Bouwbesluit Online 2012


I Algemeen

1Inleiding

Met de Regeling Bouwbesluit 2012 is een nadere invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het Bouwbesluit 2012. Deze regeling zal dan ook gelijk met het Bouwbesluit 2012, naar verwachting 1 april 2012, in werking treden. Zoals het Bouwbesluit 2012 in de plaats komt van het Bouwbesluit 2003, vervangt deze regeling de Regeling Bouwbesluit 2003. Daarnaast zijn diverse voorschriften die onder het Bouwbesluit 2003 in de ministeriële regeling waren opgenomen voortaan in het Bouwbesluit 2012, in NEN-normen, of in een andere regeling zoals bijvoorbeeld de Regeling geluidwerende voorzieningen (RGV) opgenomen. Een belangrijk onderdeel van deze regeling is evenals bij de Regeling Bouwbesluit 2003 het geval was, de aanwijzing van normen. Ook zijn in deze regeling de voorschriften met betrekking tot de CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met die artikelen van de verordening bouwproducten (verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (305/2011 PbEU L 88)) die al in werking zijn getreden. Onderwerpen in deze regeling die niet in de Regeling Bouwbesluit 2003 waren opgenomen zijn de nadere prestatievoorschriften voor brandveiligheid waaronder inspectieschema’s van brandveiligheidsinstallaties en opvang- en doorstroomcapaciteit en nadere voorschriften voor duurzaam bouwen en het scheiden van bouw- en sloopafval. Deze regeling volgt wat betreft systematiek en terminologie zo veel mogelijk het Bouwbesluit 2012.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De in deze regeling opgenomen wijzigingen van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht houden vooral verband met de inwerkingtreding van afdeling 6.12 en artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 per 1 juli 2012 en van afdeling 5.2 van het Bouwbesluit 2012 per 1 januari 2013. Afdeling 6.12 heeft betrekking op het veilig onderhoud van gebouwen. Artikel 5.2 betreft de energieprestatiecoëfficiënt en afdeling 5.2 betreft milieu, nieuwbouw. Verder zijn in deze regeling enkele wijzigingen in de aansturing van normen opgenomen en wordt een enkele onjuiste verwijzing gecorrigeerd.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Deze wijzigingsregeling bevat enkele wijzigingen in de aansturing van normen en een enkele verbetering van ondergeschikte aard in de Regeling Bouwbesluit 2012. Verder is in de Regeling omgevingsrecht een procedureel voorschrift met betrekking tot de berekeningsmethodiek van de energieprestatiecoëfficiënt en een daarmee samenhangende begripsbepaling en een aanvulling in de opsomming van de bij een aanvraag om vergunning voor het brandveilig gebruik aan te leveren gegevens en bescheiden opgenomen.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

Aanleiding voor deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is de vaststelling van richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking). Deze herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (hierna herziene EPBD of (herziene) richtlijn) bevat een nadere uitwerking en aanscherping van de eerdere richtlijn van 16 december 2002 en heeft als oogmerk de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving verder te stimuleren. De in deze herziene richtlijn geformuleerde Europese doelstellingen zijn mede richtinggevend voor het Plan van aanpak Energiebesparing Gebouwde omgeving dat in februari 2011 aan de Tweede Kamer is gezonden (Kamerstukken II 2010/2011, 30 196, nr. 131). Ter implementatie van deze richtlijn worden de Woningwet, het Besluit energieprestatie gebouwen en het Bouwbesluit 2012, alsmede de bijbehorende ministeriële regelingen gewijzigd. Ook zullen de indieningsvereisten zoals deze in de Regeling omgevingsrecht (Mor) zijn opgenomen aan bovenstaande worden aangepast. Met deze wijziging van Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een verdere uitwerking gegeven aan de omzetting in het Bouwbesluit 2012 van de artikelen 7 (maatregelen bij ingrijpende renovatie) en 8 (eisen aan technische bouwsystemen) van de richtlijn.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Deze wijzigingsregeling bevat met name voorschriften die nodig zijn ter uitwerking van afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2012, waarin voorschriften zijn opgenomen voor het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden. Ook worden met deze regeling nieuwe versies aangewezen van bijlage I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012, waarin is opgenomen welke versie van een in het Bouwbesluit 2012 aangewezen norm van toepassing is. Ook zijn enkele definities en een artikel vervallen als gevolg van de volledige inwerkingtreding van de verordening bouwproducten (305/1011/EU, PbEU L88) met ingang van 1 juli 2013. Daarnaast is het voorschrift met betrekking tot de scheiding van bouw- en sloopafval verder uitgewerkt en is een enkele meer ondergeschikte wijziging aangebracht. Verder is een geringe wijziging van de Regeling omgevingsrecht opgenomen.

De wijzigingsregeling treedt met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden in werking op het moment dat afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2012 in werking treedt. Deze datum is in Stb 2015, 92 bepaald op 1 april 2015. De wijzigingen met betrekking tot de inwerkingtreding van de verordening bouwproducten treden in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2013. De overige onderdelen treden op 1 april 2014 in werking gelijktijdig met de inwerkingtreding van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende de brandveiligheid van het bedrijfsmatig houden van dieren, alsmede correcties en verdere vereenvoudigingen van de Bouwbesluit 2012.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regeling

Deze wijzigingsregeling bevat met name de voorschriften die nodig zijn ter uitwerking van de wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2015. Genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 vindt plaats ter implementatie van de richtlijn 2010/31/EU van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU L153/13). Deze herziene richtlijn energieprestatie (herziene EPBD) bevat een nadere uitwerking en aanscherping van de eerdere richtlijn van 16 december 2002 en heeft als oogmerk de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving verder te stimuleren. Het gaat in deze wijzigingsregeling met name om de bepalingsmethode om de gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt als bedoeld in het met ingang van 1 januari 2015 gewijzigde artikel 5.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb.2014, 342) te berekenen. Verder is de verwijzing naar ISSO 75.1 geactualiseerd en zijn de correctiefactoren voor de toepassing van NEN 7120 aangepast aan de laatste versie van die norm. Ook zijn voor NEN 1068 en NEN 7120 nieuwe correctiebladen aangewezen.

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

In deze regeling is tot slot in de Regeling Bouwbesluit 2012 een omissie rechtgezet.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen

Met deze wijzigingsregeling wordt van een aantal normen een nieuwe versie aangewezen. Nadat op 1 april 2014 nieuwe versies van bijlage I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn aangewezen (Stcrt. 2014, nr. 4057) is opnieuw een aantal normen aangepast. Dit betekent dat in een aantal gevallen een nieuwe versie van een norm is aangewezen en in andere gevallen dat bij de toepassing van de norm met een aantal afwijkingen daarvan rekening moet worden gehouden. Verder zijn in deze wijzigingsregeling de eisen aan de kooldioxidemeter uitgewerkt en is de verwijzing naar het CCV- inspectieschema Brandbeveiliging geactualiseerd. Voor het bouwbedrijfsleven is het van belang dat deze normen zo snel mogelijk kunnen worden toegepast. Het voornemen is dat deze wijzigingsregeling gelijk met de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende de deregulering van de woonfunctie en enkele andere wijzigingen in werking treedt, naar verwachting is dat 1 juli 2015.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

Met deze wijzigingsregeling is in de Regeling Bouwbesluit 2012 een voorschrift opgenomen om onderzoek te doen naar de staat van galerijflats met vrij uitkragende galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de achterliggende betonnen verdiepingsvloeren. Op grond van dit voorschrift moet worden geïnventariseerd of er bij dergelijke flats, die vooral zijn gebouwd in de periode 1950-1970, risico op instorting van de galerij- of balkonvloeren bestaat. Ook zijn met deze wijziging de verwijzingen naar een aantal normen in de bijlagen I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012 geactualiseerd. Verder is een onvolkomenheid in een verwijzing in bijlage III bij de Regeling Bouwbesluit 2012 hersteld.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

Met deze wijzigingsregeling wordt een verplichting in de Regeling Bouwbesluit 2012 opgenomen om onderzoek te doen naar de staat van roestvaststalen constructies in zwembaden. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de toezegging ter zake als verwoord in de brief van 14 december 2015 (Kamerstukken II 2015/2016, 28 325 nr. 157).Sinds 2004 is bekend dat in zwembaden roestvaststaal (hierna ook RVS) wordt toegepast dat tot veiligheidsproblemen kan leiden. RVS is een familie van staallegeringen, waarvan sommige soorten gevoelig zijn voor spanningscorrosie, waardoor plotselinge breuk kan optreden. De atmosfeer in zwembaden is door het gebruik van desinfectiemiddelen op basis van chloor agressief voor de meest gebruikelijke soorten RVS. Andere RVS soorten zijn niet gevoelig voor (spannings)corrosie in de zwembadatmosfeer. Deze zogenoemde resistente soorten worden aangeduid met de typenamen 1.4529, 1.4547 en 1.4565. Op basis van NEN-EN 1993-1-4, die op basis van afdeling 2.2 van het Bouwbesluit 2012 van toepassing is, is alleen het gebruik van deze resistente soorten toegestaan bij zowel nieuwbouw als bij verbouw. De veiligheid van niet-resistent RVS in bestaande overdekte zwembaden kon tot 2013 worden aangetoond met jaarlijkse inspecties op basis van de NCC ‘Praktijkrichtlijn voor inspectie en onderhoud van ophangconstructies, bevestigingsmiddelen en voorzieningen in overdekte zwembaden’ uit 2004. Bij brief van 30 september 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 28 325, nr. 152) is het TNO-rapport ‘Deskundigenrapport toepassing en inspectie van roestvaststaal (RVS) in zwembaden’ aan de Kamer gezonden. Dit TNO-rapport geeft, uitgaande van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, een actualisering van de beoordeling van roestvaststalen ophangconstructies volgens de bovengenoemde NCC-praktijkrichtlijn uit 2004. TNO adviseert in lijn met genoemde NCC-praktijkrichtlijn om niet-resistent roestvaststalen ophangconstructies in bestaande zwembaden te vervangen. Indien niet wordt vervangen, stelde TNO dat deze constructies minimaal om de 6 maanden moeten worden gecontroleerd op roestvorming. Dit was een aanscherping van de frequentie van één keer per jaar die volgde uit de NCC-handreiking. Genoemd TNO-rapport is ook als uitgangspunt gehanteerd bij het opstellen van de Nederlandse praktijkrichtlijn (NPR) 9200:2015 ‘Metalen ophangconstructies en bevestigingsmiddelen in zwembaden’ die eind december 2015 is gepubliceerd door NEN. In deze NPR wordt echter niet meer uitgegaan van de mogelijkheid om niet-resistent RVS om de 6 maanden te controleren. Aanleiding voor deze wijziging is dat inmiddels duidelijk is dat, in tegenstelling tot hetgeen eerder in het TNO-rapport was aangenomen, het in de praktijk niet mogelijk is om de corrosievorming van het RVS voldoende nauwkeurig te beoordelen. Omdat het daarmee in de praktijk niet mogelijk is om de veiligheid van niet-resistent RVS voldoende te borgen met alleen periodieke inspecties, is het uitgangspunt van de nieuwe onderzoeksplicht dat moet worden aangetoond dat er in het zwembad geen niet-resistent RVS meer aanwezig is op plaatsen waar breuk kan leiden tot persoonlijk letsel.

Verder is met deze regeling een geringe redactionele wijziging aangebracht en zijn twee onvolkomenheden in verwijzingen hersteld.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

Met deze wijzigingsregeling worden nadere voorschriften voor de toepassing van een aantal normen gegeven en wordt van een aantal normen een nieuwe versie aangewezen.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een uitwerking gegeven aan de specifieke regelgeving voor drijvende bouwwerken. Verder is de bepalingsmethode voor de milieuprestatiegrenswaarde gewijzigd en is een invulling gegeven aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk ter uitwerking van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2018, betreffende drijvende bouwwerken, de milieuprestaties en enkele andere wijzigingen (Stb. 2017, 494). Tevens zijn van een aantal NEN-normen de aangestuurde versies gewijzigd.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging- Inspectie brandbeveiligingsysteem aangewezen. Deze versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging- Inspectie brandbeveiligingsysteem komt met ingang van 1 juli 2018 in de plaats van de versie van 1 juni 2015. Versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) is te raadplegen op de site van het CCV, Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. In onderdeel 1.6 van versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) is een schema opgenomen met de wijzigingen die zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere versie.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aange-stuurde NEN-normen en NEN-EN-normen nieuwe uitgaves van toepassing verklaard. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging - Inspectie brandbeveiligingsysteem aangewezen.

Voorts is voor de bepaling van de milieuprestatie zoals bedoeld in artikel 5.9 van het Besluit een nieuwe versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken aangewezen. Deze nieuwe versie met als datum 1 januari 2019 met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 juli 2019 is met ingang van 1 juli 2019 in de plaats gekomen van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken van november 2014 (met inbegrip van wijzigingsbladen). Met de introductie van deze nieuwe bepalingsmethode is de correctiefactor van 0.4 komen te vervallen.

Daarnaast zijn van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aangestuurde NEN-normen en NEN-EN-normen nieuwe uitgaves van toepassing verklaard of correcties van de aansturing doorgevoerd. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

1.Inleiding

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (hierna ook: besluit EPBD III). Met dit besluit EPBD III zijn de verplichtingen geïmplementeerd die voortvloeien uit richtlijn 2018/844/EU van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75) (hierna: tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen of EPBD III).In de voorliggende wijzigingsregeling zijn ter implementatie van het besluit EPBD III opgenomen:

  • de bepalingsmethode voor de energieprestatie van technische bouwsystemen;
  • eisen aan de documentatie van de energieprestatie van technische bouwsystemen;
  • een nadere uitwerking van de systeemeisen voor het adequaat dimensioneren, installeren, inregelen en de instelbaarheid van technische bouwsystemen;
  • een uitwerking van de keuring van verwarmingssystemen en airconditioningsystemen.
  • In paragraaf 2 van dit algemeen deel, hoofdlijnen van de wijzigingsregeling, en in de artikelsgewijze toelichting daarvan zijn deze onderwerpen verder toegelicht.
Met het besluit EPBD III is de verplichte keuring voor airconditioningsystemen van het Besluit energieprestatie gebouwen overgeheveld naar het Bouwbesluit 2012. Daarmee wordt ook de gemeente het bevoegd gezag voor het handhaven van deze keuringsverplichting. Zie voor een toelichting daarop het algemeen deel van de toelichting opgenoemd besluit EPBD III (Stb. 2020, 84). Ook bevat het besluit EPBD III eisen voor de keuring van verwarmingssystemen. Onder EPBD III verandert de keuringsplicht. De veranderingen in de keuring zijn echter niet geïmplementeerd via het Activiteitenbesluit milieubeheer, omdat de herziene keuring uit de EPBD III niet goed meer past in de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer over stookinstallaties. Dit komt met name door het toepassingsbereik van de keuringsplicht uit de EPBD III; het gaat daarbij voortaan niet alleen om stookinstallaties, maar om alle verwarmingssystemen. Deze herziene keuring is daarom opgenomen in bovengenoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012. Hiermee wordt vooruitgelopen op de situatie onder de Omgevingswet, waarin de keuring in de opvolger van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, is opgenomen. De keuring in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt in afwachting van de Omgevingswet vooralsnog niet aangepast. Dit betekent dat gebouwgebonden stookinstallaties met een vermogen van meer dan 100 kW onder zowel de keuring uit het Bouwbesluit 2012 als onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen. EPBD III moet uiterlijk 10 maart 2020 volledig geïmplementeerd zijn.

2.Hoofdlijnen van de regeling

2.1Bepalingsmethode energieprestatie technische bouwsystemen

Op grond van het besluit EPBD III moeten technische bouwsystemen die nieuw worden geïnstalleerd, vervangen of verbeterd voldoen aan minimum energieprestatie-eisen. Er gelden minimum energieprestatie-eisen voor systemen voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater en ingebouwde verlichting.

In deze regeling is voorgeschreven welke methoden gebruikt moeten worden om energieprestatie van systemen voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater en ingebouwde verlichting vast te stellen. Deze methoden zijn afgeleid van de bepalingsmethode voor energieprestatie van gebouwen, NTA 8800, en laten zien hoeveel primaire fossiele energie de technische bouwsystemen nodig hebben ten opzichte van de netto behoefte. Om de lasten voor installateurs zo beperkt mogelijk te houden, wordt een digitale tool ontwikkeld, waarmee de energieprestatie van technische bouwsystemen kan worden uitgerekend.

2.2Eisen documentatie energieprestatie technische bouwsystemen

Op grond van het besluit EPBD III moeten installateurs die de onder 2.1 bedoelde technische bouwsystemen installeren, vervangen of verbeteren de energieprestatie van deze systemen documenteren en deze stukken overhandigen aan de gebouweigenaar.

In deze regeling zijn de eisen gesteld waaraan deze documentatie tenminste moet voldoen. Het gaat hierbij onder meer om het verstrekken van gegevens over de opsteller van de documentatie en gegevens over het technisch bouwsysteem en het gebouw waartoe het technisch bouwsysteem behoort. De installateur is vrij om deze gegevens aan te vullen met andere informatie die hij of zij wil overhandigen aan de gebouweigenaar. Er zijn geen eisen gesteld aan het format of de vormgeving van de documentatie. Er wordt echter een standaardformat ontwikkeld dat installateurs desgewenst kunnen gebruiken. Dit standaardformat wordt ook opgenomen in de digitale tool die wordt ontwikkeld om installateurs te ontzorgen.

2.3Systeemeisen voor het dimensioneren, installeren, inregelen en de instelbaarheid van technische bouwsystemen

In artikel 6.55 van het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) is bepaald dat een technisch bouwsysteem adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar moet zijn. In deze regeling is per type technisch bouwsysteem nader uitgewerkt wat hiermee wordt bedoeld.

2.4Keuringen voor verwarmings- en airconditioningsystemen

In EPBD III is de keuringsverplichting voor verwarmings- en airconditioningsystemen herzien. Zo verschuift de grens waarboven deze verplichting geldt van een nominaal vermogen van respectievelijk 20 en 12 kW naar 70 kW. Ook valt de combinatie van verwarmings- en ventilatiesysteem en airconditioning- en ventilatiesysteem voortaan onder de keuringsverplichting.

De verwarmingskeuring is voortaan van toepassing op alle verwarmingssystemen en niet alleen op stookinstallaties. Het is daarnaast een keuring die niet is beperkt tot de opwekker, maar betreft het hele systeem. Het gaat daarbij om de prestatie onder typische (meest voorkomende) werkingsomstandigheden; een systeem zal in de praktijk vaker onder deellast functioneren dan onder vollast. In EPBD III is er een grotere nadruk op de prestatie in werkelijke situaties. Het is namelijk van belang dat een systeem efficiënt en effectief functioneert onder alle condities. De keuring moet evenals voorheen leiden tot een keuringsrapport met advies voor de kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het systeem, dat aan eigenaar of huurder wordt overhandigd. De uitwerking van de eisen aan de keuringen is in een nieuw hoofdstuk 3a opgenomen. In dit hoofdstuk zijn wat betreft het onderdeel keuring van airconditioningsystemen de eisen opgenomen die eerder in paragraaf 3 van de Regeling energieprestatie gebouwen waren te vinden.

3.Transponeringstabel

In de tabel hieronder is per artikel van EPBD III ofwel richtlijn 2010/31/EU van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU 2010, L 153/13), zoals gewijzigd door richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van de Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 2018, L 156/75), aangegeven hoe dit is geïmplementeerd.

