 1006 alleen van toepassing is voor zover het gaat om technische voorschriften die aan een voorziening voor drinkwater of warmwater van een bouwwerk zijn gesteld uit oogpunt van gezondheid. Dit betekent dat de onderdelen van NEN 1006 die betrekking hebben op administratieve en procedurele bepalingen niet van toepassing zijn. Hetzelfde geldt voor voorschriften voor installaties buiten bouwwerken en voor voorschriften die geen betrekking hebben op gezondheid maar bijvoorbeeld op bruikbaarheid.

Artikel 5.1aNEN 1010

De NEN 1010 regelt meer dan nodig is voor de bouwregelgeving. NEN 1010 valt buiten de zoge-noemde reeks bouwnormen en is daarom niet aangepast aan de publiekrechtelijke verwijzing daarnaar vanuit het besluit. In de bouwnormen worden de bouwtechnische onderdelen namelijk onderscheiden van de administratieve, procedurele en informatieve onderdelen. Met de voorschriften in dit artikel is deze systematiek alsnog voor NEN 1010 doorgevoerd.In onderdeel a zijn de onderdelen van NEN 1010 opgesomd die voor de publiekrechtelijke aanwijzing voor de bouwregelgeving buiten toepassing behoren te blijven. Het gaat om de in NEN 1010 opgenomen administratieve, procedurele en informatieve bepalingen, eisen aan voedingsbronnen, eisen aan verbruikstoestellen (toestellen, apparaten en machines), eisen aan elektrisch gevoede installaties (alarminstallatie, geluidinstallatie, etc.), andere gebruiksbepalingen, eisen aan installaties buiten bouwwerken of mobiele installaties, eisen ten aanzien van de netwerkbeheerder, vakmanschap en inspectie.Het voorschrift onder b houdt verband met gewijzigde inzichten omtrent openbare verlichting. Het plaatsen van een lantaarnpaal is bouwen in de zin van de Woningwet, waarvoor eenzelfde niveau van veiligheidsvoorschriften behoort te gelden als voor een ander bouwwerk. Hierbij is het niet relevant of de lantaarnpaal direct of indirect op het netwerk van de netbeheerder is aangesloten.

Bij Strcr. 2016, 71548 is een gewijzigde versie van NEN 1010 aangestuurd. In NEN 1010 is meer opgenomen dan nodig is voor de toepassing van artikel 6.8 van het Bouwbesluit 2012. Eerder bevatte artikel 5.1 een uitgebreide opsomming waarin was aangegeven welke onderdelen bij toepassing van NEN 1010 buiten beschouwing moesten blijven. Met deze wijziging van de opzet van artikel 5.1 (voortaan artikel 5.1a) is bepaald dat NEN 1010 alleen van toepassing is voor zover het gaat om technische voorschriften voor een voorziening voor elektriciteit van een bouwwerk die zijn gesteld uit oogpunt van veiligheid. Dit betekent dat onderdelen van NEN 1010 die bijvoorbeeld betrekking hebben op administratieve en procedurele bepalingen niet van toepassing zijn. Hetzelfde geldt voor voorschriften voor installaties buiten bouwwerken en voor voorschriften die geen betrekking hebben op veiligheid maar bijvoorbeeld bruikbaarheid. De voorliggende wijziging heeft op zich geen inhoudelijk effect, maar heeft als voordeel dat nu de norm is gewijzigd (zie onderdeel D van de wijziging in Stcrt. 2016, 71548 ) het niet nodig is de opsomming van de onderdelen die buiten beschouwing mogen blijven op die wijziging aan te passen.

Artikel 5.2NEN 1087

(Stcrt. 2015, 17338) Artikel 5.2 bevat nadere voorschriften omtrent de toepassing van NEN 1087. Aan dit artikel is een nieuw lid toegevoegd. De oorspronkelijke tekst is nu tweede lid geworden. Met het nieuwe eerste lid is duidelijk gemaakt dat bij de vaststelling van de capaciteit van een voorziening voor luchtverversing overeenkomstig artikel 3.29 van het besluit op grond van de hoofdstukken 5 en 8 van de norm ook de stromingsrichting moet worden bepaald. Dit betekent dat de berekende capaciteit in de praktijk ook daadwerkelijk mogelijk is en niet wordt belemmerd door een onjuiste stromingsrichting. Met deze aanvulling van artikel 5.2 is het voorschrift van artikel 3.29 weer in overeenstemming gebracht met het vergelijkbare voorschrift uit het Bouwbesluit 2003.

Artikel 5.3NEN 2057

Het nadere voorschrift op NEN 2057 is een gevolg van het feit dat het Bouwbesluit 2003 geen eis stelt aan de lichtdoorlatendheid van glas. Nu het normblad dat wel doet, is integrale aanwijzing van het normblad niet mogelijk.

Artikel 5.3aNEN 2535 en NEN 2575

Aangegeven is hoe bij toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 moet worden omgegaan met de in die normen genoemde toestemming van de bevoegde autoriteit. Dit hoeft niet te leiden tot het separaat goedkeuren van het Programma van Eisen (PvE) naast het verlenen van een vergunning voor het bouwen. Uit het voorschrift blijkt dat het voldoende is wanneer er een vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 aanwezig is.