Afbeelding
p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een onderzoeksplicht naar de constructieve veiligheid van breedplaatvloeren ingesteld. Aanleiding voor deze onderzoeksplicht was het in mei 2017 gedeeltelijk instorten van een verkeergarage bij Eindhoven Airport en de daarna door Hageman (in samenwerking met TNO) uitgevoerde onderzoeken naar de veiligheid van vergelijkbare vloeren. Naar aanleiding van de resultaten van deze onderzoeken, vastgelegd in het Hageman rapport 9780-1-0 ‘Voorstellen voor en achtergronden bij rekenregels voor de beoordeling van bestaande bouw’ van 20 mei 2019, 1 is een onderzoeksplicht zoals bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de Woningwet toegezegd (Kamerstukken II, 2018/19, 28 325, nr. 199). Gezien de te verwachten grote opgave voor het uitvoeren van de beoordelingen is besloten deze onderzoeksplicht voor bestaande gebouwen gefaseerd in te voeren. Daarbij wordt aangesloten op de gevolgklasse-indeling van gebouwen volgens NEN 8700. De onderzoeksplicht gaat vooralsnog alleen gelden voor gebouwen in de hoogste gevolgklasse (CC3). Uitbreiding van de onderzoeksplicht naar gebouwen in lagere gevolgklassen is voorzien na 1 april 2021. Dit betekent dat als een gebouw nu nog niet onder de onderzoeksplicht valt, niet uitgesloten is dat dit in de toekomst alsnog het geval kan zijn.

De voorliggende onderzoeksplicht houdt geen beperking in van de algemene zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet. Dit betekent dat een eigenaar nu al aanleiding kan hebben om onderzoek uit te voeren bij een gebouw dat niet valt in de hoogste gevolgklasse en ook dat een gemeente de gebouweigenaar nu al om een dergelijk onderzoek kan verzoeken. Dit ligt bijvoorbeeld in de rede bij een gebouw dat op basis van het informatiedocument Beoordeling veiligheid breedplaatvloeren uit 2017 2 eerder al als risicovol is gekwalificeerd.

De onderzoeksplicht is bedoeld om te worden ingezet als er sprake kan zijn van een evident veiligheidsprobleem bij specifieke gebouwen of constructies. Eerder is van de onderzoeksplicht gebruik gemaakt voor galerijvloeren (artikel 5.11 Regeling Bouwbesluit 2012) en voor roestvaststalen constructies in zwembaden (artikel 5.12 Regeling Bouwbesluit 2012).Met een dergelijke onderzoeksplicht wordt de bewijslast of een gebouw voldoende veilig is expliciet neergelegd bij de eigenaar en kan de gemeente direct handhaven als de onderzoeksplicht niet wordt nageleefd.De onderzoekplicht is daarmee primair bedoeld als ondersteuning van het gemeentelijke toezicht en handhaving.Tevens is met deze wijzigingsregeling een geringe correctie in de formule van de waarde van de energieprestatie van ventilatiesystemen (bijlage III bij artikel 3.3) opgenomen.

1) www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/05/20/rapport-voorstellen-voor-en-achtergronden-bij-rekenregels-voor-de-beoordeling-van-bestaande-bouw

2) www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/10/05/informatiedocument-beoordeling-veiligheid-breedplaatvloeren-bestaande-bouw

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

1.Inleiding

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een nadere invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het Besluit van 13 december 2019 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (hierna ook het BENG besluit) (Stb. 2019, 501). Dat besluit zal naar verwachting op 1 januari 2020 1 in werking treden. Zie ook de brief van 9 januari 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 30 196, nr. 695).

Opmerking BRIS

1 Bedoeld zal zijn 1 januari 2021

Met genoemd wijzigingsbesluit worden de verplichtingen die voortvloeien uit de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L 153/13)), hierna ook herziene EPBD of herziene richtlijn, geïmplementeerd. In 2015 is de verplichting om bijna energieneutraal te bouwen al in artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen (Stb. 2015, 425). Op dat moment werd een onderscheid aangebracht tussen de verplichting voor overheidsgebouwen en de verplichting voor overige gebouwen. Voor overheidsgebouwen was die verplichting in eerste instantie uitgewerkt in de Regeling Bouwbesluit 2012 en in werking getreden op 1 januari 2019. De verplichting voor overige gebouwen zoals geformuleerd in genoemd Staatsblad is niet in werking getreden, maar ingehaald door het BENG besluit. Met het BENG besluit geldt de eis om bijna energie-neutrale gebouwen te bouwen voor alle gebruiksfuncties. Omdat met dit wijzigingsbesluit alle BENG eisen op besluitniveau zijn opgenomen, vervallen de eisen aan overheidsgebouwen op regelingsniveau met de voorliggende wijzigingsregeling.

De BENG eisen komen daarmee definitief in de plaats van de eisen aan de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) zoals deze al voor 2003, het moment van invoering van het Bouwbesluit 2003 (de voorloper van het Bouwbesluit 2012), in de bouwregelgeving waren opgenomen. Dit betekent ook dat de bepalingsmethode NEN 7120 waarmee de EPC wordt berekend, met ingang van de inwerkingtreding van het BENG besluit is vervangen door NTA 8800, waarin in overeenstemming met de herziene EPBD onder meer de berekeningsmethode voor bijna energieneutraal bouwen is opgenomen.

Deze wijzigingsregeling bevat behalve een nadere invulling van de in het BENG besluit opgenomen BENG eisen, waaronder enkele overgangsbepalingen, ook specifieke eisen aan de waarde voor oververhitting. Verder is een correctie van het begrip ruimtethermostaat opgenomen en zijn de verwijzingen naar de normen in bijlage I bij de regeling geactualiseerd.

2.Hoofdlijnen van de regeling

2.1Waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en aandeel hernieuwbare energie

Met deze wijzigingsregeling is een invulling gegeven aan de berekening van de in artikel 5.2 van het besluit aangegeven we maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie.

2.2Waarde voor oververhitting

Bij toepassing van NTA 8800 moet rekening worden gehouden met een maximumwaarde voor oververhitting. Op die manier wordt het risico beperkt dat woningen 1 worden gebouwd die in steeds hetere zomers te warm worden. Deze waarde voor oververhitting (TOjuli) volgt rechtstreeks uit de berekening met NTA 8800. Wanneer sprake is van de aanwezigheid van een koelsysteem met als doel het koelen van de binnenlucht, wordt de waarde automatisch op nul gezet. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het koelsysteem voldoende capaciteit heeft om aan de koudebehoefte tegemoet te kunnen komen Als bij berekening van de hoogste waarde voor oververhitting de maximumwaarde wordt overschreden moet met een berekening worden aangetoond dat het totaal aantal gewogen overschrijdingsuren in alle verblijfsruimten niet boven een bepaald aantal uitkomt. Deze berekening moet voldoen aan het gestelde in bijlage VII. Zie hiervoor verder de artikelsgewijze toelichting.

Opmerking BRIS

1 Bedoeld zal zijn woonfuncties

2.3BRL 9500-W, BRL 9500-U, BRL9501

De berekening van de waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie, vindt plaats door een op basis van BRL 9500-W of BRL 9500-U, gecertificeerd bedrijf waarbij gebruik wordt gemaakt van op basis van BRL 9501 geattesteerde software. Deze BRL 9500-W (voor woningbouw) en BRL 9500-U (voor overige bouwwerken) zijn opvolgers van BRL 9500. Ook van BRL 9501 is een nieuwe (2020) versie beschikbaar gekomen. De aanwijzing van BRL 9500 en van BRL 9501 is tot de inwerkingtreding van onderhavige wijzigingsregeling alleen in de Regeling energieprestatie gebouwen opgenomen. De Regeling energieprestatie gebouwen wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingsregeling aan deze laatste versies aangepast.

2.4Transponeringstabel

In de tabel hieronder is per artikel van Richtlijn nr. 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L153/13) aangegeven hoe het artikel is omgezet. Met een deel van de aangehaalde bepalingen van de regelgeving is ook Richtlijn 2018/844/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75) omgezet. Het betreft de wijzigingen die zijn opgenomen in het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84) en de daarbij behorende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (Stcrt. 2020,13004). Zie ook de transponeringstabellen in genoemde regelgeving.

Afbeelding
r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199
1.Inleiding

Deze ministeriële regeling betreft een nadere uitwerking van het besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Aanleiding voor dit stelsel zijn de bevindingen en aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor veiligheid (OvV) over het gevaar van koolmonoxidevergiftiging door gasverbrandingsinstallaties. 1 Met het certificeringsstelsel wordt beoogd het aantal koolmonoxideongevallen te reduceren door de kwaliteit van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te verbeteren. Op basis van het certificeringsstelsel mogen na het ingaan van de daarin opgenomen verbodsbepaling bepaalde werkzaamheden aan gebouwgebonden gasverbrandingsinstallaties alleen nog worden uitgevoerd door bedrijven die beschikken over een geldig certificaat. De reikwijdte van het verbod is bepaald in het Bouwbesluit 2012. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Minister van BZK) wijst de certificerende instellingen aan die deze certificaten mogen afgeven en wijst ook de certificatieschema’s aan die hierbij van toepassing zijn. De verbodsbepaling geldt zowel voor het uitvoeren als laten uitvoeren van bepaalde werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Na inwerkingtreding van de verbodsbepaling is het dus ook voor eigenaren, gebruikers, beheerders en bewoners verboden om niet-gecertificeerde bedrijven opdracht te verstrekken om bepaalde werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te laten verrichten.

Onderhavige ministeriële regeling en hiervoor genoemd besluit vormen de uitwerking van de (nieuwe) grondslagen in artikel 2, vierde lid, en 3, tweede lid, van de Woningwet, die in die wet zijn opgenomen met de Wet van 26 juni 2019 tot wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (Stb. 2019, 383). In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ten behoeve van de genoemde wijzigingswet zijn de overwegingen opgenomen die aan de basis liggen van het certificeringsstelsel voor gasverbrandingsinstallaties. 2 In die memorie van toelichting is ook ingegaan op de voorziene werking van het stelsel en de positie van de verschillende betrokken partijen. In het besluit (Stb. 2020. 348) zijn de reikwijdte van het stelsel, de accreditatie en aanwijzing van certificerende instellingen, de eisen aan certificatieschema’s, meldplicht en informatieverstrekking, de in het openbaar register op te nemen gegevens van aangewezen certificatieschema’s, certificerende instellingen en gecertificeerde bedrijven en de geldigheidsduur van certificaten na intrekking van de aanwijzing van een certificerende instelling uitgewerkt. In de nota van toelichting bij het besluit (Stb. 2020, 348) is een uitgebreide uiteenzetting van het stelsel opgenomen.

De beste manier om ongevallen met koolmonoxide te voorkomen is ervoor te zorgen dat de installaties die gebruikt worden veilig zijn. Het wettelijk certificeringsstelsel voorziet hierin. In haar rapport ‘Koolmonoxide Onderschat en Onbegrepen gevaar’, waarop het wettelijk certificeringsstelsel is gebaseerd, wijst de OvV ook op vrijwillige plaatsing van betrouwbare en effectieve koolmonoxidemelders en het stimuleren ervan in woningen en publieke gebouwen. Een koolmonoxidemelder kan immers vrijgekomen koolmonoxide detecteren. Een koolmonoxidemelder gaat echter pas af als er al koolmonoxide in de ruimte is vrijgekomen. Met het wettelijk certificeringsstelsel wordt er juist op ingezet die situatie te voorkomen. Koolmonoxidemelders kunnen daarom hooguit als een vrijwillige aanvulling op het wettelijk stelsel worden gezien. Klanten kunnen bijvoorbeeld de installateurs vragen of zij advies kunnen geven over de melders en over de werking en installatie ervan.

Onderhavige wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreft de nadere eisen die in het kader van het wettelijk stelsel ‘certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties’ worden gesteld. De volgende onderdelen zijn uitgewerkt:

  • Nadere eisen met betrekking tot de aanwijzing van certificerende instellingen en certificatieschema’s, waaronder ook de eisen die gesteld worden aan de vakbekwaamheid van de persoon die een installatie na verrichte werkzaamheden (opnieuw) in bedrijf stelt;
  • Nadere eisen aan de informatieverstrekking in het kader van dit wettelijk stelsel door de certificerende instelling aan de Minister van BZK;
  • De concentratie koolmonoxide (in ppm) in de opstellingsruimte van het toestel en in de verbrandingsgassen van het toestel is vastgesteld waarbij een installatie (opnieuw) in bedrijf mag worden gesteld. Ook is met deze wijziging de concentratie koolmonoxide (in ppm) vastgesteld waarbij de meldplicht van (bijna-)ongevallen van toepassing is.
  • Nadere eisen met betrekking tot de gegevens die in het openbaar register worden opgenomen;
  • Het in het kader van het stelsel te gebruiken beeldmerk is vastgesteld, inclusief de regels die aan het gebruik daarvan worden gesteld. Zo is het voor certificaathouders verplicht het beeldmerk te voeren op alle uitingen die met werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te maken hebben.

1 https://www.onderzoeksraad.nl/uploads/phase-docs/1079/b4a6d08bb6f4rapport-koolmonoxide-nl-interactief.pdf.

2 Kamerstukken II 2017/18, 35 022, nr. 3.

Om door de Minister van BZK te kunnen worden aangewezen voor het afgeven van certificaten aan installateurs die werkzaamheden uitvoeren aan gasverbrandingsinstallaties dient een certificerende instelling te zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (hierna: RvA). Dit is bepaald in artikel 1.36, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. Bij het verzoek om aanwijzing door de Minister van BZK dient de certificerende instelling, naast vestigingsplaats, het nummer van registratie bij de Kamer van Koophandel en de in artikel 1.36, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 genoemde gegevens en bescheiden, een bewijs over te leggen waaruit blijkt dat de instelling door de RvA geaccrediteerd is om een in het kader van dit wettelijk stelsel door de Minister van BZK aangewezen certificatieschema uit te voeren.

In artikel 1.37 van het Bouwbesluit 2012 zijn eisen gesteld aan certificatieschema’s. Het betreft hier eisen met betrekking tot de werkwijze van certificerende instellingen en eisen aan de werkzaamheden door en vakbekwaamheid van de installateur. Op grond van artikel 1.37, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2012 kunnen voor certificatieschema’s bij ministeriële regeling nadere regels gesteld worden. Deze nadere regels betreffen ten eerste het type gasverbrandingsinstallatie waarvoor het certificatieschema is bedoeld. Hiermee biedt het wettelijk stelsel de mogelijkheid voor specifieke (maatwerk)regelingen. De werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd kunnen immers per type installatie en per onderdeel van die installatie verschillen. Zo zullen de werkzaamheden die aan een cv-ketel moeten worden verricht anders zijn dan de werkzaamheden die aan een gashaard moeten worden verricht. Ook voor het plaatsen van nieuwe installaties en (regulier) onderhoud kan er verschil in certificatie schema’s zijn, evenals voor de verschillende typen bedrijven die in deze branche werkzaam zijn. Dit neemt niet weg dat alle aangewezen certificatieschema’s ten minste moeten voldoen aan de minimumeisen die het wettelijk stelsel stelt. Een installateur die zich wil laten certificeren zal het schema kiezen dat het beste past bij de werkzaamheden die hij uitvoert. Daarvoor is het belangrijk dat direct duidelijk is waarop een schema van toepassing is.

Het wettelijk stelsel voorziet erin dat een installatie na uitgevoerde werkzaamheden zo min mogelijk risico’s geeft op incidenten met koolmonoxide. Om deze veiligheid goed te borgen dient een installatie na uitgevoerde werkzaamheden door een daarvoor voldoende vakbekwaam persoon te worden gecontroleerd en in bedrijf te worden gesteld. Deze persoon werkt onder het certificaat van het gecertificeerde bedrijf. De inbedrijfstelling, inclusief de daaraan verbonden aantoonbare vakbekwaamheid van degene die de inbedrijfstelling uitvoert, is daarom onderdeel van een certificatieschema. Alleen voor werkzaamheden aan rookgasafvoeren of verbrandingsluchttoevoervoorzieningen is in artikel 1.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 een uitzondering opgenomen omdat het hier zeer specialistische werkzaamheden betreft die niet door elk bedrijf kunnen worden uitgevoerd. Deze uitzondering maakt het mogelijk dat er een certificatieschema voor rookgasafvoeren of verbrandingsluchttoevoervoorzieningen komt, zonder dat daarin de inbedrijfsstelling van de installatie is opgenomen. Voor bedrijven die voor een dergelijk schema worden gecertificeerd geldt dan wel dat deze bedrijven zelf niet de inbedrijfsstelling mogen verrichten. Het stelsel biedt gecertificeerde installatiebedrijven de mogelijkheid om voor werkzaamheden aan rookgasafvoeren en verbrandingsluchttoevoer voorzieningen een daarvoor gespecialiseerd bedrijf in te schakelen.

Om de veiligheid van een gasverbrandingsinstallatie op het gebied van koolmonoxide op locatie goed te kunnen beoordelen is het belangrijk dat een installateur zowel voorafgaand als na uitgevoerde werkzaamheden meet of er koolmonoxide vrijkomt in de opstellingsruimte van het toestel. Bij een meting vooraf kan bij een gevaarlijke situatie direct worden gealarmeerd en bij de meting achteraf kan worden gecontroleerd of de installatie veilig is om te gebruiken. Ook dient bij de werkzaamheden de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel te worden gemeten en gecontroleerd.

Een certificatieschema wordt op verzoek van een schemabeheerder aangewezen als het voldoet aan de wettelijk gestelde minimumeisen. Het staat schemabeheerders echter vrij om in het schema aanvullende eisen op te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan aanvullende vakbekwaamheidseisen voor specifieke werkzaamheden, waar het stelsel de vakbekwaamheidseisen beperkt tot de inbedrijfstelling. In een schema kunnen ook eisen met betrekking tot aanvullende werkzaamheden worden opgenomen die geen verband houden met risico’s op koolmonoxide, maar waarvan de schemabeheerder het wel belangrijk vindt daar eisen aan te stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van de brandveiligheid, de aanleg van gasleidingen of het waterzijdig inregelen van cv-installaties. Het wettelijk stelsel sluit de mogelijkheid voor aanvullende eisen niet uit, maar omdat die extra onderdelen en werkzaam heden geen risico vormen voor incidenten met koolmonoxide vallen die niet onder de wettelijke verplichting tot certificering. Voor de beoordeling van certificatieschema’s en goed inzicht hierin bij installateurs die zich willen laten certificeren, is het belangrijk dat het certificatieschema duidelijk onderscheid maakt tussen de vereisten naar aanleiding van het wettelijk stelsel en vanuit de sector gestelde aanvullende (private) eisen.

Om de veiligheid van de installatie te borgen is gekozen voor een stelsel van procescertificering waarbij de installatie na uitgevoerde werkzaamheden door een daarvoor gekwalificeerd medewerker van of namens het installatiebedrijf wordt gecontroleerd en vrijgegeven voor gebruik. Deze gekwalificeerde medewerker moet de vereiste metingen en controles uit kunnen voeren en de resultaten daarvan kunnen beoordelen. Voor het kunnen uitvoeren van de metingen en controles aan de installatie dient de desbetreffende medewerker in elk geval te weten welke metingen en controles hij dient uit te voeren. In onderhavige ministeriële regeling zijn hieraan eisen gesteld, alsmede aan de hiervoor vereiste kennis en vaardigheden van de hiervoor gekwalificeerde medewerker. Een vakbekwaam persoon dient verder op grond van deze regeling aantoonbaar in staat te zijn de ventilatievoorziening in de opstelruimte te beoordelen. Onder andere de normen NEN 1087 en NEN 8087 en enkele relevante praktijkrichtlijnen geven hier informatie over. Ook dient een vakbekwaam persoon de rookgasafvoerkanalen en leidingen te beoordelen en te beproeven, bijvoorbeeld op grond van de normen NEN 2757 en NEN 8757.