Artikel 5.4NEN 2654-1

Met de wijziging van artikel 5.4 6 bij Stcrt. 2016, 33491 is een onjuistheid in de aansturing van de van toepassing zijnde onderdelen van NEN 2654-1 gecorrigeerd.

Artikel 5.5NEN 2654-2

Artikel 5.5 is bij Stcrt. 2019, 36206 aangepast in verband met de aansturing van een nieuwe versie van NEN 2654-2 met ingang van 1 januari 2019. In deze nieuwe versie van de norm is sprake van een andere indeling van de onderwerpen dan in de daaraan voorafgaande versie van NEN 2654-2. Dit maakt het nodig dat artikel 5.5 daarop wordt aangepast. Deze redactionele correctie was abusievelijk niet meegenomen in de wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2019.

Artikel 5.7NEN 5077

Doordat bij de wijziging vervat in Stcrt. 2013, 5457 de verwijzing naar NEN 5077:2006 is vervallen en in de plaats daarvan de nieuwe versie NEN 5077:2012 is aangestuurd zijn de nadere voorschriften zoals die in artikel 5.7 waren opgenomen overbodig geworden. Artikel 5.7 is daarom vervallen.

Met het nieuwe artikel 5.7 is bij Stcrt. 2014, 4057 zeker gesteld dat bij de bepaling van het toegestane karakteristieke luchtgeluidniveauverschil wordt uitgegaan van een werkende ventilatie.

Artikel 5.8NEN 7120

NEN 7120 bepaalt zowel de energieprestatie van utiliteitsbouw als van woningen. Met NEN 7120 is tevens de mogelijkheid geïntroduceerd waarmee energiemaatregelen op gebiedsniveau kunnen worden gewaardeerd met de NVN 7125. De C epc-waarden zijn ontleend aan het DGMR rapport E.2009.1646.06.R001 van 26 januari 2012.

Bij Stcrt. 2013, 5457 is in artikel 5.8 de tabel met de correctiefactoren gewijzigd. Deze wijziging heeft uitsluitend betrekking op de indeling van de gebruiksfuncties. Deze indeling is nu in overeenstemming met de in het Bouwbesluit 2012 gebruikte terminologie. Er is geen sprake geweest van een wijziging van de correctiefactoren.

De eerdere correctiefactoren zijn bij Stcrt. 2014, 34076 vervangen door nieuwe correctiefactoren waarin rekening is gehouden met de laatste aanpassingen in NEN 7120. Met deze nieuwe correctiefactoren is zeker gesteld dat een energieprestatieberekening op basis van de aangepaste NEN 7120 gemiddeld genomen tot dezelfde resultaten leidt als de vergelijkbare berekening op basis van de oude NEN 7120 voor de invoering van deze wijzigingsregeling.

Er wordt op gewezen dat met de wijziging inzake NEN 7120 wijzigingsblad A1:2017 en correctieblad A1:2017/C1:2017 alleen een deel van bijlage E van NEN 7120 is aangewezen. Dit onderdeel E heeft betrekking op de correcte waardering van de lucht-waterwarmtepompen voor het maken van een EPC-berekening. Echter bij de toepassing van artikel 3.6 inzake bijna energieneutrale overheidsgebouwen zoals dat artikel met ingang van 1 januari 2019 in werking is getreden (Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen (Stcrt. 2017, 73470)) geldt het volledige wijzigingsblad A1:2017 en het correctieblad A1:2017/C1:2017.

Artikel 5.8aNEN-EN 1838

Met het nieuwe artikel 5.8a, ingevoegd bij Stcrt. 2015, 17338, is duidelijk gemaakt dat het bij de verwijzing in artikel 6.24, eerste en vierde lid, het alleen gaat om de artikelen 5.4.5 en 5.4.6 van NEN-EN 1838.

Artikel 5.8a is bij Stcrt. 2016, 71548 zodanig aangepast dat artikel 5.4.6 van NEN-EN 1838 niet meer van toepassing is. Het voorschrift van artikel 5.4.6 uit deze norm is namelijk niet in overeenstemming met de uitgangspunten van artikel 6.24, vierde lid, en artikel 6.3, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2012. Uit deze leden volgt dat bij het uitvallen van de voorziening van elektriciteit de noodvoorziening binnen 15 seconden volledig moet werken. Uit artikel 5.4.6 van NEN-EN 1838 volgt echter dat al na 5 seconden 50% moet worden overgenomen door de noodvoorziening en 100% na 60 seconden. Met de voorliggende aanpassing van artikel 5.8a, waarmee bij artikel 6.24, eerste en vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 alleen nog maar rekening hoeft te worden gehouden met de zichtbaarheidseisen van artikel 5.4.5 van NEN EN 1838 is de eerdere discrepantie tussen het Bouwbesluit 2012 en de aangestuurde normartikelen verholpen.

Artikel 5.8bNEN-EN 1990

Met het nieuwe artikel 5.8b, ingevoegd bij Stcrt. 2015, 17338, is een invulling gegeven aan het nieuwe voorschrift van artikel 2.5a van het Bouwbesluit 2012, waarin voor tijdelijke bouw niet alleen van een ontwerplevensduur van 5 jaar maar desgewenst ook van een ontwerplevensduur van 15 jaar kan worden uitgegaan. Ten behoeve van de in genoemd artikel bedoelde toepassing van NEN-EN 1990 is onder artikel 5.8b een aangepaste tabel NB1 – 2.1 opgenomen waarin zowel van een ontwerplevensduur van vijf jaar als van een ontwerplevensduur van 15 jaar is uitgegaan..

Artikel 5.8c (vervallen per 01.01.2021)

Met dit nieuwe voorschrift, vastgelegd in Srtc. 2015, 45221, is vastgelegd dat bij toepassing van NEN EN 1997, voetnoot a bij tabel 7c buiten beschouwing mag worden gelaten. Genoemde voetnoot bepaalt dat er met ingang van 1 januari 2016 moet worden gerekend met reductie van 33% van de draagkracht. Op dit moment is NEN nog bezig met nader onderzoek van de consequenties van genoemde voetnoot. Afhankelijk van de bevindingen zal genoemde voetnoot, althans de inhoud ervan, in de toekomst van toepassing kunnen worden verklaard.

Met ingang van 1 januari 2017 (Stcrt. 2016, 71548) is de constructienorm voor funderingen (NEN-EN 1997-1) aangescherpt voor nieuwbouw. Voor bestaande bouw en verbouw is daarbij de eerder aangestuurde versie van de NEN-EN 1997-1, een tweedelijns norm die volgt uit de NEN 8700, van toepassing gebleven. Eerder is verzuimd deze wijziging ook te verwerken in artikel 5.8c. Met Stcrt. 2017, 73470 is dit gecorrigeerd, zodat deze nieuwe versie van de norm voortaan alleen nog geldt voor verbouw1. Met het nieuwe artikel 5.10a is de aansturing voor NEN-EN 1997-1 voor bestaande bouw geregeld.

Opmerking BRIS

1 Bedoeld is nieuwbouw.

Artikel 5.8c van de Regeling Bouwbesluit 2012 is bij Stcrt.202066974 vervallen. Dit artikel regelde voor verbouw een uitzonderring op de toepassing van NEN-EN 1997-1. Voor verbouw komt de toepassing van NEN-EN 1997-1 te vervallen en hiervoor in de plaats gaat NEN 8707 gelden.

Bestaande bouw

Artikel 5.9NEN 2057

Het nadere voorschrift op NEN 2057 is een gevolg van het feit dat het Bouwbesluit 2003 geen eis stelt aan de lichtdoorlatendheid van glas. Nu het normblad dat wel doet, is integrale aanwijzing van het normblad niet mogelijk.

Artikel 5.9aNEN 2535

Aangegeven is hoe bij toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 moet worden omgegaan met de in die normen genoemde toestemming van de bevoegde autoriteit. Dit hoeft niet te leiden tot het separaat goedkeuren van het Programma van Eisen (PvE) naast het verlenen van een vergunning voor het bouwen. Uit het voorschrift blijkt dat het voldoende is wanneer er een vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 aanwezig is.

Artikel 5.9a dat eerder betrekking had op NEN 2535 en NEN 2575 is nu bij Stcrt. 2015, 17338, gesplitst in een artikel 5.9a over NEN 2535 en een artikel 5.9b over NEN 2575. Het voorschrift over NEN 2535 dat nog steeds in artikel 5.9a is opgenomen, is ongewijzigd.

Artikel 5.9bNEN 2575

(Stcrt. 2015, 17338) Het voorschrift over NEN 2575 bevat een aantal nieuwe onderdelen. Het eerste lid bevat de tekst zoals deze eerder voor NEN 2575 in het oude artikel 5.9a was opgenomen. In het tweede lid is een aantal nadere voorschriften opgenomen die gelden bij de toepassing van artikel 6.23 van het Bouwbesluit. Deze nadere voorschriften hebben betrekking op het geluidniveau van de ontruimingsalarminstallatie en op een aantal onderdelen van de norm die bij toepassing van artikel 6.23 van het Bouwbesluit buiten beschouwing moeten worden gelaten. In het derde lid is aangegeven dat het tweede lid niet van toepassing is op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie met doormelding als bedoeld in artikel 6.20 van het Bouwbesluit en op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie zonder doormelding die na 1 november 2008 zijn opgeleverd of gewijzigd. Dit betekent dat het tweede lid alleen van toepassing is op ontruimingsalarminstallaties die zijn opgeleverd voor 1 november 2008 en die daarna niet zijn gewijzigd. Er wordt op gewezen dat het voor de beoordeling of het tweede en derde lid van toepassing zijn het nodig is om bijlage I bij het Bouwbesluit 2012 te raadplegen.