Door de branche zijn instrumenten beschikbaar gesteld om de vereiste vakbekwaamheid en competenties te toetsen en te behalen. Deze instrumenten zijn voor alle bedrijven en vakmensen beschikbaar. Door de vakbekwaamheidseisen te beperken tot de inbedrijfsstelling blijft het na inwerkingtreding van het stelsel ook voor bijvoorbeeld leerling monteurs en minder gekwalificeerde vaklieden mogelijk om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te voeren.

In aanvulling op artikel 1.39, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 is in onderhavige ministeriële regeling bepaald dat de certificerende instelling het verslag van de in het voorafgaande kalenderjaar uitgevoerde werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van die werkzaamheden en de meldingen van (bijna-)ongevallen jaarlijks voor 1 maart aan de Minister van BZK stuurt. In dit verslag wordt op grond van de regeling door de certificerende instelling daarnaast ingegaan op de uitgevoerde controles, de afgegeven, ingetrokken en geschorste certificaten, en de door de certificerende instelling ontvangen klachten, bezwaren en beroepen. Ook wordt ingegaan op veranderingen en knelpunten die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan. Deze informatie heeft de Minister van BZK nodig om de werking van het certificeringsstelsel te monitoren. Ook kan deze informatie gebruikt worden voor het toezicht op het stelsel. Dit toezicht is onder andere geconcretiseerd in de bevoegdheid van de Minister van BZK om certificerende instellingen aan te wijzen en om die aanwijzingen te schorsen of in te trekken wanneer de certificerende instelling zich niet houdt aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de aanwijzing of aan de regels zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling bouwbesluit 2012 middels de onderhavige ministeriële regeling.

In het verslag dat de certificerende instelling jaarlijks aan de Minister stuurt doet de certificerende instelling ook verslag van het aantal meldingen van (bijna-)ongevallen en de maatregelen die daarbij zijn getroffen om het gevaar weg te nemen. Dit is bepaald in artikel 1.39, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012. In de onderhavige regeling is aanvullend hierop bepaald dat over elke melding de gemeten concentratie koolmonoxide en een beschrijving van de ruimte waar deze is gemeten wordt gemeld. Hiermee wordt een betrouwbaar beeld verkregen van het aantal (bijna-)ongevallen en het effect van het wettelijk stelsel. De Minister informeert de Tweede Kamer over het aantal (bijna-)ongevallen en hoe daarmee is omgegaan. Uiteraard wordt daarbij gehandeld binnen de kaders van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

In artikel 1.38 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld vanaf welke concentratie koolmonoxide in een ruimte waarin zich personen kunnen bevinden sprake is van een verhoogde concentratie waarover terstond melding dient te worden gemaakt aan de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificerende instelling. Voor het vaststellen van de waarde is een analyse gemaakt van de waarden zoals in regelgeving en literatuur genoemd en in de praktijk toegepast. Het betreft hier de NEN 8025 van het Nederlands Normalisatie Instituut, de Europese richtlijn voor werknemers (2017/164), de Arbeidsomstandighedenregeling 3 , en waarden zoals genoemd en gehanteerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) 4 , de World Health Organisation (hierna: WHO) 5 en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) 6. NEN spreekt bij een gemeten waarde van 25 ppm over een verhoogde concentratie waarbij ernstig bezwaar bestaat tegen het in bedrijf stellen van een installatie dan wel waarbij een installatie buiten werking zou moeten worden gesteld. Ook de GGD en het RIVM geven aan dat bij een waarde van 25 ppm sprake is van een risicosituatie en dat snel ingrijpen noodzakelijk is. De WHO gaat uit van 26 ppm. In genoemde Europese richtlijn voor werknemers en de Arbeidsomstandighedenregeling ligt deze waarde lager. Daarin wordt uitgegaan van 20 ppm. Om de veiligheid van consumenten en andere gebruikers zo goed mogelijk te borgen is in onderhavige regeling aangesloten bij de concentratie van 20 ppm zoals gehanteerd in de Europese richtlijn voor werknemers (2017/164) en in de Arbeidsomstandighedenregeling.

Afbeelding

3 Implementatie van Richtlijn (EU) 2017/164.

4 Rapport 609300009/2009 met verwijzing naar waarden WHO en Gezondheidsraad.

5 Zie advies Gezondheidsraad ‘Gezondheidsrisico’s door lage concentraties koolmonoxide’ d.d. 10 juli 2019.

6 GGD-richtlijn medische milieukunde: koolmonoxide in woon- en verblijfsruimten (RIVM rapport 609330006/2008).

Op grond van artikel 1.37, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de inhoud van certificatieschema’s. Het betreft hier onder andere regels met betrekking tot de maximale hoeveelheid koolmonoxide die na uitgevoerde werkzaamheden in de opstellingsruimte van het toestel aanwezig mag zijn en regels met betrekking tot de concentratie koolmonoxide die in de verbrandingsgassen van het toestel aanwezig mag zijn

De Minister van BZK heeft de Tweede Kamer op 3 december 2019 7, in reactie op het advies van de Gezondheidsraad ‘Gezondheidsrisico’s door lage concentraties koolmonoxide’ van 10 juli 2019, aangegeven ook eisen te stellen aan de maximale hoeveelheid koolmonoxide die na uitgevoerde werkzaamheden in de opstellingsruimte van het toestel vrij mag komen en daarbij ook de advieswaar den van de WHO te zullen betrekken. De WHO geeft aan dat er al gezondheidsrisico’s ontstaan bij een concentratie koolmonoxide van 6 ppm (voor de duur van 24 uur). De in de praktijk bij de inspectie van technische installaties in woningen toegepaste norm NEN 8025 gaat uit van een waarde van 5 ppm. Voor de vaststelling van de waarde waarbij een installateur een gasverbrandingsinstallatie na uitgevoerde werkzaamheden (opnieuw) in bedrijf mag stellen is in de onderhavige regeling aangesloten bij de door NEN gehanteerde waarde van 5 ppm. Bij een waarde van 5 ppm en hoger mag de installateur de installatie niet in bedrijf stellen.

Afbeelding

7 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/12/03/kamerbrief-inzake-advies- gezondheidsraad-gezondheidsrisicos-door-lage-concentraties-koolmonoxide.

Vanuit de sector is aangegeven dat behalve de hoeveelheid koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel ook de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel een belangrijke en betrouwbare indicatie is voor de veilige werking van het toestel. Meting van de hoeveelheid koolmonoxide in de verbrandingsgassen vindt plaats in de verbrandingsgasafvoer en in geval van open toestellen zonder afvoer direct boven het toestel. Voor het bepalen van de kritische concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel is aangesloten bij de typen toestellen en waarden die hiervoor in de norm NEN 8025 zijn opgenomen. Deze zijn ontleend aan NEN-EN 1749.

Onderstaande tabel is ter informatie overgenomen uit NEN 8025

Afbeelding

Woningen in appartementencomplexen of flatgebouwen met meerdere eigenaren zijn vaak voorzien van een gemeenschappelijke rookgasafvoer waarop per appartement een cv-ketel of andere gasverbrandingstoestel is aangesloten. De gemeenschappelijke rookgasafvoer is dan gemeenschappelijk eigendom van de eigenaren en het individuele gasverbrandingstoestel is in eigendom bij de individuele VvE-leden zelf. Dit ’gescheiden’ eigendom vraagt extra aandacht van de individuele eigenaren en de VvE bij opdrachten aan installateurs voor het plaatsen en onderhouden van gasverbrandingsinstallaties en afstemming hierover in de VvE. Om het bewustzijn hierover binnen de VvE te vergroten is door het Ministerie van BZK voor eigenaar-bewoners van appartementen een infoblad opgesteld en voor VvE-besturen, VvE-beheerders en woningverhuurders een uitgebreidere handreiking. 8

8 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2017/02/02/handreiking-en-infoblad-gemeenschappelijke-rookgasafvoeren.

In artikel 1.40 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die in het openbaar register worden opgenomen. Op grond van voornoemd artikel bevat het register de aangewezen certificerende instellingen en certificatieschema’s en informatie over certificaathouders. De informatie over de aangewezen certificerende instellingen is van belang zodat het voor (installatie)bedrijven duidelijk is bij welke certificerende instelling zij een certificaat kunnen aanvragen. De informatie over gecertificeerde (installatie)bedrijven is voor particulieren, bedrijven en overheden van belang om snel en eenvoudig te kunnen vaststellen welke bedrijven beschikken over een geldig certificaat om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te voeren. In het register zullen alleen de noodzakelijke gegevens worden opgenomen. Van gecertificeerde bedrijven wordt geregistreerd voor welk certificatieschema en welke werkzaamheden ze zijn gecertificeerd, onder welk nummer het bedrijf is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en wanneer het certificaat is verleend, ingetrokken of geschorst. Ook de geldigheidsduur van het certificaat wordt opgenomen. In het geval van schorsing wordt ook de termijn van schorsing opgenomen. Op basis van vrijwilligheid kan ook de vestigingsplaats worden opgenomen.

In artikel 1.41 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat gecertificeerde bedrijven verplicht zijn een bij ministeriële regeling vastgesteld beeldmerk te voeren en dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over het gebruik van het beeldmerk. Het voor het wettelijk stelsel in afstemming met de sector ontwikkelde beeldmerk betreft een doorontwikkeling van het beeldmerk zoals dat eerder door de sector voor OK CV is ontwikkeld. Omwille van de herkenbaarheid in de markt moeten alle in het kader van het wettelijk stelsel gecertificeerde bedrijven dit beeldmerk voeren. Met dit beeldmerk kunnen zij zich als gecertificeerd bedrijf legitimeren bij hun klanten. Dit beeldmerk dient door deze bedrijven op alle uitingen van het bedrijf die betrekking hebben op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te worden gevoerd, zoals op briefpapier, offertes, website, de bedrijfswagen en andere vormen waarmee het bedrijf zich als in het kader van dit wettelijk stelsel gecertificeerd bedrijf legitimeert.

De Staat kan, als merkhouder, optreden tegen misbruik van het beeldmerk, bijvoorbeeld wanneer een niet gecertificeerd bedrijf het beeldmerk voert.

2.Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving

In het bovenliggende wijzigingsbesluit (Stb. 2020 348) zijn de wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 eveneens verwerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit. Deze drie besluiten zijn de opvolgers van het Bouwbesluit 2012 onder het stelsel van de Omgevingswet. De wijzigingen in die drie besluiten treden in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. De wijzigingen die met de onderhavige regeling worden aangebracht in de Regeling Bouwbesluit 2012, worden onder het stelsel van de Omgevingswet in de Omgevingsregeling opgenomen. De wijzigingen in de Omgevingsregeling worden niet in de onderhavige regeling, maar in een aparte wijzigingsregeling verwerkt. Hierbij is het uitgangspunt dat de wijzigingen uit de onderhavige regeling neutraal en technisch worden omgezet en opgenomen in de Omgevingsregeling.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, Stcrt. 2020, 62676, worden nadere voorschriften gesteld voor de bepalingsmethode van het geluidsniveau van buiten opgestelde installaties voor warmte- en koudeopwekking. Deze wijzigingen houden verband met de wijziging van het Bouwbesluit 2012 1, waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen voor nieuw te plaatsen installaties voor warmte-en koudeopwekking in de buitenruimte. In het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) is het geluidsniveau bepaald waarvan sprake mag zijn op de perceelgrens met een ander (bouwwerk)perceel of op de te openen deuren of ramen op hetzelfde perceel. In de Regeling Bouwbesluit 2012 is vervolgens opgenomen hoe het geluidsniveau van de installaties bepaald moet worden.

1 Stb. 2020, 189 (Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbe-teren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen)

Het vaststellen van het geluidsniveau gebeurt aan de hand van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (hierna: HMRI), genoemd in artikel 3.8, tweede lid, en artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Hierbij wordt uitgegaan van de HMRI 1999 (internetuitgave 2004) en de afwijkende of aanvullende de bepalingsvoorschriften opgenomen in deze wijziging.

Bij het opstellen van de bepalingsmethode is gebruik gemaakt van het LBPsight-rapport ‘Meetmethode geluid van buiten opgestelde installatie voor warmte- of koudeopwekking’ 2.

2 Te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/09/23/meetmethode-geluid-van-buiten-opgestelde-installaties-voor-warmte--of-koudeopwekking

De wettelijke bepalingsmethode is een meting op locatie, zoals gebruikelijk is bij geluidseisen in de bouw- en milieuregelgeving. Dat de wettelijke bepalingsmethode een meetmethode op locatie is, betekent overigens niet dat bij buiten opgestelde installaties daadwerkelijk moet worden gemeten. In de praktijk kan namelijk op basis van akoestische berekeningen of praktijkrichtlijnen aannemelijk worden gemaakt dat voldaan zal worden aan de geluidseis. Dit wordt nu ook al gedaan bij andere geluidseisen uit het Bouwbesluit 2012 en de milieuregelgeving. Naast de wettelijke meetmethode laat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) in overleg met de installatie-sector een praktische rekentool hiervoor maken. Deze rekentool zal aansluiten bij de rekentool die thans al in Duitsland wordt gehanteerd en waarvoor de leveranciers van installaties al de benodigde productinformatie hebben.

Verhouding tot ander recht

Deze wijzigingsregeling houdt verband met de bovenliggende wijziging van het Bouwbesluit 2012 3. Qua inhoud en voorziene inwerkingtreding zijn de wijzigingen daarom op elkaar afgestemd. Daarnaast zal onderhavige wijzigingsregeling ook effect hebben op de Omgevingsregeling 4; de regeling op basis van de Omgevingswet die de Regeling Bouwbesluit 2012 in de toekomst zal vervangen. De bepalingsmethode voor het geluidniveau van installaties voor warmte- en koudeopwekking zal ook worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Dit wordt gedaan door middel van een losse wijzigingsregeling waarin ook andere wijzigingen van de Omgevingsregeling, gerelateerd aan de bouwregelgeving, zijn opgenomen.

3 Stb. 2020, 189 (Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen)

4 Stb. 2019, 56288

Uitvoering en handhaving

De geluidseisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 gelden als er buitenshuis een nieuwe installatie voor warmte- of koudeopwekking wordt geplaatst. Het vervangen van een bestaande installatie valt daar ook onder. Deze regels in het Bouwbesluit 2012, en dus de regels over het bepalen van het geluidsniveau, gelden voor een ieder die de installatie wil (laten) plaatsen. De bestuursrechtelijke handhaving van de regels is belegd bij de gemeente. Het is primair aan de initiatiefnemer om zich er van te vergewissen dat voldaan wordt aan geluidseisen voorafgaande aan de ingebruikneming. Als de installatie (of het bouwwerk waarvan de installatie deel uit maakt) bouwvergunningplichtig is, zal richting bevoegd gezag aannemelijk moeten worden gemaakt dat voldaan wordt aan de geluidseisen. Zoals in paragaaf 1 van de toelichting van de wijzigingsregeling is aangegeven kan dit met de in deze wijzigingsregeling gegeven bepalingsmethode (die een meetmethode op locatie is) of met akoestische berekeningen of praktijkrichtlijnen. Bij vergunning- plichtige bouw is daarmee altijd sprake van een rapportage die ter beoordeling wordt voorgelegd aan de gemeente. Hoewel het publiekrechtelijk niet verplicht is, ligt in de rede dat initiatiefnemers ook bij niet-vergunningplichtige installaties een rapportage (laten) opstellen om zich er zelf van te verzekeren dat wordt voldaan aan de geluidseisen. Bij toezicht of handhaving achteraf door de gemeente, kan zo’n rapportage door de initiatiefnemer worden ingebracht. Ook kan de gemeente zelf achteraf metingen of berekeningen uitvoeren. Het is aan gemeenten invulling te geven aan dit toezicht en handhaving. Dit geldt ook voor de behandeling van klachten of verzoeken tot handhaven van bijvoorbeeld buren. De gemeente (College van Burgemeester en Wethouders) kan bij overtreding van de regels handhaven door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

Sinds de publicatie van de NTA 8800 in juli 2020 en de vaststelling van de BRL’en 9500 en 9501 in november 2019 is er bij de verdere uitwerking en testen van de rekensoftware, en bij de ervaringen met de praktijktest en eerste ervaringen met rekenen vanuit de markt, nog een aantal kleine omissies en interpretatiezaken aan het licht gekomen die verwerkt zijn in interpretatie- en wijzigingsdocumenten. Deze zaken zijn volgens een vooraf overeengekomen procedure en in afstemming met de Projectgroep NTA 8800 en Programmaraad stelsel energieprestatie nu verwerkt in een wijzigingsblad A1 bij de NTA 8800 en wijzigingsbladen van 15 december 2020 bij de BRL’en 9500 en 9501. Zoals al aangegeven betreft het slechts kleine omissies en interpretaties die geen wezenlijk effect hebben op het in juli 2020 vastgestelde stelsel, maar zijn gerepareerd om enkele geconstateerde onduidelijkheden en kleine omissies weg te nemen.

Het betreft bijvoorbeeld het verduidelijken van de term actieve koeling, het eenduidiger vastleggen van allocatieregels bij warmtenetten met meerdere warmteleveranciers en een nuancering bij de bepaling van de zontoetreding bij toepassing van binnenzonwering. Bij de BRL’en 9500-U en 9500-W gaat het met name om het verwijzen naar de meest actuele versie van de opnameprotocollen en NTA 8800 en het verduidelijken van de definities woning en utiliteitsgebouw, alsmede het opnemen van enkele verduidelijkingen bij bijvoorbeeld de projectregistratie en het invoegen van een extra paragraaf onder de kop ‘externe kwaliteitsborging’ in verband met de door de Raad van Accreditatie vereiste aansluiting van de gebruikte terminologie bij ISO17000:2020. Ook bij de BRL 9501 gaat voornamelijk om enkele wijzigingen in verband met de door de Raad van Accreditatie vereiste aansluiting van de gebruikte terminologie bij ISO17000:2020, namelijk een toegevoegde paragraaf bij de procedure voor het verkrijgen van het attest alsmede een toegevoegde paragraaf onder de kop ‘externe kwaliteitsborging’.

De onderhavige regeling wijst nieuwe wijzigingsbladen aan bij de al eerder in de regelgeving opgenomen bepalingsmethode en beoordelingsrichtlijnen 5. De beoordelingsrichtlijnen van 15 april 2020 betreffen dezelfde beoordelingsrichtlijnen die eerder aangeduid werden als de beoordelingsrichtlijnen van 28 november 2019. Voortaan wordt niet langer de datum van vaststelling door het Centraal College van Deskundigen van stichting InstallQ genoemd in de verwijzing, maar de datum van bindendverklaring. Tussen de datum van vaststelling en de datum van bindendverklaring kunnen nog wijzigingen in de beoordelingsrichtlijnen plaatsvinden. Dat verklaart de nieuwe datum in de verwijzingen. Voor de wijzigingsbladen geldt dat deze de wijzigingsbladen van 1 juli 2020 vervangen.

5 Zie daarvoor Stcrt. 2020, 57490 en Stcrt. 2020, 37764

u.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, Stcrt.2020 66974, is van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aangestuurde NEN-normen en NEN-EN-normen een nieuwe versie van toepassing verklaard of is een correctie van de aansturing doorgevoerd. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie. Ook is een enkele norm die niet meer in het Bouwbesluit 2012 wordt aangestuurd, vervallen. Verder is artikel 2.3 over het zelfsluitend zijn van deuren vervallen omdat dit onderwerp voortaan in artikel 6.26 van het Bouwbesluit 2012 is geregeld [Stb. 2020, 189]. Voorts zijn de nadere voorschriften bij NEN EN 1997-1 bij verbouw en bestaande bouw vervallen. Met deze regeling vindt ook een beperkte aanpassing plaats in de voorschriften voor certificatieschema’s bij het stelsel voor certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Daarnaast is een verduidelijking aangebracht in bijlage VII bij de Regeling Bouwbesluit 2012 en is het ten onrechte vervallen van een zinsnede in artikel 3.3a van de Regeling bouwbesluit 2012 hersteld.

v.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 februari 2021, nr. 2021-0000069476 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een overgangsregeling voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 7104
1.Inleiding

Per 1 januari 2021 is de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen in werking getreden, NTA 8800 [Stcrt. 2020, 57490]. Een energieadviseur moet vakbekwaam zijn om met deze methode te mogen werken en opnames en registraties te mogen doen ten behoeve van de BENG- berekening en het energielabel. Om het bewijs van vakbekwaamheid te behalen moeten verschillende examenmodules met goed gevolg worden afgelegd. Deze examenmodules worden aangeboden door CITO en ’t Examenpark. Sinds de lockdown van 16 december 2020 in verband met de COVID-19 pandemie (en verlenging hiervan op 12 januari en 2 februari 2021) is tot en met minimaal 2 maart 2021 fysiek examineren bij de exameninstellingen niet mogelijk.

Tijdens een lockdown is in verband met de strikte coronamaatregelen uitsluitend thuisexaminering mogelijk om adviseurs hun bewijs van vakbekwaamheid te laten behalen. Een deel van de modules, te weten de software- en casusmodules, kan echter niet op korte termijn digitaal worden afgenomen met thuisexaminering. Hierdoor kan het aantal adviseurs dat het bewijs van vakbekwaamheid heeft behaald voor de nieuwe bepalingsmethode niet verder groeien. Enkel met een overgangsregeling waarbij het behalen van het software examen niet vereist is, kan een persoon die wel al de modules voor het doen van de opname heeft behaald aan het werk. Dit zorgt er tegelijkertijd voor dat de focus gelegd kan worden op het ontwikkelen van een casusmodule voor thuisexaminering, waardoor deze sneller beschikbaar kan zijn.

Het mogen opnemen van de energieprestatie door personen die werkzaam zijn voor een certificaat- houder, nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald, maar wel aantoonbaar in staat zijn deze opname te doen, was al toegestaan onder de overgangsregeling van december 2020 [Stcrt. 2020, 66972]. In de onderhavige regeling is bepaald dat deze personen tot 1 juli 2021 (gelijk aan de einddatum van voornoemde overgangsregeling) ook de registratie van de energieprestatie voor energielabels mogen doen. Daarnaast is op gelijke wijze in de Regeling Bouwbesluit 2012 geregeld dat personen die werkzaam zijn voor een certificaathouder, of een bedrijf dat een certificaat heeft aangevraagd, die nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald, maar wel aantoonbaar in staat zijn deze opname te doen, BENG-berekeningen mogen maken en registreren. Met het tijdelijk niet vereisen van het behaald hebben van de software-modules komen er meer adviseurs beschikbaar, ongeacht een eventuele extra verlenging van de lockdown. De kwaliteit van de geregistreerde energieprestatieberekeningen en energielabels wordt geborgd middels het voorschrijven van aanvullende controles door de certificaathouder op de eerste twee registraties gedaan door personen die gebruik maken van deze overgangsregeling.

w.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 juni 2021, nr. 2021-0000319006 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een verlenging van de overgangsregelingen voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 32830

Met deze wijzigingsregeling zijn bestaande overgangsregelingen1 in de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 verlengd met vier maanden.

Van de circa 1.100 energieadviseurs eind mei 2021 maakten nog circa 150 energieadviseurs gebruik van de overgangsregeling. Gezien de krapte aan vakbekwame energieadviseurs is het belangrijk dat deze adviseurs aan het werk kunnen blijven. Zij krijgen met deze verlenging vier maanden extra de tijd om het examen voor de software module te behalen om ook na 1 november 2021 aan het werk te kunnen blijven.

De inhoud van de overgangsregelingen wijzigt met de onderhavige regeling niet, zij worden alleen verlengd. De overgangsregeling in de Regeling energieprestatie gebouwen houdt in dat personen die werkzaam zijn voor een certificaathouder, en nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald, maar wel aantoonbaar in staat zijn deze opname te doen, de opname en registratie van de energieprestatie ten behoeve van energielabels mogen doen. Op grond van de overgangsregeling in deze regeling mogen personen die werkzaam zijn voor een certificaathouder, of een bedrijf dat een certificaat heeft aangevraagd, en die nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald, maar wel aantoonbaar in staat zijn deze opname te doen, BENG-berekeningen maken en registreren. Adviseurs zijn hiertoe aantoonbaar in staat wanneer zij alle examenmodules hebben behaald die voor het opnemen van de energieprestatie voor het van toepassing zijnde deelgebied en basis- of detailniveau vereist zijn. De software modules (W4b, W4d, U4b, U4d) zijn niet vereist2.

Bij een controle door de certificerende instelling op de vakbekwaamheid moet door de certificaathouder bewijs van het behalen van de vereiste examenmodules kunnen worden overlegd. Om de energieprestatie in EP-online te kunnen registreren moet de vakbekwaamheid worden aangegeven. Omdat voor een persoon die gebruikmaakt van de overgangsregeling hier nog geen sprake van is dient bij het aanvinken van de vakbekwaamheid de lettertoevoeging ‘O’ (voor overgangsregeling) achter het examennummer worden geplaatst. Wanneer het bewijs van vakbekwaamheid wordt behaald kan de adviseur deze lettertoevoeging weer verwijderen.

Om de kwaliteit van de geregistreerde energielabels te waarborgen is in de overgangsregelingen voorgeschreven dat de certificaathouder aanvullend in ieder geval de eerste twee geregistreerde energieprestaties controleert van een persoon die gebruik maakt van de overgangsregeling. Met ‘aanvullend’ wordt tot uitdrukking gebracht dat het gaat om extra controles, dus bovenop de interne audits die op grond van paragraaf 6.1 van BRL 9500-W en BRL 9500-U moeten worden uitgevoerd. Het gaat om een beoordeling van het dossier in verband met een correcte registratie, en niet om een beoordeling op locatie. Wanneer de kwaliteit van een geregistreerde energieprestatie onvoldoende is zal de certificaathouder dit vroeg constateren en laten herstellen. Op grond van paragraaf 6.1 van BRL 9500-W en BRL 9500-U dient de registratie in het geval van een kritieke afwijking opnieuw gedaan te worden en vindt een extra controle plaats. Het verdient aanbeveling dat deze controle plaatsvindt op de eerstvolgende registratie die de persoon werkzaam onder de overgangsregeling doet. De certificaathouder kan er aanvullend voor kiezen om deze rapporten door de certificerende instelling te laten controleren. De certificaathouder blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit. De certificaathouder legt de resultaten van de controle vast ten behoeve van de certificerende instelling.

1 Stcrt. 2020, 66972 en Stcrt. 2021, 7104.

2 Een overzicht van de benodigde examenmodules is door ISSO gepubliceerd op https://isso.nl/kennis/ep.

x.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236

Deze wijziging van de Regeling bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling (hierna: deze regeling) vormt een nadere uitwerking van het Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84). Voornoemd wijzigingsbesluit betreft de implementatie van de herziene richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen (Richtlijn (EU) 2018/2010 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 ter wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75)). Deze herziene richtlijn (hierna ook: EPBDIII) bevat in artikel 15, eerste lid, een verplichting voor lidstaten om de nodige maatregelen te treffen voor het instellen van regelmatige keuringen van de toegankelijke delen van airconditioningsystemen of gecombineerde airconditionings- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW. 1 2 De keuring omvat een beoordeling van het rendement en de dimensionering van het airconditioningsysteem ten opzichte van de koelingsbehoeften van het gebouw. Hierbij wordt rekening gehouden met het vermogen van het systeem en het optimaliseren van prestaties onder typische of gemiddelde werkingsomstandigheden. Een verslag van de keuring met aanbevelingen dient overhandigd te worden aan de eigenaar of huurder. Ook dient diegene die de keuring verricht deskundig en onafhankelijk te werk te gaan. De uitwerking van de keuringsmethodiek en de eisen voor de keuringsdeskundige gebeurt bij ministeriële regeling, waarvan deze regeling het voortvloeisel is. 3

1 artikelen 6.60 en 6.62 Bouwbesluit 2012 en artikelen 6.37 en 6.27a Besluit bouwwerken leefomgeving.

2 Wanneer er in het gebouw een gebouwautomatiserings- en controlesysteem (hierna: GACs) aanwezig is dat voldoet aan de eisen, dan vervalt de keuringsplicht voor zowel de verwarmings- als de airconditioningsinstallatie. Dat geldt ook als het gebouw deel uitmaakt van een energieprestatiecontract dat voldoet aan de eisen.

3 Voor de uitwerking van de beroeps- en kwalificatie-eisen voor de verwarmingskeuringsdeskundigen, zodat deze voldoen aan de EPBDIII-verplichtingen, is een SCIOS-certificeringsregeling aangewezen. Dit maakt daarom geen onderdeel uit van onderhavige wijzigingsregeling.

De EPBDIII is op 10 maart 2020 in werking getreden in Nederland. De keuringsverplichtingen voor airconditioningsystemen zijn hierin herzien. Voor de periode van 10 maart 2020 tot en met 10 maart 2022 geldt echter overgangsrecht 1 waarbinnen de oude keuringsmethodiek nog gebruikt mag worden. Hier is voor gekozen, omdat de voorbereidingstijd voor de nieuwe methodiek relatief kort was met het oog op goede uitvoering. Het was namelijk niet mogelijk om opleidingen, examens en praktische middelen voor de uitvoering van keuringen tijdig aan te passen.

In 2020 heeft een adviescommissie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geadviseerd over de benodigde aanpassingen van de keuringsmethodiek en de deskundigheidseisen, zodat wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de EPBDIII. De adviescommissie bestaat uit een brede werkgroep met daarin vertegenwoordigers van De Nederlandse Verwarmingsindustrie, NVKL branchevereniging luchtbehandeling en koudetechniek, Techniek Nederland en VLA / Binnenklimaat Nederland, Hogeschool Aeres en het Rijksvastgoedbedrijf. De Minister heeft hun advies overgenomen en neemt de benodigde aanpassingen op in de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling via onderhavige wijziging. De keuringsmethodiek en de deskundigheidseisen zijn op drie elementen aangepast. Allereerst zijn ze uitgebreid zodat ook gecombineerde ventilatiesystemen hieronder vallen. Ten tweede zijn ze uitgebreid zodat het verwarmingsdeel van gecombineerde verwarmings- en airconditioningssystemen hieronder valt. Ten slotte is de beschrijving in bijlage IV bij de Regeling Bouwbesluit 2012 verduidelijkt en vereenvoudigd. Dit komt de uitvoering van keuringen ten goede.

In Bijlage IV bij de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn de aanpassingen van de keuringsmethodiek en de deskundigheidseisen verwerkt. De bijlage bevat een inspectielijst en een advieslijst. De inspectielijst geeft aan hoe de keuring inhoudelijk vormgegeven moet worden en welke aspecten van een airconditioningssystemen in de keuring bekeken moeten worden. De advieslijst geeft aan welke adviezen gegeven moeten worden aan de eigenaar of gebruiker van het systeem wanneer de inspectie laat zien dat het systeem niet optimaal functioneert.

Tot slot beoogt onderhavige wijzigingsregeling eventuele onduidelijkheid over de afbakening tussen de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen weg te nemen. Systemen waarbij een installatie met een warmtepomp zowel ruimteverwarming- als koeling verzorgt, vallen onder het keuringsregime van airconditioningssystemen en gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen. Systemen waarbij een ventilatiesysteem gecombineerd is met zowel een verwarmingssysteem als een airconditioningsysteem, worden alleen gekeurd volgens het keuringsregime van airconditioningssystemen en gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen.

1 Zie artikel 6.37a van het Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84).

In onderhavige regeling zijn de beroeps- en kwalificatie-eisen van de deskundigen aangepast zodat deze aansluiten op de gewijzigde keuringsmethodiek. Dit betekent allereerst dat de exameneisen voor de diploma’s EPBD-A en EPBD-B zijn gewijzigd in bijlage V bij de Regeling Bouwbesluit 2012. Het examen EPBD-A diploma richt zich vooral op praktische handelingen, controles en bevindingen. Het examen EPBD-B richt zich op theoretische beoordelingen, analyses en bevindingen. De voornaamste wijzigingen van de exameneisen betreffen de bepaling van het nominaal vermogen op systeemniveau, de beoordeling van onderhoud, regelingen en elementen van het ventilatiesysteem en regelingen en elementen van het systeem bedoeld voor verwarming bij gecombineerde systemen.

Voor deskundigen in het bezit van een recent verlopen EPBD-A en/of EPBD-B diploma wordt het mogelijk gemaakt met een bijscholingsexamen een nieuw diploma te verkrijgen. Wanneer het diploma niet meer dan twee jaar verlopen is kan dit op dezelfde manier als voor een nog geldig diploma. Het EPBD-A en/of EPBD-B diploma is vervolgens weer vijf jaar geldig vanaf het moment dat het examen is behaald. Gebouweigenaren of huurders hadden al de mogelijkheid om een overzicht te verkrijgen van geregistreerde deskundigen met een geldig diploma EPBD-A en/of EPBD-B diploma. Zo kunnen gebouweigenaren of huurders controleren of een keurmeester bevoegd is om de keuring van het airconditioningsysteem of het gecombineerde airconditioning- en ventilatiesysteem uit te voeren. Om de toegankelijkheid van keuringen te vergroten wordt deze lijst nu ook regelmatig gepubliceerd op internet.

De onderhavige regeling vormt een uitwerking van het Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84). Voorgenoemd wijzigingsbesluit betreft de implementatie van de herziene richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen (Richtlijn (EU) 2018/2010 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 ter wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75)). De onderhavige regeling wijzigt de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling. De wijzigingen van de Omgevingsregeling zullen in werking treden op het moment dat de Omgevingswet in werking zal treden.

Voorliggende regeling betreft een implementatie van een richtlijn welke uiterlijk op 10 maart 2022 in werking moet treden, op grond van het eerder vastgestelde Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84). Deze regeling wijzigt de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling. Artikel I van deze regeling zal op 10 maart 2022 in werking treden. Op het tijdstip dat de Omgevingsregeling in werking zal treden, zal artikel II van deze regeling in werking treden.

y.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236

Inleiding

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 vormt de nadere uitwerking van het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie (Stb. 2021, 658) (hierna ook: het wijzigingsbesluit). Het wijzigingsbesluit betreft implementatie van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PbEU 2018, L 382)). Deze herziene richtlijn (hierna ook: REDII) bevat in artikel 15, vierde lid, een verplichting voor lidstaten om een hoeveelheid hernieuwbare energie voor te schrijven bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie. Voor nieuwbouw is dit geïmplementeerd met het Besluit van 13 december 2019, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501), ofwel Besluit BENG. Op grond van dat besluit geldt vanaf 1 januari 2021 een eis voor een minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie. Voor ingrijpende renovatie is de verplichting geïmplementeerd met het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie (Stb. 2021, 658), waarvan deze regeling de uitwerking betreft.

Hoofdlijnen van de regeling

Leidraad

In de onderhavige wijzigingsregeling is de ‘Leidraad eis hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie’ aangewezen. Deze leidraad beoogt het werken met de eis en de uitzonderingen in de praktijk te vereenvoudigen voor betrokken partijen zoals het bevoegd gezag, projectontwikkelaars, architecten, bouwkundige adviseurs en energieadviseurs of (bouwtechnische) vastgoedbeheerders en gebouweigenaren. Inhoudelijk biedt de leidraad een praktisch stappenplan voor de partijen die te maken krijgen met de eis. Aan de hand van een stroomschema wordt geïllustreerd wanneer de eis van toepassing is. Hierin zijn verwijzingen opgenomen per onderdeel naar de betreffende toelichting in de leidraad. Daarnaast worden de uitzonderingssituaties nader toegelicht waarbij de leidraad fungeert als aangewezen middel om aan te tonen of er sprake is van een uitzonderingssituatie. Ten slotte worden veelvoorkomende situaties nader uitgelegd aan de hand van een aantal praktische voorbeelden.

Verhouding tot hoger en ander recht

De onderhavige regeling vormt uitwerking van artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012, zoals dat luidt na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie. De uitwerking van artikel 5.20 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zoals dat luidt na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Dit gebeurt middels een aparte ministeriële regeling.

Inwerkingtreding

De regeling treedt gelijktijdig in werking met de wijzigingen in het Bouwbesluit 2012, opgenomen in het wijzigingsbesluit (het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie (Stb. 2021, 658)). Voorliggende regeling betreft een implementatie van een richtlijn welke uiterlijk op 30 juni 2021 geïmplementeerd dient te zijn in nationale regelgeving. In verband hiermee wordt afgeweken van de minimuminvoeringstermijn en de vaste verandermomenten.

z.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 24 februari 2022, nr. 2022-0000078435, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van de actuele versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, Stcrt. 2022, 6293

De Bepalingsmethode milieuprestatie gebouwen en GWW-werken (hierna: de Bepalingsmethode) wordt gebruikt voor de berekening van de milieuprestatie van bouwwerken. In artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012 is de wettelijke eis opgenomen waaraan bouwwerken moeten voldoen wat betreft de milieuprestatie. In artikel 3.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012 is vastgesteld op welke manier deze milieuprestatie moet worden berekend. Met deze wijziging is de nieuwe versie van de Bepalingsmethode aangewezen in de Regeling Bouwbesluit 2012 voor de toepassing van artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012.De milieuprestatie wordt ingezet om de milieueffecten van het materiaalgebruik bij de bouw te verminderen, momenteel van nieuwe woningen, woongebouwen en kantoren. Een verlaging van de milieudruk van het materiaalgebruik in een gebouw leidt tot een betere milieuprestatie. De aanvrager van een vergunning voor het bouwen zal met een berekening moeten kunnen aantonen dat de streefwaarde voor de milieuprestatie, zoals gesteld in het Bouwbesluit 2012, niet wordt overschreden. Met de voorliggende wijziging is ook de Regeling omgevingsrecht aangepast. De Bepalingsmethode wordt namelijk ook toegepast op grond van artikel 2.2, vierde lid, onder b, van de Regeling omgevingsrecht bij de aanvraag van vergunningen voor een bouwactiviteit. Deze bepaling schrijft voor dat ten behoeve van toetsing aan het Bouwbesluit 2012 gegevens en bescheiden dienen te worden aangeleverd over de milieubelasting van het gebouw door de toe te passen materialen, bepaald volgens de Bepalingsmethode. Door deze wijziging wordt ook in dit artikel de nieuwe versie van de Bepalingsmethode aangewezen, zodat de juiste versie zal worden gebruikt bij de aanvraag van vergunningen voor een bouwactiviteit. De meest recente aanpassing van de Bepalingsmethode heeft twee doelen:

  • Verlaging van de milieudruk van bouwwerken door het stimuleren van de toepassing van circulaire maatregelen;
  • Actualisering van de Bepalingsmethode aan nieuwe inzichten met betrekking tot de berekening van de milieu-impact van bouwwerken. De wijziging geeft uitvoering aan de beleidsvoornemens die genoemd zijn in de brief van 19 oktober 2019 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer. De Bepalingsmethode wordt beheerd door de onafhankelijke stichting Nationale Milieu Database (hierna: stichting NMD). Het bestuur van de stichting NMD stelt de Bepalingsmethode vast, waarna deze wordt aangewezen in de regelgeving. In dit proces worden de belanghebbende partijen (opdrachtgevers, ontwerpers en adviseurs, leveranciers en bouwers) intensief betrokken.