Artikel 5.10NEN 8062

Dit artikel bevat voorschriften voor de toepassing van de betreffende norm voor de bestaande bouw. Zo kan in plaats van de Nederlandse brandklasse (onbrandbaar) ook de Europese brandklasse A1 worden toegepast.

Artikel 5.10aNEN-EN 1997-1 (Stcrt. 2017, 73470)(vervallen per 01.01.2021)

Met ingang van 1 januari 2017 (Stcrt. 2016, 71548) is de constructienorm voor funderingen (NEN-EN 1997-1) aangescherpt voor nieuwbouw (aanscherping paalpuntfactoren). Voor bestaande bouw en verbouw is daarbij de eerder aangestuurde versie van de NEN-EN 1997-1, een tweedelijns norm die volgt uit de NEN 8700, van toepassing gebleven. Eerder is verzuimd deze wijziging ook te verwerken de voor bestaande bouw is geregeld. Met dit nieuwe artikel is dit geregeld, zodat daarvoor de oude paalpuntfactoren blijven gelden.

Artikel 5.10a van de Regeling Bouwbesluit 2012 is bij Stcrt. 2020, 66974 vervallen. Dit artikel regelde voor bestaande bouw een uitzondering op de toepassing van NEN-EN 1997. Voor verbouw komt de toepassing van NEN-EN 1997-1 te vervallen en hiervoor in de plaats gaat NEN 8707 gelden.

Hoofdstuk 5aOnderzoeksverplichting zorgplicht

Artikel 5.11Galerijflats

Ingevoegd met Stcrt. 2015, 45221

Sedert 1 januari 2015 kent de Woningwet in artikel 1a, derde lid, de mogelijkheid om bij ministeriële regeling categorieën bouwwerken aan te wijzen waarvan vast is komen te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eigenaar of degene die uit andere hoofde bevoegd is voorzieningen te treffen, moet in een dergelijk geval onderzoek (laten) uitvoeren naar de staat van dat bouwwerk. De VNG heeft verzocht om het derde lid van artikel 1a van de Woningwet in te zetten voor een onderzoeksplicht naar de constructieve veiligheid van galerijvloeren en balkons van oude galerijflats. Nadat in 2011 een galerijvloer is bezweken in Leeuwarden, zijn gebouweigenaren opgeroepen onderzoek te doen bij soortgelijke galerijen en balkons en is gemeenten verzocht hierop toe te zien. Dit is gebeurd aan de hand van het Infoblad Onderzoek galerijvloeren bij flatgebouwen1. Hoewel sedert dien al bij veel galerijflats onderzoek naar de constructieve veiligheid uitgevoerd is, is het toch zinvol gebleken om een onderzoekverplichting in het leven te roepen teneinde op korte termijn in alle gevallen te komen tot een veilige situatie bij galerijflats. Deze onderzoeksverplichting is opgenomen in het nieuwe hoofdstuk 5a, onderzoeksverplichting zorgplicht (artikel 5.11). Het eerste lid bepaalt voor welke categorie bouwwerk de onderzoeksverplichting geldt. Het gaat om galerijflats met uitkragende betonnen galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de betonnen verdiepingsvloeren of gevelbalken. Het tweede lid bepaalt dat het onderzoek moet worden uitgevoerd volgens de SBRpublicatie 248 ‘Constructieve veiligheid van uitkragende galerijplaten – Tweede, herziene uitgave’2 . Het beschreven onderzoek in de SBR-publicatie heeft ook betrekking op balkonvloeren. Uit de SBR-publicatie volgt verder dat de bedoelde galerijflats met name zijn gebouwd in de periode 1950-1970. Het tweede lid bepaalt verder dat de uitkomsten van dit onderzoek voor 1 juli 2017 in een rapport moeten worden vastgelegd. Op grond van het derde lid is geen onderzoek nodig wanneer er voor 1 januari 2016 al een vergelijkbaar onderzoeksrapport door de desbetreffende gemeente is geaccepteerd. Afhankelijk van de conclusies uit het onderzoek zal de eigenaar zo nodig maatregelen moeten nemen om te voldoen aan de constructieve veiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2012.

Er wordt op gewezen dat het achterwege laten van het bedoelde onderzoek of het vervolgens treffen van de benodigde maatregelen een overtreding van het zorgplichtartikel is, waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden door het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Op grond van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een toezichthouder op ieder moment bevoegd het onderzoeksrapport op te vragen en geldt een medewerkingsplicht om aan deze vraag gehoor te geven.

In artikel 5.11 over de onderzoeksverplichting is bij Stcrt. 2016, 33491 een ondergeschikte redactionele wijziging aangebracht om dat artikel tekstueel meer in overeenstemming te brengen met artikel 5.12 (onderdeel B van de wijziging die in voornoemde Staatscourant is doorgevoerd).

1 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2012/10/26/infoblad-onderzoek-galerijvloeren-bij-flatgebouwen-bouwbesluit-2012.html 2 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/richtlijnen/2013/02/06/protocol-onderzoek-naar-en-beoordeling-van-de-constructieve-veiligheid-van-uitkragende-betonnen-vloeren-van-galerijflats.html

Artikel 5.12Zwembaden

Sedert 1 januari 2015 kent de Woningwet in artikel 1a, derde lid, de mogelijkheid om bij ministeriële regeling categorieën bouwwerken aan te wijzen waarvan vast is komen te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eigenaar of degene die uit andere hoofde bevoegd is voorzieningen te treffen, moet in een dergelijk geval onderzoek (laten) uitvoeren naar de staat van dat bouwwerk.