In de genoemde wijziging van de Bepalingsmethode zitten maatregelen die leiden tot de bevordering van verlaging van de milieudruk van bouwproducten en bouwwerkinstallaties en een betere zichtbaarheid van circulaire maatregelen. De onderhavige aanwijzing maakt het mogelijk om het effect van hergebruikte producten en materialen op de milieubelasting van een bouwwerk zichtbaar te maken. Met name partijen die sterk inzetten op circulaire maatregelen voor de beperking van de milieudruk van bouwwerken worden hiermee ondersteund. In het kort is de Bepalingsmethode als volgt gewijzigd:

a.Bepalingsmethode, versie 1.0 (juli 2020): actualisatie van de Bepalingsmethode door het volgen van een wijziging van de EN15804 en enkele regels in de Bepalingsmethode die het gebruik van grondstoffen beschrijven om de circulaire maatregelen zichtbaar te kunnen maken in de gegevens-uitvoer;
b.Wijzigingsblad van 1 oktober 2020 bij de Bepalingsmethode: regels voor de berekening van de milieueffecten van hergebruik binnen de milieuprestatie en verwijzing naar een richtlijn voor bepaling van een specifieke gebouwlevensduur anders dan de forfaitaire levensduur;
c.Wijzigingsblad van 1 februari 2021 bij de Bepalingsmethode: aanpassing van enkele achterliggende bestanden in de Milieudatabase zelf, zodat meer soorten milieudata van bouwproducten kunnen worden opgenomen in de Milieudatabase;
d.Wijzigingsblad van 1 oktober 2021 bij de Bepalingsmethode: actualiseren en verduidelijken van enkele administratieve regels en definities.

Ad a) actualisatie van de Bepalingsmethode vanwege wijziging EN15804 en wijziging enkele regels

De actualisatie van de Bepalingsmethode vanwege de wijziging van de EN 15804 heeft betrekking op de wijze waarop leveranciers van bouwproducten hun informatie doorgeven aan de stichting NMD1. Dit heeft geen gevolgen voor de milieuprestatie van een bouwwerk. De wijziging van enkele regels heeft betrekking op de gegevensuitvoer bij een berekening met de Bepalingsmethode. Met deze wijziging kan naast de milieuprestatie van een bouwwerk ook zichtbaar worden gemaakt bij welke materialen en producten in een bouwwerk sprake is van hergebruik van secundaire grondstoffen. Dit heeft geen gevolgen voor de milieuprestatie van een bouwwerk.

Ad b) berekening van de milieueffecten van hergebruik en verlenging levensduur

De wettelijke streefwaarde voor de milieuprestatie kan worden gerealiseerd met maatregelenpakketten waarbij gebruik wordt gemaakt van de forfaitaire levensduur van het gebouw en zonder scenario’s voor maatregelen voor hergebruik van gebouwelementen na sloop2. De wettelijke streefwaarde is de milieuprestatie die een bouwwerk moet behalen. De milieuprestatie wordt berekend met behulp van de Bepalingsmethode. In deze berekening wordt de omvang van de effecten van een 11-tal milieucategorieën berekend (zoals klimaateffect, uitputting primaire grondstoffen en afvalproductie) voor het materiaalgebruik. Deze worden gewogen opgeteld en omgerekend naar m2 gebruiksoppervlakte tot één getal voor de integrale milieuprestatie. Dat is de milieuprestatie van het bouwwerk. Met de wettelijke streefwaarde worden de schadelijke milieueffecten van het materiaalgebruik bij nieuwbouw verminderd. In het wijzigingsblad is uitgewerkt hoe hergebruik een plek heeft gekregen binnen de milieuprestatie. De uitvoerder van een berekening van de milieuprestatie kan hiermee hergebruik specifieker invullen, waarmee een accuratere berekening kan worden gemaakt van de milieuprestatie van het bouwwerk, bij hergebruik van bouwmaterialen en -producten. Voor de gebouwlevensduur wordt in de nieuwe versie van de Bepalingsmethode verwezen naar een richtlijn voor de bepaling van een specifieke gebouwlevensduur, als men af wil wijken van de forfaitaire levensduur3. Een verlenging van de levensduur van het gebouw kan leiden tot een verbetering van de milieuprestatie van een gebouw, maar nooit tot een verslechtering. Een bouwer die met de nu beschikbare materialen en bouwmethoden aan de milieuprestatie-eis wil voldoen kan dit realiseren. Voor een bouwer die juist een stap duurzamer wil bouwen dan de wettelijke eis, geeft deze wijziging meer mogelijkheden om de extra milieuprestatie van zijn bovenwettelijke inspanningen zichtbaar te krijgen in de berekende milieuprestatie. De wijziging kan leiden tot een verschuiving in de toepassing naar materialen en bouwmethoden die leiden tot een langere gebouwlevensduur en grotere toepassing van hergebruik na sloop.

Ad c) aanpassing achterliggende databestanden

Deze maatregel is gericht op de stichting NMD. De databestanden in de Milieudatabase worden centraal door de stichting NMD beheerd en worden doorgegeven aan de rekensoftware. De aanpassing heeft geen invloed op de milieuprestatie van een bouwwerk.

Ad d) actualiseren en verduidelijken van enkele administratieve regels, definities

Dit heeft geen gevolgen voor de milieuprestatie van een bouwwerk.

1 De EN15804 is een Europese norm voor het maken van de levenscyclusanalyse van bouwmaterialen en -producten die gebruikt wordt in de Bepalingsmethode. De Bepalingsmethode volgt de EN15804 in het kader van Europese uniformiteit.

2 De wettelijke streefwaarde is neergelegd in artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012 en in artikel 4.159 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Meer informatie over de milieuprestatie is te vinden op de website van de stichting NMD, https://milieudatabase.nl/.

3 Onderzoek ‘Richtlijn specifieke gebouwlevensduur’; bedoeld voor toepassing bij de milieuprestatieberekening; W/E adviseurs; Utrecht, december 2020, https://milieudatabase.nl/wp-content/uploads/2021/03/Onderzoeksrapport-Richtlijn-specifieke-gebouwlevensduur-december-2020.pdf.

De wijzigingsregeling treedt in werking met ingang van 1 april 2022. Dat is in overeenstemming met het systeem van de vaste verandermomenten. De wijzigingen zijn deels al geruime tijd geleden vastgesteld door de stichting NMD. Dat betekent dat partijen in de bouwsector bij in voorbereiding zijnde bouwwerken al met deze wijzigingen werken. Om die reden wordt belang gehecht aan een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van artikel I en II van de wijzigingsregeling waar de berekening van de wettelijke milieuprestatie in wordt gewijzigd. Bij deze wijzigingsregeling is er deels rekening gehouden met de formele voorbereidingstijd voor het bouwbedrijfsleven, maar niet met de volle twee maanden vanaf de vaststelling van deze regeling. Er wordt in dat verband op gewezen dat de regeling met de notificatie openbaar is gemaakt en partijen dus vanaf dat moment kennis hebben kunnen nemen van de regeling.

aa.Regeling van de de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 april 2022, nr. 2022-0000156915] tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800

Op 1 januari 2021 is de energieprestatiebepalingsmethode NTA 88001 in werking getreden. Sinds die datum gelden ook nieuwe versies van de beoordelingsrichtlijnen 9500-U, 9500-W en 9501. De BRL 9500-U en 9500-W betreffen nationale beoordelingsrichtlijnen waarin certificatieschema’s zijn beschreven die worden gehanteerd door elke certificatie-instelling die daarvoor door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd binnen het Stelsel Energieprestatie Gebouwen (hierna: Stelsel EPG). Het betreft één beoordelingsrichtlijn voor utiliteitsgebouwen (BRL 9500-U) en één voor woningen en woongebouwen (9500-W). De BRL 9501 bevat de methoden voor het berekenen van het energiegebruik van gebouwen. De onderhavige regeling wijst een nieuwe versie aan van de al eerder in de regelgeving opgenomen bepalingsmethode NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij de eerder in de regelgeving opgenomen versies van beoordelingsrichtlijnen.

Sinds de publicatie van NTA 8800:2020+A1:2020 en de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2021, evenals het bindend verklaren van de BRL-en 9500-W, 9500-U en 9501 in april 2020, is er bij de verdere uitwerking en testen van de rekensoftware, en de ervaringen vanuit de markt, een aantal omissies en interpretatiezaken aan het licht gekomen die verwerkt zijn in interpretatie- en wijzigingsdocumenten. Daarnaast zijn, op verzoek van de markt, een aantal inhoudelijke wijzigingen aangebracht op onderwerpen waarvoor, sinds de totstandkoming van NTA 8800, nieuwe inzichten zijn verkregen of ten aanzien van nieuwe technieken die zich hebben bewezen. De inhoudelijke wijzigingen betreffen bijvoorbeeld het verduidelijken van de definitie van kleine warmtenetten, het opnemen van ‘vrije koeling’ als hernieuwbare energie en het nauwkeurig mogen berekenen van de leidinglengte bij woningbouw.

Deze omissies, interpretaties en nieuwe zaken zijn volgens een vooraf overeengekomen procedure en in afstemming met de Projectgroep NTA 8800 en de Programmaraad Stelsel Energieprestatie Gebouwen (hierna: Programmaraad) nu verwerkt in NTA 8800:2022, en in nieuwe wijzigingsbladen bij de BRL-en 9500-W, 9500-U en 9501.

De wijzigingen die verwerkt zijn in NTA 8800:2022 hebben geen of een zeer klein effect op de BENG2 -eisen, TOjuli-eis3 en de labelklassengrenzen van het Stelsel EPG. In het geval een klein effect is geconstateerd is het belang van deze aanpassing afgewogen in het kader van het stimuleren en toestaan van innovaties en nieuwe technieken.

De nieuwe versie van NTA 8800 werkt door in de verschillende beoordelingsrichtlijnen waardoor nieuwe wijzigingsbladen worden vastgesteld. Bij de BRL-en 9500-U en 9500-W gaat het met name om het verwijzen naar de meest actuele versie van de opnameprotocollen en NTA 8800 en het verhelderen van zaken in de BRL die in de praktijk discussie opriepen. In de opnameprotocollen zijn de aanpassingen doorgevoerd die voortvloeien uit de nieuwe versie van NTA 8800. Bij de BRL 9501 gaat het voornamelijk om het toevoegen van een aantal rekentesten waaraan de software moet voldoen.

1 Versie NTA 8800:2020+A1:2020.

2 Bijna energieneutrale gebouwen’; Stb. 2019, 501 en Stcrt. 2020, 37764.

3 TOjuli betreft de waarde voor risico op oververhitting in woningen.

ab.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 april 2022 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, houdende nadere regels inzake kwaliteitsborging voor het bouwen, Stcrt. 2022, 10958

Deze regeling is een uitwerking van het Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: het Besluit) en wijzigt de Regeling Bouwbesluit 2012 (hierna Rb). In deze regeling wordt uitwerking gegeven aan:

  • de opleiding, kennis en ervaring van de kwaliteitsborger;
  • de administratieve organisatie van de kwaliteitsborger:
  • de bewaarplicht van de kwaliteitsborger van relevante gegevens en bescheiden;
  • de informatie die de kwaliteitsborger dient te verstrekken aan de instrumentaanbieder;
  • het formulier voor de verklaring van de kwaliteitsborger;
  • de verdeelsleutel voor de jaarlijkse bijdrage per instrumentaanbieder in de toezichtkosten.
In deze regeling is de nadere uitwerking opgenomen die nodig is met het oog op de voorbereiding op de invoering van het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen. Het gaat hierbij om de artikelen die de toelatingsorganisatie nodig heeft om met haar voorbereidende werkzaamheden te beginnen. Het is de bedoeling dat het gehele stelsel voor kwaliteitsborging voor het bouwen op 1 januari 2023 in werking treedt, gelijktijdig met de Omgevingswet. Voor een algemene toelichting kan worden verwezen naar hoofdstuk 1 van de nota van toelichting bij het Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen.
ac.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2023, nr. 2023-0000223264 tot wijziging van de Omge-vingsregeling en enkele andere regelingen in verband met een nieuwe versie van NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij BRL 9500 en BRL 9501, Stcrt. 2023, 12584

Op 1 januari 2021 is de energieprestatiebepalingsmethode Nederlandse Technische Afspraak 8800 (NTA 88001) in werking getreden. Sinds die datum gelden ook nieuwe versies van de beoordelingsrichtlijnen (BRL-en) 9500-U, 9500-W en 9501. De BRL-en 9500-U en 9500-W betreffen nationale beoordelingsrichtlijnen waarin certificatieschema’s zijn beschreven die worden gehanteerd door elke certificatie-instelling die daarvoor door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd binnen het Stelsel Energieprestatie Gebouwen (hierna: Stelsel EPG). Het betreft één beoordelingsrichtlijn voor utiliteitsgebouwen (BRL 9500-U) en één voor woningen en woongebouwen (BRL 9500-W). De BRL 9501 bevat de methoden voor het berekenen van de energieprestatie van gebouwen. De onderhavige regeling wijst een nieuwe versie aan van de energieprestatiebepalingsmethode NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij de eerder in de regelgeving opgenomen versies van de genoemde beoordelingsrichtlijnen. Sinds de publicatie van NTA 8800:2020+A1:2020 en de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2021, en sinds de bindend verklaring van de BRL-en 9500-W, 9500-U en 9501 in april 2020, is in 2021 al een aantal omissies en interpretatiezaken verwerkt en zijn enkele nieuwe zaken verwerkt. Dit heeft geresulteerd in de NTA 8800:2022, en in nieuwe wijzigingsbladen bij de BRL-en 9500-W, 9500-U en 9501, die sedert 1 juni 2022 zijn aangewezen in de bouwregelgeving (Stcrt. 2022, 8634).

In de met de onderhavige regeling aangewezen versie van NTA 8800 (NTA 8800:2023) en in de nieuwe wijzigingsbladen zijn wederom een aantal interpretatiezaken verduidelijkt, enkele vereenvoudigingen doorgevoerd en enkele beleidsmatige zaken doorgevoerd. Om met de beleidsmatige zaken te beginnen: ten eerste is de standaard voor woningisolatie2 in de NTA 8800:2023 opgenomen, mede omdat deze tot uitdrukking komt op het energielabel voor woningen. Daarnaast is – in gezamenlijk overleg tussen de Ministeries Infrastructuur & Waterstaat, Economische Zaken en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) – een eenduidige ondergrens aangegeven (100 kW thermisch vermogen) voor biomassa-gestookte inrichtingen die als volledig hernieuwbaar worden gewaardeerd. Deze ondergrens vervangt de eerdere niet eenduidige grens dat de inrichting onder het Activiteitenbesluit milieubeheer moest vallen, hetgeen tot veel vragen leidde. Verder zijn beleidsmatige criteria toegevoegd om de inzet van de zogenoemde elektrode-boilers in warmtenetten beter te waarderen bij specifieke inzet tijdens pieken van opwek van hernieuwbare elektriciteit. Tot slot is in de gewijzigde BRL 9500 de mogelijkheid geboden om bij aanvraag Omgevingsvergunning (bij de BENG-berekening3) gebruik te kunnen maken van goed onderbouwde waardes die afwijken van forfaitaire waardes in NTA 8800 (van collectieve of gemeenschappelijke installaties of installatie-onderdelen voor verwarming, warmtapwater of ventilatie) zonder dat daarbij de voorwaarde geldt dat er een BCRG4 -goedgekeurde kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring beschikbaar is. Wel wordt daarbij de kanttekening gemaakt dat een dergelijke BCRG-verklaring bij oplevering (en ten behoeve van het energielabel) dan wél overlegd moet worden.

Naast deze beleidsmatige zaken zijn ook een aantal verduidelijkingen, vereenvoudigingen en inhoudelijke wijzigingen in de NTA 8800:2023 (en – indien aan de orde – de bijbehorende opnameprotocollen ISSO-publicaties 75.1 en 82.1) doorgevoerd. Bij verduidelijkingen is bijvoorbeeld beter omschreven hoe wordt omgegaan met situaties waarbij meerdere opweksystemen aanwezig zijn binnen één ruimte en is de schematisering van gemeenschappelijke ruimtes beter omschreven. Daarnaast is een aantal vereenvoudigingen doorgevoerd waarbij eerder specifieke zaken door de adviseur moesten worden uitgezocht en ingevoerd die echter veelal nauwelijks effect op de eindresultaten gaven. Voor die aspecten zijn nu vaste of forfaitaire waarden in de bepalingsmethode opgenomen. Een voorbeeld hierbij is de hoogte van de vloer boven het maaiveld waarvoor de adviseur eerder een waarde moest aangeven en waarvoor nu een vaste waarde (0,125 m) wordt aangehouden. Ook de aansluitwijze van elektrische boilers is nu vastgezet op een vaste waarde waarvoor eerder de adviseur een specifieke waarde moest invullen. Daarnaast zijn voor een aantal aspecten die in de praktijk lastig te achterhalen zijn vereenvoudigingen doorgevoerd. Te denken valt bijvoorbeeld aan het vermogen van ventilatoren bij ventilatorconvectoren, het aantal Pascal van luchtdrukgestuurde roosters en het vervallen van de nieuwwaardecompensatie verlichting.

Tot slot zijn nog enkele inhoudelijke wijzigingen/verbeteringen doorgevoerd. Als voorbeeld kan genoemd worden dat de “bufferende” werking van aangrenzende onverwarmde ruimten (AOR) nu ook bij de basisopnames (veelal gebruikt bij energieprestatieberekeningen voor energielabels) beter wordt gewaardeerd. Voor een aangrenzende onverwarmde ruimte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een onverwarmd trappenhuis in een woongebouw dat grenst aan een wand van een aangelegen appartement. De nieuwe versie van NTA 8800 werkt door in de verschillende beoordelingsrichtlijnen waardoor nieuwe wijzigingsbladen worden vastgesteld. Bij de BRL-en 9500-U en 9500-W gaat het met name om het verwijzen naar de meest actuele versie van de opnameprotocollen en NTA 8800 en het verhelderen van zaken in de BRL die in de praktijk discussie opriepen. In de opnameprotocollen (ISSO 75.1 en 82.1) zijn de aanpassingen doorgevoerd die voortvloeien uit de nieuwe versie van NTA 8800. Bij de BRL 9501 gaat het voornamelijk om het toevoegen van een aantal rekentesten waaraan de software moet voldoen.

Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (hierna: NEN) heeft ter informatie een document opgesteld waarin alle inhoudelijke wijzigingen die zijn doorgevoerd in NTA 8800:2023 inzichtelijk worden gemaakt5.

1 Versie NTA 8800:2020+A1:2020.

2 De standaard voor woningisolatie is een toekomstvast advies voor de isolatiegraad van gebouwen, waarmee het gebouw goed genoeg geïsoleerd is om aardgasvrij te worden.

3 BENG staat voor bijna-energieneutrale-gebouwen.

4 BCRG betreft het bureau voor de controle en registratie van gelijkwaardigheids- en kwaliteitsverklaringen. Het faciliteert een onafhankelijk college van experts die de verklaringen keurt en neemt goedgekeurde verklaringen op in een databank die transparant op de site staat.

5 Zie: https://www.gebouwenergieprestatie.nl/bepalingsmethode/ onder het kopje “Meer informatie” is het mogelijk om de tekstvergelijking van de NTA 8800 edities 2022 en 2023 te downloaden.

2Notificatie

De ontwerpregeling is op 20 september 2011 gemeld aan de Commissie van de Europese Unie (notificatienummer 2011/0110/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). De meeste bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie hiervoor artikel 1.3 van het besluit). Door de Commissie zijn geen opmerkingen gemaakt.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemme-ringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De ontwerpregeling is op 21 maart 2012 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2012/ 0182/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). De commissie heeft geen opmerkingen gemaakt die tot wijziging moeten leiden.Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

De ontwerpregeling is op 5 november 2012 gemeld aan de Europese Commissie (notificatienummer 2012/618/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). De commissie heeft geen opmerkingen gemaakt die tot wijziging moeten leiden. Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

De ontwerpregeling is op 28 januari 2013 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2013/ 0053/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Er zijn geen opmerkingen van de Commissie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden, nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

De ontwerpregeling, met uitzondering van artikel I, onderdelen A en B, is op 28 oktober 2013 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2013/ 0592/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). De wijzigingen van artikel I, onderdelen A en B, zijn op 9 juli 2013 gemeld gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2013/0380/NL).

Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie hiervoor artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Er zijn geen opmerkingen van de Commissie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regelingen

De ontwerpregeling is op 22 juli 2014 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2014/0356/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

De regeling is niet genotificeerd

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.

Deze ontwerpregeling is op 11 maart 2015 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2015/0116/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Onderdeel H en een deel van onderdeel G van deze ontwerpregeling zijn al op 23 september 2014 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2014/0460/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van is goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen. Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

Artikel I van deze ontwerpregeling is op 7 augustus 2015 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2015/0471/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

Artikel I van deze ontwerpregeling is op 9 maart 2016 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2016/0118/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

De ontwerpregeling is op 21 september 2016 gemeld aan de Europese Commissie (notificatienummer 2016/503/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).Deze regeling bevat technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

De ontwerpregeling is op 7 september 2017 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2017/0426/NL). De meeste bepalingen van dit besluit bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). Van de Commissie is geen reactie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

De ontwerpregeling is op 5 maart 2018 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2018/0090/NL). De bepaling van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepaling is verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij is evenredig en voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). Van de Commissie is geen reactie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

De ontwerpregeling is op 13 september 2018 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2018/0456/NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. Van de Commissie is geen reactie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

De ontwerpregeling is op 14 maart 2019 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2019/0114/ NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning.

Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012.

Van de Europese Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significantie voor de handel.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

De ontwerpregeling is op 28 november 2019 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2019/0596 /NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. Van de Europese Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significantie voor de handel.

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

De ontwerpregeling is op 26 november 2019 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2019 /0591/NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

De ontwerpregeling is op 9 april 2020 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2020/0214/NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012.

Van de Europese Commissie is geen reactie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significantie voor de handel.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

De normen betreffende de aanwijzing door de Minister van BZK van CBI’s en certificatieschema’s moeten worden beschouwd als vergunningstelsels in de zin van artikel 1 van de Dienstenwet. In dit kader dient de onderhavige regeling op grond van de Dienstenrichtlijn onverwijld na vaststelling te worden voorgelegd aan de Europese Commissie. Deze notificatie kent geen standstill periode.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

Deze regeling is genotificeerd bij de Europese Commissie van 8 september tot en met 8 december 2020 (nr. 2020/0552/NL). De notificatie heeft niet geleid tot opmerkingen of wijzigingen.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

De regeling in niet genotificeerd.

u.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

De ontwerpregeling is op 8 september 2020 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2020/555/NL). De bepalingen van deze regeling bevatten technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. Van de Europese Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significantie voor de handel.

v.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 februari 2021, nr. 2021-0000069476 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een overgangsregeling voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 7104

De regeling is niet genotificeerd.

w.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 juni 2021, nr. 2021-0000319006 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een verlenging van de overgangsregelingen voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 32830

De regeling is niet genotificeerd.

x.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236

De conceptregeling is op 22 juli 2021 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie)(PbEU 2015, L 241) voorgelegd aan de Europese Commissie. De aangepaste keuringseisen in bijlage IV bij de Regeling Bouwbesluit 2012 bevatten mogelijk een technisch voorschrift in de zin van deze richtlijn. Deze bepaling is verenigbaar met het vrije verkeer van diensten; zij is evenredig.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

y.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2021, nr. 2021-0000663746, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie, Stcrt. 2021, 49993

De regeling is niet genotificeerd.

z.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 februari 2022, nr. 2022-0000078435, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van de actuele versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, Stcrt. 2022, 6293

De ontwerpregeling is ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer: 2021/0717/NL). Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

aa.Regeling van de de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 april 2022, nr. 2022-0000156915] tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800

Deze regeling is ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer: 2021/0714/NL). Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

ab.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 april 2022 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, houdende nadere regels inzake kwaliteitsborging voor het bouwen, Stcrt. 2022, 10958

De ontwerpregeling is op 22 februari 2021 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (2020/587/NL). De bijlage bij artikel 5.17 bevat mogelijk een technisch voorschrift in de zin van deze richtlijn. Deze bepaling is verenigbaar met het vrije verkeer van diensten; zij is evenredig.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

ac.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2023, nr. 2023-0000223264 tot wijziging van de Omge-vingsregeling en enkele andere regelingen in verband met een nieuwe versie van NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij BRL 9500 en BRL 9501, Stcrt. 2023, 12584

Deze regeling is ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2023/0013/NL). Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

3Gevolgde procedure en inspraak

De ontwerpregeling is aan een groot aantal betrokken organisaties voorgelegd. Ook is het ontwerp voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving. Waar nodig is de regeling naar aanleiding van de ontvangen reacties aangepast.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Het concept is voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving. Er is geen commentaar op het concept ontvangen.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

De conceptregeling is aan een aantal betrokken organisaties voorgelegd. Ook is het concept voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving. De regeling is naar aanleiding van de ontvangen reacties vereenvoudigd.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Het concept is voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving. Er is geen commentaar op het concept ontvangen.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regelingen

De inhoud van deze regeling is besproken met het Overlegplatform bouwregelgeving(OPB).

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

De regeling is niet voorgelegd aan de JTC en het OPB.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.

De inhoud van deze regeling is besproken met de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB).

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

De inhoud van artikel I van deze regeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Dit leidde niet tot wijzigingen.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

De inhoud van deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Deze commissie stemt in met het instellen van een onderzoeksverplichting naar de staat van roestvaststalen constructies in zwembaden.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

De in deze wijzigingsregeling opgenomen normen zijn voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Deze commissie stemt hiermee in.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

De in deze wijzigingsregeling opgenomen onderdelen zijn voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Naar aanleiding van de in de JTC gemaakte opmerkingen over de drijvende bouwwerken zijn enkele relatief ondergeschikte wijzigingen doorgevoerd.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

Deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Het JTC heeft geen opmerkingen.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Het JTC stemt met deze regeling in.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplat- form bouwregelgeving (OPB). Dit heeft niet tot wijzigingen geleid.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

Juridisch-Technische Commissie en het Overlegplatform Bouwregelgeving

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. Het JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken. Door de JTC zijn vragen gesteld over het inregelen van verwarmingssystemen, de digitale tool voor het berekenen van de energieprestatie van technische bouwsystemen en de documentatie van de energieprestatie van technische bouwsystemen. Naar aanleiding van deze vragen is de artikelsgewijze toelichting verduidelijkt.

Internetconsultatie

De conceptregeling is voorgelegd in een internetconsultatie. Hierop zijn twaalf reacties van acht verschillende partijen binnengekomen. Hierna is één reactie ingetrokken. Alle reacties zijn inhoudelijk beoordeeld en conceptregeling is op enkele punten aangepast.

In artikel 3a.2 is bij de keuring van airconditioningsystemen de grenswaarde van 70 kW toegevoegd. Ook is de verwijzing naar de Ecodesign richtlijn met daarin een klasse-indeling van thermostaten aangepast en zijn enkele omschrijvingen van eisen aan technische bouwsystemen anders geformuleerd om onduidelijkheden weg te nemen. Mede naar aanleiding van opmerkingen over de keuringen, is onderzocht in hoeverre verduidelijking van de bijlagen bij dat onderdeel mogelijk is. Dit heeft geleid tot redactionele aanpassing van de bijlagen, waarbij het aantal bijlagen over de keuring van airconditioningsystemen is teruggebracht tot drie. Zie hiervoor ook de artikelsgewijze toelichting.Ook is de toelichting op een aantal onderdelen verduidelijkt.

MKB-toets

Bij de totstandkoming van de ontwerpregeling is evenals bij het ontwerpbesluit in alle stadia overleg gepleegd met het MKB teneinde het inhoudelijke doel van de MKB-toets, het midden- en kleinbedrijf beter betrekken bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving, te realiseren. Het was in dit geval niet mogelijk om alle processtappen van de MKB-toets zoals die zijn beschreven in de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 18 april 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 32 637, nr. 360) uit te voeren, omdat de MKB-toets ten tijde van de onderhandelingen over EPBD III nog niet was ingevoerd. De MKB-toets moet vanaf 1 mei 2019 voor nieuwe wetgeving worden toegepast. De ontwerpregeling was toen al in een vergevorderd stadium, waardoor het niet mogelijk was om alle processtappen uit te voeren. Omdat het Europese regelgeving betreft, geldt er een strikte implementatietermijn. EPBD III moet uiterlijk op 10 maart 2020 in Nederland zijn geïmplementeerd.

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

De inhoud van deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. De JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken.

De JTC stemt in met het instellen van deze onderzoeksplicht naar de staat van gebouwen met breedplaatvloeren.

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. De JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken. De consultering in de JTC heeft niet tot wijzigingen geleid.

Internetconsultatie

Het concept is gepubliceerd in het kader van de internetconsultatie. Deze consultatie vond plaats van 20 december 2019 tot en met 19 januari 2020. Deze consultatie leidde tot twee openbare reacties. Er zijn geen niet openbare reacties ontvangen. De eerste reactie is afkomstig van de Vewin, de Vereniging van waterbedrijven in Nederland. Deze vereniging vraagt zich af of de risico’s voor opwarming van waterleidingen als gevolg van de BENG eisen voldoende zijn afgedekt. Dit om mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van dergelijke opwarming te voorkomen. Reactie hierop: bij een correcte toepassing van NEN 1006 kan van een dergelijk risico geen sprake zijn. Er is dan ook geen aanleiding om deze wijzigingsregeling hierop aan te passen.

De tweede reactie is afkomstig van een groep organisaties en bedrijven, die zich zorgen maken over de toepassing van TOjulibij houtskeletbouw en andere lichte bouwwijzen. In hun bezwaren gaven zij aan dat BZK bij het vaststellen van de grenswaarde voor oververhitting te weinig rekening zou hebben gehouden met de lichte tot middellichte bouwwijzen zoals te doen gebruikelijk bij hout- en staalskeletbouw. Hierdoor zou deze bouwwijze geconfronteerd worden met ofwel extra dynamische berekeningen, ofwel met dure maatregelen om aan de TOjuli eis te kunnen voldoen, en zou er sprake zijn van een ongelijk speelveld. Reactie hierop: Na uitgebreid overleg is geconcludeerd dat bij het uitgevoerde onderzoek en de gestelde eisen om het risico op oververhitting te beperken in voldoende mate rekening is gehouden met de consequenties voor lichte bouwmethoden.

MKB-toets

Bij de totstandkoming van de ontwerpregeling is evenals bij het ontwerpbesluit in alle stadia overleg gepleegd met het MKB teneinde het inhoudelijke doel van de MKB-toets, het midden- en kleinbedrijf beter betrekken bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving, te realiseren. Het was in dit geval niet mogelijk om alle processtappen van de MKB-toets zoals die zijn beschreven in de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 18 april 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 32 637, nr. 360) uit te voeren, omdat de MKB-toets ten tijde van de onderhandelingen over EPBD III nog niet was ingevoerd. De MKB-toets moet vanaf 1 mei 2019 voor nieuwe wetgeving worden toegepast. De ontwerpregeling was toen al in een gevorderd stadium. Omdat het Europese regelgeving betreft geldt er een strikte implementatietermijn.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

De conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties is voorgelegd aan de leden van het Overlegplatform Bouwregelgeving (hierna: OPB) en in het kader van de Code interbestuurlijke verhoudingen aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast is de conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 gepubliceerd in het kader van de internetconsultatie op www.internetconsultatie.nl. Deze consultatie vond plaats van 1 mei 2020 tot en met 29 mei 2020. De reacties op de internetconsultatie zijn geanalyseerd en er is een rapport gemaakt dat op www.internetconsultatie.nl is geplaatst. Ook is de conceptwijziging voor advies voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR).

De reacties en adviezen hebben op onderdelen geleid tot aanvullingen, verduidelijkingen en/of verbeteringen van de conceptregeling en de toelichting daarbij. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste opmerkingen.

Juridisch Technische Commissie

De conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is op 4 mei 2020 in een schriftelijke ronde voorgelegd aan de leden van het OPB. In deze schriftelijke ronde is door 7 leden gereageerd. Drie van deze leden hebben dezelfde reactie gestuurd als in het kader van de internetconsultatie. Dat zijn Techniek Nederland, Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw (hierna: ERB) en Kiwa. Daarnaast hebben de ondernemersorganisatie voor de technologische industrie (FME) en de Brancheorganisaties Zorg een reactie gestuurd. Stichting KOMO en Bouwend Nederland hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben. Op de inhoudelijke punten van de hiervoor genoemde partijen wordt ingegaan bij de reacties op de internetconsultatie (paragraaf 4.3). Aan het verzoek van Techniek Nederland om bij de implementatie, monitoring en evaluatie van het wettelijk stelsel nauw betrokken te blijven wordt uiteraard invulling gegeven.

Over de verplichting om bij een in de opstellingsruimte van het toestel gemeten concentratie koolmonoxide tussen de 0 en 5 ppm de gebruiker of bewoner en eigenaar te infomeren zijn bij de internetconsultatie meerdere vragen gesteld. Omdat een concentratie tussen de 0 en 5 ppm niet leidt tot risico’s voor de gezondheid heb ik (zoals nader toegelicht in paragraaf 4.3) besloten deze verplichting niet meer in de regeling op te nemen. Hiermee geef ik invulling aan de bij de internetconsultatie gemaakte opmerkingen en het door de VNG geuite zorgpunt dat bij deze lage concentratie door burgers mogelijk snel een beroep op de gemeente zal worden gedaan. Met betrekking tot het door de VNG verzochte evaluatiemoment merk ik op dat het stelsel hierin voorziet. Dit evaluatiemoment is voorzien drie jaar na inwerkingtreding van het stelsel en daarmee anderhalf jaar na inwerkingtreding van de in het stelsel opgenomen verbodsbepaling.

Internetconsultatie

Internetconsultatie algemeen

In het kader van de internetconsultatie zijn 13 reacties De conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties is voorgelegd aan de leden van het Overlegplatform Bouwregelgeving (hierna: OPB) en in het kader van de Code interbestuurlijke verhoudingen aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast is de conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 gepubliceerd in het kader van de internetconsultatie op www.internetconsultatie.nl. Deze consultatie vond plaats van 1 mei 2020 tot en met 29 mei 2020. De reacties op de internetconsultatie zijn geanalyseerd en er is een rapport gemaakt dat op www.internetconsultatie.nl is geplaatst. Ook is de conceptwijziging voor advies voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR).

De reacties en adviezen hebben op onderdelen geleid tot aanvullingen, verduidelijkingen en/of verbeteringen van de conceptregeling en de toelichting daarbij. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste opmerkingen.

Handhaving

Bij de internetconsultatie is een aantal vragen gesteld met betrekking tot de werking en handhaving van de verbodsbepaling. Techniek Nederland vraagt bij de meldingsplicht voor (bijna-)ongevallen om een overzicht van de bevoegde gezagen, een uitwerking van de eisen van de melding en een handelingsprotocol.

In reactie hierop geef ik aan dat het na het ingaan van de verbodsbepaling voor zowel opdrachtgevers als bedrijven strafbaar is om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te (laten) voeren wanneer het bedrijf hiervoor niet gecertificeerd is. Beiden kunnen dan ook worden gesanctioneerd.

Dat geldt ook voor een consument die werkzaamheden aan zijn eigen ketel of gaskachel uitvoert. Om het bewustzijn hierover te vergroten zullen vanuit de sector en BZK voorlichtingscampagnes worden gevoerd, gericht op zowel installatiebedrijven als opdrachtgevers en consumenten. Ook zal een register worden opgezet waarin alle gecertificeerde bedrijven worden opgenomen. Opdrachtgevers en consumenten kunnen via dit register eenvoudig een gecertificeerd bedrijf vinden. Ten slotte wordt een beeldmerk ontwikkeld waarmee een bedrijf zich bij de klant kan legitimeren als gecertificeerd bedrijf. Bij de wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van dit stelsel en de uitwerking van het stelsel in het Bouwbesluit 2012 is hierover al opgemerkt dat het stelsel veel prikkels bevat om overtreding van de verbodsbepaling te ontmoedigen. De gemeente is het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving van de eisen in het Bouwbesluit. Het gemeentelijk toezicht om tegen niet gecertificeerde bedrijven op te treden is aanvullend op de hiervoor genoemde prikkels.

Met betrekking tot de vraag van Techniek Nederland over bevoegde gezagen merk ik op dat dat veelal de gemeente is. De gemeente is – op enkele specifieke inrichtingen na – het bevoegd gezag voor handhaving van het Bouwbesluit 2012. In het kader van het onderhavige wettelijk stelsel is dit niet anders, aangezien het stelsel werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties betreft die onder het Bouwbesluit 2012 vallen. In bepaalde gevallen kunnen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de Provincie of het Rijk het bevoegd gezag zijn. De door Techniek Nederland genoemde uitwerking van de eisen en wijze van handelen bij de melding zullen in het kader van de implementatie van het stelsel met betrokken partijen worden afgestemd.

Kosten van het stelsel

In twee reacties wordt aangegeven dat het stelsel een dure oplossing is voor een probleem dat maar beperkt voorkomt. Zoals uiteengezet in de memorie van toelichting bij bovenliggende wetswijziging, vormt de aanleiding voor dit stelsel het rapport ‘Koolmonoxide, onderschat en onbegrepen gevaar’ van de Onderzoekraad voor veiligheid (hierna: OvV) van 18 november 2015. De verwachting van de OvV is dat het werkelijke aantal incidenten met koolmonoxide als gevolg van verkeerd of niet handelen van installateurs veel hoger is dan tot nu aangenomen. In dit rapport doet de OvV dan ook de aanbeveling aan het kabinet om een wettelijk stelsel te introduceren om het aantal incidenten met koolmonoxide terug te brengen. Ook de Gezondheidsraad wijst in haar rapport ’Gezondheidsrisico’s door lage concentraties koolmonoxide’ van 10 juli 2019 op de gevaren van koolmonoxide. Met dit wettelijk stelsel geeft het kabinet invulling aan de aanbevelingen van de OvV en de door de Gezondheidsraad geuite zorgen met betrekking tot lage concentraties koolmonoxide.