Het eerste lid bepaalt voor welke categorie bouwwerk de onderzoeksverplichting geldt. Het gaat om gebouwen met daarin een zwembad dat ook een badinrichting is zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz). Het kan daarbij gaan om afzonderlijke zwembaden maar ook om zwembaden die onderdeel zijn van hotels, vakantieparken, zorginstellingen, et cetera. Zwembaden voor privé gebruik vallen niet onder de Whvbz en daarmee ook niet onder de onderzoeksplicht.

Het tweede lid geeft een uitzondering voor gebouwen die geheel nieuw worden gebouwd en waarvoor de omgevingsvergunning voor het bouwen na 1 juli 2016 is ingediend. De gedachte hierbij is dat een gemeente bij de beoordeling van de vergunningaanvraag informatie kan opvragen over de toegepaste materialen en daarmee de geschiktheid van die materialen kan beoordelen.

Het derde lid beschrijft het onderzoek. Uit onderdeel a volgt dat de dragende metalen delen die zijn toegepast in het zwembad moeten worden geïnventariseerd. De term dragende metalen delen is breder bedoeld dan het begrip bouwconstructies in het Bouwbesluit 2012. Onder dragende metalen delen vallen alle delen die een belasting dragen ook als deze geen bouwconstructie zijn volgens het Bouwbesluit 2012. Inrichtingselementen, zoals geluidsboxen die in een zwembad zijn opgehangen met RVS verbindingen, worden in principe niet gezien als bouwconstructie in de zin van het Bouwbesluit 2012, maar de veiligheid van dergelijke elementen valt wel onder de werkingsfeer van het zorgplichtartikel 1a van de Woningwet. Het zorgplichtartikel is namelijk ook bedoeld als vangnetartikel voor die veiligheidsaspecten die niet zijn geregeld in het Bouwbesluit 2012. Naast de bouwconstructies van het gebouw zelf (o.a. dak, gevels, trappen, vloerafscheidingen) is het derde lid daarom ook van toepassing op ophangconstructies voor plafonds, lampen, geluidsinstallaties, luchtverversingskanalen en dergelijke en bevestigingsmiddelen van zwembadvoorzieningen zoals bijvoorbeeld bassintrappen en duik- en startblokken.

De dragende delen behoeven alleen te worden geïnventariseerd in de ruimten waar de typisch zwembadatmosfeer (chloorlucht) heerst. Deze ruimten zijn benoemd in onderdeel b.

Deze ruimten moeten worden uitgesplitst in een gebied A en een gebied B. Gebied A betreft het zwembad-bassin en het gebied hieromheen dat begrenst wordt door de zogenaamde spatwaterzone. Gebied B is het overige gebied. Een onderscheid tussen de gebieden A en B is nodig, omdat binnen de spatwaterzone (gebied A) de risico’s op gevaarlijke corrosie kleiner zijn dan in gebied B. Ernstige ongevallen die zich in Nederland hebben voorgedaan, waren vooral het gevolg van het bezwijken van dragende delen in gebied B.

In de onderdelen c tot en met e is het begrip constatering gebruikt. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat wanneer niet kan worden geconstateerd dat aan de in deze onderdelen genoemde eisen is voldaan er geen sprake is van een voldoende veiligheidsniveau. Met onderdeel c is geregeld dat bij het onderzoek moet worden onderzocht dat er in gebied A geen dragende delen van niet-resistent RVS worden toegepast waarvan het bezwijken kan leiden tot persoonlijk letsel. Van de resterende niet-resistente RVS delen in gebied A moet op grond van onderdeel d worden nagegaan of deze direct visueel inspecteerbaar zijn of zijn voorzien van een coating. Deze laatste beoordeling is nodig omdat deze metalen delen zo nodig eenvoudig periodiek moeten kunnen worden gecontroleerd op de aanwezigheid van corrosie. Met direct visueel inspecteerbaar wordt bedoeld dat het deel zichtbaar en aanraakbaar is voor een persoon zonder dat eerst andere delen weg moeten worden gehaald of gebruik moet worden gemaakt van hulpmiddelen zoals een trap. Met onderdeel d is zeker gesteld dat de beoordeling van corrosievorming van niet-resistente RVS, anders dan bedoeld onder onderdeel c, onderdeel is van het onderzoek. De periodieke beoordeling van dit RVS na het eenmalige onderzoek van dit artikel, wordt met deze onderzoeksplicht niet nader ingevuld. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht van de Woningwet waaraan de eigenaar zelf zo nodig met een periodieke beoordeling invulling kan geven.

Met onderdeel e is geregeld dat bij het onderzoek moet worden geconstateerd dat er geen dragende delen van niet-resistent RVS worden toegepast in gebied B.

In het vierde lid is aangegeven wat wordt verstaan onder niet-resistent RVS. De beoordeling of sprake is van resistent RVS is alleen mogelijk met specialistische analyseapparatuur ter plaatse of in een laboratorium. Bij recent aangebracht RVS kan uit de specificaties van de leverancier blijken dat sprake is van resistent RVS. Zonder aanvullende informatie moet men er van uit gaan dat sprake is van niet-resistent RVS.

Het vijfde lid bepaalt dat het onderzoek moet worden uitgevoerd door een ter zake kundig persoon. Uitgaande van het beschreven onderzoek zal deze persoon vooral deskundig moeten zijn op het terrein van metaalkennis, en het beoordelen van de constructieve veiligheid.

Het zesde lid bepaalt dat de uitkomsten van het onderzoek voor 1 januari 2017 in een rapport moeten worden vastgelegd. Uit dit onderzoeksrapport moet in overeenstemming met het derde lid in ieder geval blijken dat er geen niet-resistent RVS aanwezig is in de deelgebieden A en B. Hiermee is beoogd dat voor 1 januari 2017 alle overdekte zwembaden in deelgebied B volledig zijn ontdaan van dragende delen van niet-resistent RVS en in deelgebied A alleen voor zover het gaat om dragende delen van niet-resistent RVS die bij bezwijken kunnen leiden tot persoonlijk letsel. Van deze eisen kan alleen worden afgeweken als het bevoegd gezag akkoord gaat met een gelijkwaardige oplossing.

Het niet hebben van het in het zesde lid bedoelde rapport, of het hebben van een rapport waaruit niet blijkt dat volledig aan de in het derde lid, onderdelen c tot en met e, bedoelde eisen is voldaan betekent dat niet aan het op grond van het Bouwbesluit 2012 geldende veiligheidsniveau wordt voldaan of dat er sprake is van een overtreding van het zorgplichtartikel. Het bevoegd gezag (de gemeente) kan in dergelijke gevallen handhavend optreden door het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Er is dus altijd sprake van een overtreding als uit het rapport blijkt dat er nog niet-resistent RVS aanwezig is.

Op grond van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een toezichthouder op ieder moment bevoegd het onderzoeksrapport op te vragen en geldt een medewerkingsplicht om aan deze vraag gehoor te geven. De gemeente heeft overigens wel de mogelijkheid akkoord te gaan met een eventuele gelijkwaardige oplossing indien toch niet-resistent RVS aanwezig is. Van een gelijkwaardige oplossing zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn wanneer een tweede draagweg wordt aangebracht zodat het bezwijken van metalen dragende delen van niet-resistent roestvaststaal niet kan leiden tot vallende objecten, metalen onderdelen of constructies op plaatsen waar zich personen kunnen bevinden.

Het zevende lid bepaalt dat er geen onderzoek nodig is wanneer er voor 1 juli 2016 al een onderzoeksrapport door het bevoegd gezag is goedgekeurd waaruit blijkt dat in de gebieden A en B geen dragende delen van niet-resistent roestvaststaal aanwezig zijn. In het verleden is er bij veel zwembaden namelijk al onderzoek uitgevoerd naar niet-resistent RVS. In dergelijke gevallen behoeft niet opnieuw onderzoek te worden gedaan. Het is van belang om hierover tijdig met de betreffende gemeente te overleggen.

Bij het uitvoeren van het hierboven beschreven onderzoek kan zo nodig als hulpmiddel gebruik worden gemaakt van het in bijlage A van NPR 9200:2015 “Metalen ophangconstructies en bevestigingsmiddelen in zwembaden” opgenomen inspectieprotocol. Voor zover het gestelde in dat inspectieprotocol afwijkt van het in het derde lid beschreven onderzoek geldt dit derde lid en de toelichting daarop.

Artikel 5.13(Stcrt. 2020, 21238)

Met artikel 5.13 van de wijzigingsregeling gepubliceerd in Stcrt. 2020, 21238, is in hoofdstuk 5a, Onderzoeksverplichting zorgplicht, een nieuw artikel 5.13, Breedplaatvloeren, opgenomen. Het eerste lid bepaalt voor welke categorieën bouwwerken met breedplaatvloeren de onderzoeksplicht geldt. De onderzoeksplicht richt zich niet tot gebouweigenaren van gebouwen zonder breedplaatvloeren. Wel zullen deze gebouweigenaren moeten nagaan of er geen breedplaatvloeren zijn toegepast in hun gebouw om daarmee voor zichzelf vast te kunnen stellen dat de onderzoeksplicht niet van toepassing is. Of er in een gebouw sprake is van breedplaatvloeren is in veel gevallen eenvoudig visueel waar te nemen. Bij breedplaatvloeren is aan de onderzijde van de vloer sprake van naden met een hart op hart afstand van 2,4 meter. Dit komt doordat de geprefabriceerde betonnen breedplaten altijd een standaardbreedte hebben van 2,4 meter. Deze naden zijn duidelijk zichtbaar als de vloer aan de onderzijde niet verder is afgewerkt. Dat is meestal het geval. De breedplaatvloeren zijn met hun kenmerkende naden goed te onderscheiden van de andere twee typen betonvloeren die worden toegepast in de bouw. Dat zijn de zogenoemde kanaalplaatvloeren met naden met een hart op hart afstand van 1,2 meter en de geheel in het werk gestorte betonvloeren waarbij geen sprake is van naden. Naast de genoemde visuele waarneming kan ook aan de hand van de bouwtekeningen van het gebouw worden nagegaan of breedplaatvloeren zijn toegepast. De in het eerste lid opgenomen categorieën waarvoor de onderzoeksplicht geldt betreffen allemaal gebouwen die vallen in de hoogste gevolgklasse (CC3) van NEN 8700. In NEN 8700 zijn deze gebouwen opgenomen in tabel NB.21-B1. Er wordt op gewezen dat hoewel de in deze norm gebruikte terminologie afwijkt van de in deze regeling gebruikte begrippen, het om dezelfde gebouwen gaat.