Om extra kosten als gevolg van het stelsel voor zowel grote als kleine bedrijven en zzp’ers zo laag mogelijk te houden, heeft het kabinet het stelsel zo beperkt mogelijk vormgegeven. Daarbij zijn de kosten van het stelsel door Sira Consulting BV berekend. 1 Deze kosten zijn in de memorie van toelichting bij de bovenliggende wetswijziging en de nota van toelichting bij het besluit (Stb. 2020, 348) uiteengezet en doorvertaald naar de extra kosten die de consument na inwerkingtreding van het stelsel gemiddeld voor installatie en onderhoud betaalt. Hieruit komt naar voren dat de gemiddelde prijsstijging voor de consument als gevolg van het wettelijk stelsel in het tarief dat aan de installateur wordt betaald beperkt zal blijven.

1 Sira Consulting (december 2017), Erkenningsregeling Installateurs gasverbrandingsinstallaties, Onderzoek naar de lasten van de wettelijke verplichting voor Installateurs van gasverbrandingsinstallaties. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ bouwregelgeving/documenten/rapporten/2018/03/15/erkenningsregeling-installateurs-gasverbrandingsinstallaties. Sira Consulting (2019), Aanvullend onderzoek certificeringsregeling Installateurs gasverbrandingsinstallaties. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/12/13/nader-onderzoek-naar-regeldrukeffecten-installatiebedrijven.

Vakbekwaamheid

Opgemerkt is dat vanwege de gestelde vakbekwaamheidseisen in het stelsel schaarste aan personeel groter zal worden. Daarbij is ook gevraagd welke onderlegger gebruikt wordt voor het aantoonbaar maken van de vakbekwaamheid.

In reactie hierop merk ik op dat alleen de in verband met koolmonoxide noodzakelijke vakbekwaamheidseisen in onderhavige regeling zijn vastgelegd. Aan de sector wordt hiermee ruimte gegeven om bestaande opleidingen aan te passen of nieuwe opleidingen te ontwikkelen. Daarvoor zijn binnen de sector inmiddels de nodige stappen gezet. Techniek Nederland heeft een toets ontwikkeld waarmee de huidige vakbekwaamheid – zowel theorie als praktijk – van monteurs kan worden beoordeeld en de benodigde bijscholing kan worden vastgesteld. Hiervoor heeft Techniek Nederland ook een examen opgesteld. Door Techniek Nederland is ook een opleidingstraject voor monteurs opgezet om vooraf gaand aan dit examen het vereiste kennisniveau te verkrijgen. Het examen en opleidingstraject is voor alle monteurs en bedrijven beschikbaar. Het kabinet verwacht dat koolmonoxidepreventie standaard onderdeel zal worden van het curriculum in de reguliere opleidingen van de sector en dat daar op termijn na het behalen van een diploma geen extra toets meer voor nodig is. In combinatie met de beschikbare opleidingscapaciteit is de verwachting dat er tijdig voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar zal zijn om uitvoering te geven aan het stelsel.

Geldigheid van eerder behaalde diploma’s

In een aantal reacties wordt gevraagd of in het verleden behaalde diploma’s geldig blijven. Daarbij wordt specifiek gevraagd naar door SCIOS gecertificeerde monteurs (Stichting Certificering Inspectie en Onderhoud van Stookinstallaties; uitvoerder van het Activiteitenbesluit Milieubeheer).

In reactie op deze vraag merk ik op dat na inwerkingtreding van de verbodsbepaling de vakbekwaamheid van de personen die werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uitvoeren bepalend is. Indien personen volledig voldoen aan de in het kader van dit stelsel gestelde eisen is aanvullende bijscholing niet aan de orde. Dit zal in veel gevallen echter niet het geval zijn omdat de vereiste kwalificaties op het gebied van koolmonoxide tot nu toe ontbreken in de reguliere opleidingen. Om incidenten met koolmonoxide te beperken wordt met het wettelijk stelsel juist deze component toegevoegd aan de vereiste vakbekwaamheid om een gasverbrandingsinstallaties na uitgevoerde werkzaamheden in bedrijf te mogen stellen en vrij te geven voor gebruik. Hiermee wordt op een zo goed mogelijke wijze geborgd dat deze installaties na uitgevoerde werkzaamheden veilig zijn om te gebruiken (procescertificering). Voor elk diploma geldt dat wanneer daarmee kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de vakbekwaamheidseisen die de regeling stelt, dan geen (aanvullend) examen hoeft te worden afgelegd.

Concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel (ppm)

Grenswaarde 5 ppm

Uit de reacties op de internetconsultatie blijkt enerzijds dat de gehanteerde grenswaarde van 5 ppm in de opstellingsruimte van het toestel als laag wordt beschouwd. Techniek Nederland, Stichting NHK, Kiwa en ERB merken dit op. Daarbij wordt aangegeven dat hoogwaardige meetinstrumenten nodig zijn om deze waarde te kunnen meten en dat vanwege roken of een drukke naastgelegen weg al achtergrondconcentraties van 5 ppm aanwezig kunnen zijn. Stichting NHK wijst daarbij op het RIVM dat uitgaat van 10 ppm als niet gevaarlijke waarde. In een aantal andere reacties wordt opgemerkt dat een waarde van 5 ppm tot veel meldingen kan leiden en wordt gevraagd wie bij geconstateerde afwijkingen beslist of de installatie in bedrijf mag worden genomen. Anderzijds blijkt uit de reacties dat 5 ppm als een goede grenswaarde wordt gezien. Zo adviseert Kiwa de norm NEN 8025 te volgen. Deze norm geeft aan dat er tot 5 ppm geen bezwaar is om een installatie in bedrijf te stellen, dat er bij een waarde daarboven ‘enig bezwaar’ is en dat de eigenaar/gebruiker van de installatie daarover moet worden geadviseerd, en dat er bij een waarde van 25 ppm en meer ‘ernstig bezwaar’ is om een installatie in bedrijf te stellen. Daarbij geeft Kiwa aan dat bij de norm NEN 8025 rekening wordt gehouden met andere oorzaken voor aanwezigheid van koolmonoxide, zoals roken en verkeer. Techniek Nederland adviseert om koolmonoxidewaarden en uit te voeren acties net zoals bij de NEN 8025 op te nemen in een tabel, maar daarbij in plaats van 25 ppm de in het kader van het stelsel opgenomen 20 ppm aan te houden. Met betrekking tot geconstateerde concentraties tussen de 0 en 5 ppm vraagt het ERB wat de noodzaak is van het informeren van de gebruiker of bewoner en eigenaar, aangezien dat een veilige waarde is. Kiwa vraagt in dat verband bij wie een deze melding moet worden gedaan.

Ik constateer dat er verdeeld is gereageerd op de in onderhavige regeling opgenomen grenswaarde van 5 ppm. Deze grenswaarde wordt enerzijds als laag beschouwd, terwijl anderzijds geadviseerd wordt deze te volgen. Hierbij wordt dan door Techniek Nederland en Kiwa de norm NEN 8025 genoemd. Zoals in de toelichting bij onderhavige regeling aangegeven heb ik mij bij het bepalen van deze grenswaarde mede gebaseerd op de norm NEN 8025 die als onderste grenswaarde uitgaat van 5 ppm. Deze grenswaarde wordt als een veilige ondergrens voor langdurige blootstelling aan koolmonoxide beschouwd. NEN geeft in dat verband ook aan dat de hiervoor benodigde meetapparatuur in voldoende mate in de handel beschikbaar is. Ik houd daarom vast aan de grenswaarde van 5 ppm.

Met betrekking tot de opmerking dat een waarde van 5 ppm tot veel meldingen kan leiden, merk ik op dat er alleen sprake is van meldingen in het geval van (bijna-)ongevallen. Dit betreft situaties waarbij een koolmonoxideconcentratie wordt gemeten van meer dan 20 ppm. Bij een waarde van 20 ppm of lager geldt geen meldplicht.

Bij een waarde tussen de 0 en 5 ppm was in artikel 1.19, onderdeel c, van de consultatieversie van de regeling wel de verplichting opgenomen dat de installateur de klant hierover informeert. Naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen bij deze verplichting in de consultatieversie heb ik besloten deze verplichting niet in de regeling op te nemen. Een concentratie koolmonoxide tussen de 0 en 5 ppm leidt immers niet tot risico’s voor de gezondheid.

Het voorstel van Techniek Nederland om koolmonoxidewaarden en uit te voeren acties net zoals bij de NEN 8025 op te nemen in een tabel, heb ik overgenomen.

Meetmethode en meetonzekerheid

In een aantal reacties wordt ook opgemerkt dat de grenswaarde van 5 ppm er snel toe leidt dat open gasverbrandingstoestellen buiten bedrijf moeten worden gesteld en dat het goed is om in de artikelsgewijze toelichting te verwijzen naar de diverse meetmethoden die er zijn afhankelijk van het toestel. Ook wordt gevraagd naar de tijdsduur en de ventilatiecondities die bij een koolmonoxidemeting in acht moeten worden gehouden. En wordt gevraagd met welke apparatuur de metingen moeten worden uitgevoerd. Daarbij geeft Techniek Nederland aan dat ook gebruik zou moeten kunnen worden gemaakt van op de markt beschikbare fabrieksmatig afgestelde veiligheidsmonitoren die niet gekalibreerd kunnen worden en die een beperkte levensduur hebben (meest 24 maanden). De RvA wijst bij te gebruiken meetapparatuur op de meetonzekerheid, ofwel de nauwkeurigheid van de gemeten concentratie. De RvA geeft aan dat het goed is om bij de wettelijk voorgeschreven concentraties rekening te houden met deze meetonzekerheid.

Met betrekking tot de opmerking dat de grenswaarde van 5 ppm er snel toe leidt dat open gasverbrandingstoestellen buiten bedrijf moeten worden gesteld merk ik op dat het belangrijk is om rekening te houden met de diverse meetmethoden die gelden voor de verschillende toestellen en je als installateur niet te baseren op alleen een momentopname. Techniek Nederland wijst hierbij op de fabrikant specificaties van de verschillende toestellen waarin de meetmethode is vermeld. In de artikelsgewijze toelichting heb ik hierover een aanvulling opgenomen.

Ook wijs ik hierbij op de meetstrategieën zoals beschreven door het RIVM in de GGD-richtlijn inzake koolmonoxide in woon en verblijfsruimten. 2 Ook daarin wordt ingegaan op de wijze waarop bij de verschillende typen toestellen metingen moeten worden uitgevoerd om tot een zorgvuldig oordeel te komen.

Bij de meer praktische vragen die zijn gesteld (tijdsduur en ventilatiecondities bij het meten) merk ik op dat de eisen die hieraan worden gesteld door de sector zelf kunnen worden ingevuld in de op te stellen certificatieschema’s. Binnen de sector is de kennis aanwezig om daar op een betrouwbare wijze invulling aan te geven. Met betrekking tot de te gebruiken meetapparatuur en de meetonzekerheid waarop wordt gewezen merk ik op dat het aan de sector is om gebruik te maken van apparatuur die geschikt is voor het uitvoeren van de in het kader van dit stelsel vereiste metingen en controles. In certificatieschema’s kunnen hier ook eisen aan worden gesteld. Daarbij wordt onderkend dat de in de handel beschikbare meetapparatuur een meetonzekerheid hebben. Aanbevolen wordt gebruik te maken van meetapparatuur met een meetonnauwkeurigheid van maximaal 5 ppm. De op het apparaat aangegeven concentratie koolmonoxide is leidend voor de in het kader van onderhavig stelsel te zetten stappen

2 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/609330006.pdf en https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-mmk-koolmonoxide.

Concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel

Zowel Kiwa als Techniek Nederland wijzen erop dat, naast het belang van het meten van de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel, het ook van belang is om de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel te meten en controleren. Daarbij wordt aangegeven dat de samenstelling van deze gassen een betrouwbare indicatie is voor de veilige werking van de installatie. Gevraagd wordt deze meting en controle toe te voegen aan artikel 1.19 van de consultatieversie van de regeling of aan de artikelsgewijze toelichting daarbij. Daarnaast vraagt Kiwa ook bij de meldplicht (bijna-)ongevallen een waarde op te nemen die betrekking heeft op de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel.

Het voorstel om ook het meten en controleren van de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel (veelal gemeten in de verbrandingsgasafvoer) te verplichten heb ik overgenomen. Hierbij heb ik mij gebaseerd op de waarden zoals die voor specifieke toestellen zijn opgenomen in de norm NEN 8025.

Het voorstel van Kiwa om hiervoor ook bij de meldplicht (bijna-)ongevallen een waarde op te nemen heb ik niet overgenomen. De aanwezige concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel geeft weliswaar een indicatie voor de veilige werking van het toestel maar vormt zolang deze concentratie niet vrijkomt in ruimten waarin zich personen kunnen bevinden geen risico voor de gezondheid. De meldplicht (bijna-)ongevallen heeft betrekking op koolmonoxide die vrijkomt in ruimten waarin zich personen kunnen bevinden.

Periodiek onderhoud

In twee reacties wordt gepleit voor verplicht periodiek onderhoud aan gasverbrandingstoestellen. Techniek Nederland geeft daarnaast aan dat het belangrijk is dat de certificaathouder de klant wijst op het belang van regelmatig onderhoud.

In reactie op vragen bij de internetconsultatie van de bovenliggende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en eerder in de memorie van toelichting bij de wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van dit stelsel, heb ik aangegeven dat ik er in overeenstemming met de aanbeveling van de OvV voor heb gekozen om periodiek onderhoud aan gasverbrandingstoestellen niet te verplichten. Uit het onderzoek van de OvV blijkt namelijk dat een dergelijke verplichting grote praktische implicaties met zich brengt en een aanzienlijke lastenverzwaring. Daarbij is het zo dat veel bewoners en eigenaren hun verantwoordelijkheid nu al nemen door regelmatig onderhoud te laten plegen aan hun gasverbrandingsinstallatie. Daarnaast, zo geeft de OvV in haar onderzoeksrapport aan, zal door onderhavig stelsel de veiligheid van gasverbrandingsinstallaties al sterk toenemen.

Omdat ik het wel belangrijk vind om consumenten te (blijven) wijzen op het belang van periodiek en goed onderhoud door een gecertificeerd bedrijf heb ik de voorzitter en leden van de Tweede Kamer in het kader van de voorhangprocedure van het ontwerpbesluit laten weten hieraan in de voorlichtingscampagne van het stelsel nadrukkelijk aandacht te zullen besteden.

Verkoop toestellen aan particulieren

Techniek Nederland geeft aan van mening te zijn dat de wettelijke certificeringsregeling moet samengaan met een verbod op de vrije verkoop van cv-ketels en dat uitsluitend gecertificeerde bedrijven (of zzp’ers) in de gelegenheid moeten zijn om cv-ketels aan te schaffen. Hiermee kan worden voorkomen dat niet-gecertificeerde bedrijven of personen alsnog cv-ketels installeren waarmee de kans op koolmonoxideongevallen zou blijven bestaan. Ook in een andere reactie wordt dit opgemerkt.

Net zoals bij de internetconsulatie van onderliggende wijzing van de Woningwet en van de bijbehorende wijziging van het Bouwbesluit 2012merk ik hierover op dat verkoop van gasverbrandingstoestellen aan alleen gecertificeerde bedrijven de mogelijkheid belemmert om als particulier of anderszins een toestel te kopen en een gecertificeerd bedrijf in te huren om dit toestel te laten plaatsen en in bedrijf te stellen. Deze belemmering is niet redelijk en gaat ook verder dan nodig is om het beoogde doel, dat gasverbrandingsinstallaties zodanig worden geplaatst en onderhouden dat deze veilig kunnen worden gebruikt, te bereiken.

Rol verzekeraars

Techniek Nederland pleit er in haar reactie voor de mogelijkheid te bekijken om verzekeraars bij het stelsel te betrekken. Techniek Nederland denkt dat wanneer verzekeraars uitsluitend eventuele schade vergoeden wanneer een gecertificeerd bedrijf is ingeschakeld, niet-gecertificeerde installateurs eerder van de markt zullen worden geweerd. Hierbij merk ik op dat het verzekeraars vrij staat om een dergelijke verplichting in de polisvoorwaarden van een inboedelverzekering op te nemen. Het is echter aan de markt zelf om hier het gesprek over aan te gaan en om hier invulling aan te geven.

Melding (bijna-)ongevallen

Bij de meldplicht voor (bijna-)ongevallen wordt gevraagd wie de te hoge waarde moeten hebben vastgesteld, de inbedrijfsteller of de certificerende instelling. In dat verband wordt ook opgemerkt dat een certificerende instelling zich niet zou moeten bezighouden met registratie en melding van (bijna-)ongevallen. Ook wordt gevraagd of een melding nodig is wanneer de oorzaak is weggenomen en waarom met 20 ppm gekozen is voor een strengere waarde dan NEN 8025, die uitgaat van 25 ppm.

Hierbij merk ik op dat wanneer sprake is van een (bijna-)ongeval (koolmonoxideconcentratie hoger dan 20 ppm) de monteur of inbedrijfsteller dit moet melden aan de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificerende instelling. De certificerende instelling vermeldt deze meldingen in het verslag dat zij jaarlijks aan de minister stuurt. Op grond daarvan ontstaat een goed landelijk beeld van het aantal (bijna )ongevallen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de aanbeveling van de OvV om het aantal (bijna-)ongevallen te monitoren. Daarbij is het belangrijk dat alle (bijna-)ongevallen worden gemeld en geregistreerd, dus ook wanneer de oorzaak is of wordt weggenomen. Zoals in de toelichting bij onderhavige regeling aangegeven, volgt de waarde van 20 ppm uit de Europese richtlijn voor werknemers uit 2017 3 en de daarop gebaseerde Arbeidsomstandighedenregeling. Het kabinet is van mening dat met deze waarde de veiligheid van consumenten en andere gebruikers goed wordt geborgd.

3 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32017L0164&from=NL.

Koolmonoxidemelders

Met betrekking tot de in de consultatieversie van de regeling opgenomen verplichting om ook een koolmonoxidemelder te controleren wanneer deze in of nabij de opstellingsruimte van het gasverbrandingstoestel aanwezig is, wordt een aantal suggesties voor aanvullingen gedaan. Ook wordt opgemerkt dat een koolmonoxidemelder een goedkopere en eenvoudiger te realiseren oplossing is dan het wettelijk stelsel.

De verplichting om ook een koolmonoxidemelder te controleren is op verzoek van de sector in de consultatieversie opgenomen. Door ATR is over deze verplichting opgemerkt dat het een nieuwe verplichting betreft die niet eerder is opgenomen. In de definitieve regeling is deze verplichting niet opgenomen omdat de grondslag hiervoor in het wettelijk stelsel onvoldoende is. Het stelsel richt zich namelijk op het borgen van de veiligheid van de installatie zelf, door het stellen van eisen aan de uit te voeren werkzaamheden. De in het kader van de internetconsultatie gedane suggesties voor aanvullingen op dit punt zijn daarom niet overgenomen. Verder merk ik met betrekking tot koolmonoxidemelders op dat deze niet verplicht zijn omdat ze in veel gevallen onvoldoende betrouwbaar zijn en ze in de praktijk vaak niet juist worden gebruikt. In haar hiervoor genoemde rapport heeft de OvV hier aandacht aan besteed. De beste manier om ongevallen met koolmonoxide te voorkomen is ervoor te zorgen dat de installaties die gebruikt worden veilig zijn. Het wettelijk stelsel voorziet hierin. Koolmonoxidemelders kunnen hier hooguit een aanvulling op zijn. Dat neemt niet weg dat koolmonoxidemelders vrijgekomen koolmonoxide kunnen detecteren. Het kabinet stimuleert daarom wel de vrijwillige plaatsing van betrouwbare en effectieve koolmonoxidemelders, onder andere via de landelijke publiekscampagne ’Stop CO-vergiftiging’ van Brandweer Nederland, de Veiligheidsregio’s en de Nederlandse Brandwonden Stichting.