In onderdeel a is aangegeven dat het gaat om gebouwen waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven het meetniveau ligt. In onderdeel b gaat het om gebouwen met 4 of meer bouwlagen bedoeld voor minder zelfredzame personen, dus waarin zich een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, een celfunctie of een woonfunctie voor 24 uurs-zorg bevindt. Als derde categorie zijn in onderdeel c de bijeenkomstfunctie, winkelfunctie, sportfunctie en onderwijsfunctie opgenomen. De gebruiksfuncties in onderdeel c mogen dan geen nevengebruiksfunctie zijn én er moet in geval van bezwijken van een breedplaatvloer een risico zijn dat meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar kunnen lopen.

Van een risico voor meer dan 500 personen is sprake wanneer op en onder een breedplaatvloer meer dan 500 personen aanwezig kunnen zijn, maar ook als na het bezwijken van een breedplaatvloer voortschrijdende instorting kan plaatsvinden van een (gedeelte van een) gebouw. Bij de beoordeling of een gebouw valt onder het eerste lid, onderdeel c, moet allereerst worden nagegaan of het gebouw bestemd is voor meer dan 500 personen. Dit kan eenvoudig gedaan worden door de eigenaar zelf. Of vervolgens sprake kan zijn van een gelijktijdige gevaar voor meer dan 500 personen, zal door een deskundige constructeur moeten worden bepaald. In onderdeel c zijn de voor publiek toegankelijke gebruiksfuncties genoemd (bijeenkomst, winkel, sport en onderwijs) en is aangegeven dat het niet gaat om nevengebruiksfuncties. Met het uitsluiten van nevenfuncties wordt voorkomen dat bijvoorbeeld kantoorgebouwen met een bijeenkomstfunctie (als nevenfunctie van de kantoorfunctie) onderzocht moeten worden terwijl dergelijke gebouwen in NEN 8700 niet vallen onder de gevolgklasse CC3.

Met het tweede lid is geregeld dat de onderzoeksplicht niet geldt voor gebouwen die voor 1 januari 2000 gereed zijn gemeld. Voor deze datum is gekozen omdat pas vanaf 2000 meer regulier voor deze mogelijk risicovolle toepassing van breedplaatvloeren is gekozen.

Met het derde lid is geregeld dat de onderzoeksplicht van het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is op de gedeelten van een gebouw met een woonfunctie of nevenfuncties daarvan. Concreet betekent dit dat bij een gebouw hoger dan 70 meter de onderzoeksplicht niet geldt als het alleen gaat om een woongebouw, dat wil zeggen een gebouw met alleen woonfuncties of nevenfuncties daarvan. Een uitzondering geldt als een woongebouw een eigen parkeergarage (overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen) heeft als nevengebruiksfunctie. Deze parkeergarage valt dan wel onder de onderzoeksplicht. Risicovolle toepassing van breedplaatvloeren in alleen woongebouwen is niet aannemelijk en is daarom buiten de onderzoeksplicht gelaten. Dit is ook in overeenstemming met het in het vierde lid genoemde stappenplan. De onderzoeksplicht is dus wel van toepassing als sprake is van een woongebouw hoger dan 70 meter met daaronder een andere gebruiksfunctie. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een zogenaamde winkel- of kantorenplint onder een woongebouw. De plint valt dan wel onder de onderzoeksplicht, maar de bovengelegen woonfuncties en nevenfuncties daarvan niet.

Het vierde lid bepaalt dat het onderzoek moet worden uitgevoerd volgens het Stappenplan beoordeling bestaande gebouwen met breedplaatvloeren van 20 mei 2019. (www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bouwregelgeving/documenten/publicaties/2019/05/22/stappenplan-beoordeling-bestaande-gebouwen-met-breedplaatvloeren).

Het stappenplan geeft rekenregels waarmee bestaande gebouwen met breedplaatvloeren kunnen worden beoordeeld op het voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Het Bouwbesluit 2012 schrijft in paragraaf 2.1.2 als prestatie-eis voor dat een bestaand gebouw moet voldoen aan NEN 8700. De rekenregels in het stappenplan zijn in overeenstemming met NEN 8700 en het daarin vastgelegde veiligheidsniveau voor constructies.

Het vijfde lid bepaalt dat de uitkomsten van dit onderzoek voor 1 april 2021 in een rapport moeten worden vastgelegd. Het achterwege laten van het onderzoek en rapport is een overtreding van het zorgplichtartikel waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden door het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Op grond van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een toezichthouder tenslotte op ieder moment bevoegd het onderzoeksrapport op te vragen en geldt een medewerkingsplicht om aan deze vraag gehoor te geven. Als uit het onderzoeksrapport volgt dat de breedplaatvloeren niet voldoen aan de rekenregels in het stappenplan zal de eigenaar afhankelijk van de conclusies uit het onderzoek de noodzakelijke maatregelen moeten nemen om aan het op grond van het Bouwbesluit 2012 geldende veiligheidsniveau te voldoen.

Met de voorliggende onderzoeksplicht is beoogd het gemeentelijk toezicht op bestaande gebouwen te ondersteunen. Deze onderzoeksplicht richt zich dan ook tot eigenaren. Het bevoegd gezag kan ook op een andere manier tot het oordeel komen dat de constructieve veiligheid van breedplaatvloeren in een gebouw voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Dit is opgenomen in het zesde lid. Het bevoegd gezag kan op basis hiervan bijvoorbeeld akkoord gaan met andere onderzoeken of rapporten dan in het stappenplan, als zij van oordeel is dat er toch sprake is van een adequate toets op het voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Hierbij kan het bevoegd gezag zo nodig ook zelf onderzoek uitvoeren.

Hoofdstuk 6Slotbepalingen

Artikel 6.2

Deze regeling treedt gelijk met het Bouwbesluit 2012 in werking1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23. Naar verwachting is dat op 1 april 2012. Met een inwerkingtreding op 1 april 2012 voldoet deze regeling aan het uitgangspunt van de vaste verandermomenten.

Het moment van inwerkingtreding van de wijzigingsregeling, Stcrt. 2020, 50199 inzake gasverbrandingsinstallaties is gelijk aan het moment waarop de wijzigingen aan het Bouwbesluit 2012, op grond van het Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stb. 2020, 348, in werking treden (1 oktober 2020 en 1 april 2022). Er wordt afgeweken van de minimuminvoeringstermijn. De sector is reeds geruime tijd op de hoogte van de aanstaande inwerkingtreding, ook gelet op eerder uitstel van inwerkingtreding. Bovendien is sprake van een gefaseerde inwerkingtreding. Vanaf inwerkingtreding van het stelsel krijgen bedrijven nog anderhalf jaar de tijd om zich voor te bereiden op de verbodsbepaling en de vakbekwaamheidseisen die in het kader van het stelsel worden.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

1) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2012 bij Stcrt. 2012, 13245. 2) De regeling is gewijzigd per 1 maart 2013 bij Stcrt. 2013, 5457. 3) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2013 bij Stcrt. 2013, 16919. 4) Deze regeling is per 1 april 2014 gewijzigd bij Stcrt 2014, 4057, waarbij de artikelen betrekking hebbende op de Verordening bouwproducten met terugwerkende kracht per 1 juli 2013 in werking zijn getreden. Het onderdeel over plasbrandaandachtsgebieden treedt in werking als artikel 2.16 van het Bouwbesluit 2012 in werking treedt. Bij Stb. 2015, 92 is deze datum bepaald op 1 april 2015. 5) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2015 bij Stcrt. 2014, 34076. 6) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2015 bij Stcrt. 2014, 37003. 7) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2015 bij Stcrt. 2015, 17338. 8) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2016 bij Stcrt. 2015, 45221. 9) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2016 bij Stcrt. 2016, 33491 10) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2017 bij Stcrt. 2016, 71548 11) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2018 bij Stcrt. 2017, 73470 12) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2018 bij Stcrt. 2018, 35386 13) De regeling is gewijzigd per 1 januari 2019 bij Stcrt. 2018, 72508 14) De regeling is gewijzigd per 1 juli 2019 bij Stcrt. 2019, 36206 15)De regeling is gewijzigd per 10 maart 2020 bij Stcrt. 2020, 13004 16)De regeling is gewijzigd per 25 april 2020 bij Stcrt. 2020, 21238 17)De regeling is gewijzigd per 16 juli 2020 bij Stcrt. 2020, 37764. 18) De regeling is gewijzigd per 1 oktober 2020 bij Stcrt. 2020, 50199. 19)De regeling is gewijzigd per 1 januari 2021 bij Stcrt. 2020, 62676 20)De regeling is gewijzigd per 1 januari 2021 bij Stcrt. 2020, 66972 21)De regeling is gewijzigd per 1 januari 2021 bij Stcrt. 2020, 66974. 22)De regeling is gewijzigd per 11 februari 2021 bij Stcrt. 2020, 7104 23)De regeling is gewijzigd per 1 juli 2021 bij Stcrt. 2020, 32830

Uw gekozen filters:

Type

Gebruiksfuncties