Beeldmerk

Stichting NHK merkt op dat het in het kader van het wettelijk stelsel voorgeschreven beeldmerk passend dient te zijn voor de diverse sectoren en daarmee neutraal voor alle typen gastoestellen. Techniek Nederland geeft aan verheugd te zijn dat hiervoor het beeldmerk ‘OK CV’ is doorontwikkeld. Daarbij geeft Techniek Nederland aan dat het belangrijk is dat er een streng regime komt om misbruik van het beeldmerk te voorkomen.

Bij het ontwikkelen van het beeldmerk is er rekening mee gehouden dat het toepasbaar is voor alle typen gasverbrandingsinstallaties en voor alle in de sector werkzame bedrijven. De Staat is eigenaar van het beeldmerk en kan optreden tegen misbruik van het beeldmerk, bijvoorbeeld wanneer een niet gecertificeerd bedrijf het beeldmerk voert.

Openbaar register

Gevraagd wordt of het openbaar register een administratieve verplichting betreft of dat het kabinet hiermee een consumentgerichte ontsluiting van gecertificeerde bedrijven beoogt. Techniek Nederland wijst op het belang van goede ontsluiting van deze informatie naar de consument en pleit ervoor hiervoor aan te sluiten bij een zoekfunctie van Qbis.

Het wettelijk stelsel voorziet in een openbaar register met certificerende instellingen en certificatie schema’s die zijn aangewezen, en met bedrijven die zijn gecertificeerd om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te voeren (certificaathouders). Dit register ondersteunt consumenten en andere opdrachtgevers bij het zoeken naar een gecertificeerd bedrijf om werkzaamheden te laten uitvoeren. Bij het opzetten van dit register wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid daarvan en het gebruiksgemak.

Afmelden werkzaamheden

In twee reacties wordt ingegaan op de registratie van door het gecertificeerde bedrijf uitgevoerde werkzaamheden. Wat opvalt is dat de ene reactie pleit voor het centraal registreren van deze informatie en de andere reactie er juist voor pleit deze informatie niet centraal te registreren.

Met het wettelijk stelsel wordt erin voorzien dat uitgevoerde werkzaamheden bij de afzonderlijke certificerende instellingen worden geregistreerd. Op basis hiervan kunnen certificerende instellingen steekproeven doen bij de door hen gecertificeerde bedrijven om de uitgevoerde werkzaamheden te controleren. Een centrale landelijke registratie is niet nodig om het beoogde doel van de wettelijke verplichting te bereiken. Wanneer daar in de sector behoefte aan is, dan staat het de sector vrij om – binnen de wettelijke grenzen van de privacywetgeving – zelf een centrale registratie van installaties en uitgevoerde werkzaamheden op te zetten.

Campagne

Techniek Nederland vraagt of in de communicatiecampagne of los daarvan nogmaals aandacht kan worden geschonken aan het infoblad en de handreiking voor collectieve rookgasafvoeren bij VvE’s. 4 Daarbij wijst Techniek Nederland ook op de mogelijkheid van het instellen van een onderzoeksplicht wanneer VvE’s onvoldoende doen aan de veiligheid van hun gasverbrandingsinstallaties.

Met betrekking tot het verzoek van Techniek Nederland merk ik op dat er in de communicatiecampagne specifieke aandacht zal zijn voor VvE’s. Bij VvE’s met individuele verbrandingstoestellen is sprake van een bijzondere situatie vanwege het gedeelde eigendom van de gasverbrandingsinstallatie. De verbrandingstoestellen zijn dan eigendom van de individuele eigenaren en de collectieve rookgasafvoer is gemeenschappelijk eigendom van de gezamenlijke eigenaren. Het is daarom belangrijk dat er binnen de VvE goede afspraken worden gemaakt over het onderhoud en vervanging van verbrandingstoestellen door de individuele eigenaren en het onderhoud en de vervanging van de collectieve rookgasafvoer. Daarbij is het belangrijk dat een specialist voor de VvE in kaart brengt welke rookgasafvoer in het gebouw aanwezig is en welk gasverbrandingstoestel daarop kan worden aangesloten. De individuele eigenaren dienen op hun beurt de VvE op de hoogte te brengen wanneer aanpassing of vervanging van een bestaand verbrandingstoestel aan de orde is.

De op 1 januari 2018 inwerking getreden wet Verbetering functioneren verenigingen van eigenaars (Stb 2017, 241) verplicht VvE’s voldoende middelen voor groot onderhoud, zoals collectieve rookgasafvoeren, te reserveren.14 In aanvulling op de hiervoor genoemde wet is het van belang dat de kennis en het bewustzijn binnen VvE’s over de gevaren van koolmonoxide en het risico van verspreiding van koolmonoxide binnen het gebouw door niet goed aangelegde of onderhouden installaties waaronder de collectieve rookgasafvoer wordt vergroot. Met de communicatiecampagne wordt hierin voorzien. Daarbij worden ook het eerder opgestelde infoblad en de handreiking voor VvE’s geactualiseerd. Een onderzoekplicht zoals door Techniek Nederland genoemd is niet aan de orde.

4 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huis-kopen/geld-reserveren-voor-groot-onderhoud-appartementengebouw.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

Juridisch-Technische Commissie en het Overlegplatform Bouwregelgeving

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. Het JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken. Door twee organisaties binnen de JTC zijn beperkt vragen gesteld over de bepalingsmethode. Dit heeft geleid tot enige aanvulling in de artikelsgewijze toelichting.

Internetconsultatie

De conceptregeling is voorgelegd in een internetconsultatie. Hierop zijn reacties van 27 particulieren en 18 bedrijven of organisaties ontvangen.

De meeste reacties hadden betrekking op de geluidseisen zelf. In reactie hierop wordt opgemerkt dat de geluidseisen geen onderwerp zijn van de wijzigingsregeling. De geluidseisen zijn vastgelegd in het bovenliggende wijzigingsbesluit 5 en zijn daarin toegelicht en onderbouwd. Verder zijn de geluidseisen nader toegelicht in reactie op vragen van de Tweede Kamer in het kader van de voorhang van dat besluit 6.

5 Stb. 2020, 189

6 Tweede Kamer, Vergaderjaar 2018–2019, 32 757, nr.155

De reacties die betrekking hadden op de bepalingsmethode hebben geleid tot aanpassingen in de artikelteksten. Het gaat hierbij met name om de volgende zaken.

  • Toegevoegd is dat bij installaties voor tapwaterproductie en ruimteverwarming die bij het ontdooien geen gebruik maken van de aanwezige warmte in de woning of een speciaal warmtebuffer, de metingen ook worden uitgevoerd bij het ontdooien.
  • De correctie met - 5 dB van het gemeten geluidsniveau bij een gemeenschappelijke, geheel gesloten erfafscheiding is beperkt tot situaties waarbij de bescherming van de buitenruimte maatgevend is.
  • De correctie voor de reflectie tegen een achterliggende constructie (gevel) is aangepast en beperkt tot situatie waarbij geen sprake is van een buitenruimte.

Daarnaast hebben de reacties geleid tot aanvullingen in de toelichting bij de wijzigingsregeling.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

De aanpassingen zijn met name doorgevoerd conform een verzoek vanuit de Programmaraad Gebouwenergieprestatie om eventuele fouten tijdens de doorontwikkeling te repareren en deze zijn conform een vooraf afgestemde procedure in afstemming met de projectgroep en Programmaraad doorgevoerd (zie boven). JTC en OPB zijn hierin niet gekend. Het concept van de regeling is niet gepubliceerd in het kader van internetconsultatie omdat het hier om ondergeschikte technische en redactionele wijzigingen gaat.

u.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. Het JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken. Dit heeft geleid tot enige aanpassingen.

Het concept van de regeling is niet gepubliceerd in het kader van internetconsultatie omdat het hier vooral om ondergeschikte technische wijzigingen in normen gaat, waarbij de belanghebbende partijen zijn geconsulteerd in het kader van de JTC.

v.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 februari 2021, nr. 2021-0000069476 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een overgangsregeling voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 7104

De ontwerpregeling is niet voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB).

Deze overgangsregeling is in samenspraak met NEN, ISSO, InstallQ, NVCI en FeDEC (namens de brancheorganisaties FedEC en AvEPA en het opleiderscollectief) opgesteld.

w.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 juni 2021, nr. 2021-0000319006 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een verlenging van de overgangsregelingen voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 32830

De ontwerpregeling is niet voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB).

x.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236

De conceptregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB) voor schriftelijk commentaar, hierop zijn geen schriftelijke reacties ontvangen.

MKB-toets

De conceptregeling is enerzijds voorgelegd aan bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf die installatiekeuringen verrichten en anderzijds aan (branchepartijen van) gebouweigenaren uit het MKB die installatiekeuringen afnemen, via een MKB-toets. Op 24 juni 2021 heeft deze MKB-toets plaatsgevonden in de vorm van een digitaal panelgesprek. Naar aanleiding van dit gesprek zijn er drie zaken aangepast. Ten eerste is er vanwege een kennelijke verschrijving een correctie gedaan in bijlage XI na een opmerking hierover tijdens het panelgesprek. Ten tweede is de toelichting aangevuld met informatie over de frequentie van de benodigde keuringen. Er is uitgelegd waarom er verschil in frequentie is tussen enerzijds keuringen van verwarmingssystemen en anderzijds keuringen van airconditioningssystemen en gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen. Zo wordt getracht onduidelijkheid hierover weg te nemen. Ten slotte is de toelichting aangevuld met informatie over de afbakening van gecombineerde systemen (met een luchtbehandelingskast) naar aanleiding van een vraag hierover tijdens het gesprek. In de toelichting is aangegeven welk keuringsregime geldt in deze situaties zodat hierover eenduidigheid bestaat bij marktpartijen en gebouweigenaren.

Internetconsultatie

De conceptregeling is in juli 2021 6 weken geconsulteerd via internet. Hierop zijn 6 reacties ontvangen. De reacties en de beantwoording daarvan zijn te raadplegen op www.internetconsultatie.nl. Enkele reacties betroffen de vraag in hoeverre de deskundigen rekening houden met het gedrag van aerosolen en het geluid van airconditioningsystemen en warmtepompen. Aangegeven is dat de voorliggende regeling niet ziet op eisen over ventilatie en geluid. Verder is naar aanleiding van een reactie verduidelijkt dat de deskundigen geen bestuursorganen zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Enkele reacties gingen over de vraag waarom de keuringen van EPBD-stook en EPBD-koel niet zijn samengevoegd en of dit niet leidt tot hogere kosten voor de eindgebruiker. De keuringen zijn al jaren separaat, waardoor er geen reden is te veronderstellen dat dit nu ineens tot hogere kosten zou leiden. Daarnaast vragen de twee keuringen om duidelijk verschillende expertises en betreffen zij verschillende systemen waardoor er geen aanleiding is te veronderstellen dat samenvoegen tot lagere kosten zou leiden. Verder zou het samenvoegen van de keuringen tot hogere kosten kunnen leiden voor verwarmingssystemen die niet gekoppeld zijn aan een aircoconditioningsysteem. Ik schat dan ook in (opgenomen in lastenmeting van Besluit) dat dit aantal vele malen groter is dan het aantal gebouwen waarin te keuren verwarmings- en aircosystemen naast elkaar voorkomen.

y.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2021, nr. 2021-0000663746, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie, Stcrt. 2021, 49993

JTC

De conceptregeling is op donderdag 3 juni 2021 voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB) met het verzoek om een eventuele reactie schriftelijk te geven na het overleg. Dit heeft geleid tot twee reacties. Ten eerste ziet NEN Bouw & Installatie graag een redactionele wijziging in de leidraad ten aanzien van de doorverwijzing naar NEN bij vragen. Deze wijziging is overgenomen. Ten tweede geeft Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw aan dat er naar hun oordeel niet kan worden verwezen naar de leidraad in de regeling, omdat het een privaat opgesteld document is. Het verzoek is daarom om de leidraad als zodanig geen onderdeel van de wetgeving te laten zijn. Het verzoek wordt niet gehonoreerd. De leidraad als zodanig heeft een publiekrechtelijk karakter door de aanwijzing in de regeling.

Klankbordgroep

De Leidraad hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie is opgesteld in samenspraak met een klankbordgroep met daarin marktpartijen en het bevoegd gezag. De klankbordgroep bestaat uit VNG, Rijksvastgoedbedrijf, gemeente Amsterdam, gemeente Rotterdam, gemeente Den Haag en branche-partijen zoals Aedes, Techniek Nederland en Bouwend Nederland. In het eerste en het tweede kwartaal van 2021 zijn 2 digitale bijeenkomsten georganiseerd en hebben de leden van de klankbordgroep de mogelijkheid gekregen om schriftelijk te reageren op een concept van de leidraad. Dit heeft niet geleid tot reacties. In aanvulling op de klankbordgroep is er een digitale bijeenkomst georganiseerd over cultureel erfgoed en de leidraad. Deze groep bestaat uit het Ministerie van OCW, Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Stichting ERM, de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit en Federatie Instandhouding Monumenten, Federatie Grote Monumentengemeenten. In het tweede kwartaal van 2021 is de digitale bijeenkomst georganiseerd en hebben de leden van de klankbordgroep cultureel erfgoed de mogelijkheid gekregen om schriftelijk te reageren op een concept van de leidraad. Dit heeft geleid tot schriftelijke vragen van stichting ERM over de definities en uitgangspunten van een aantal energiebronnen- en dragers zoals deze zijn opgesteld in NTA 8800 en de opwek van windenergie op eigen perceel. De vragen hebben geleid tot een verduidelijking in de leidraad met betrekking tot windenergie met een directe fysieke koppeling met het perceel, of op het perceel zelf. Deze energie mag meetellen om aan deze verplichting te voldoen.

MKB-toets

Bij de totstandkoming van het wijzigingsbesluit is een MKB-toets uitgevoerd op 7 december 2020. De leidraad is voorgelegd voor schriftelijk commentaar aan de MKB-ondernemers die zich hebben aangemeld voor de MKB-toets van 7 december 2020. Op die manier kan rekening worden gehouden met de aandachtspunten die de ondernemers aandragen vanuit hun achtergrond als MKB’er en hun ervaringen in de praktijk bij de verdere uitwerking van de leidraad. De schriftelijke ronde voor commentaar heeft echter niet geleid tot reacties van de MKB-ondernemers. Er zijn daarom geen wijzigingen aangebracht in de leidraad naar aanleiding hiervan.

Internetconsultatie

De internetconsultatie vond plaats van 19 mei 2021 tot en met 16 juni 2021 en leidde tot 4 openbare reacties. De reacties zijn afkomstig van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, Brandweer Nederland en twee particulieren. Een deel van de reacties in de internetconsultatie gaan niet zozeer over de voorgenomen regeling en concept leidraad. Het betreffen veelal reacties die reeds zijn ingediend bij de advies- en consultatieronde ten aanzien van het wijzigingsbesluit, waarvan deze regeling de nadere uitwerking bevat. Voor een antwoord op deze reacties wordt verwezen naar het betreffende onderdeel in de nota van toelichting van het wijzigingsbesluit. De reactie van Brandweer Nederland over brandveiligheid bij toepassing van zonnepanelen op daken heeft geleid tot een aanvulling van de leidraad. Wanneer een dak voorzien wordt van zonnepanelen, zijn namelijk ook andere onderdelen van de bouwregelgeving van belang. Zo moet de constructie het extra gewicht van de panelen aankunnen, en het nieuwe gebruik moet aan de brandveiligheidseisen blijven voldoen. Al deze eisen in het Biuwbesluit 2012 c.q het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna ook: Bbl) blijven onverminderd van toepassing en belang. Ongeacht of het gebruik van het dak voor hernieuwbare energie op vrijwillige basis wordt gerealiseerd of op basis van de verplichting in het wijzigingsbesluit hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie, moet altijd voldaan worden aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 c.q. het Bbl. Verder geeft Brandweer Nederland aan dat de huidige brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2012 en het Bbl en de door het Bouwbesluit 2012 aangestuurde normen niet zijn toegesneden op situaties waarbij zonnepanelen op het dak zijn aangebracht. De wijze waarop een zonnepaneel op of als onderdeel van de dakconstructie moet worden beoordeeld aan de eisen inzake brandgevaarlijkheid van een dak, uitbreiding van brand tussen verschillende brandcompartimenten is volgens Brandweer Nederland in ieder geval voor meerdere uitleg vatbaar. Naar aanleiding van Kamervragen (28 325, nr. 215) is toegezegd dat de relevante NEN-normen in opdracht van het Ministerie van BZK bezien worden. Door NEN is dit opgepakt en dit zal leiden tot voorstellen voor de aanpassing van de desbetreffende NEN-normen. De aangepaste NEN-normen zullen aangewezen worden in de bouwregelgeving en dus van toepassing worden op het aanbrengen en gebruik van zon-PV. Tenslotte is er nog een reactie ingediend die oproept tot het stellen van strengere eisen om overlast door houtstook in de gebouwde omgeving tegen te gaan. De reactie wordt intern onder de aandacht gebracht bij de betrokken collegae.

z.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 februari 2022, nr. 2022-0000078435, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van de actuele versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, Stcrt. 2022, 6293

De nieuwe versie van de Bepalingsmethode en de wijzigingsbladen zijn voorafgaand aan de vaststelling door de stichting NMD als volgt getoetst bij gebruikers, deskundigen en belanghebbende partijen uit de bouw.

  • De conceptversies van de nieuwe Bepalingsmethode en de wijzigingsbladen zijn in een openbare consultatie voorgelegd.
  • Na de consultatie zijn de nieuwe Bepalingsmethode en de wijzigingsbladen ter advies voorgelegd aan de Technische Inhoudelijke Commissie van de stichting NMD (TIC33).
  • De adviezen ter verwerking van de consultatiereacties zijn vervolgens vastgesteld door de Beleidscommissie Milieuprestatie NL van de stichting NMD (BMNL34). De BMNL is een adviesorgaan voor het bestuur van de stichting NMD. De BMNL is een brede afspiegeling van belangheb-bende partijen uit de bouw.
  • Zowel de TIC als de BMNL zijn akkoord gegaan met de nieuwe versie van de Bepalingsmethode en de wijzigingsbladen.
  • Op basis van dit akkoord heeft het bestuur van de stichting NMD de Bepalingsmethode versie 1.0 en de wijzigingsbladen vastgesteld.

33 In de TIC zitten inhoudelijk deskundige experts op het gebied van levenscyclusanalyses en de milieuprestatie van bouwwerken. De actuele samenstelling is gepubliceerd via www.milieudatabase.nl/, de website van de stichting NMD.

34 In de BMNL zitten vertegenwoordigers van en namens de belanghebbende partijen in de bouw, verdeeld over opdrachtgevers, gebruikers en leveranciers. De actuele samenstelling is gepubliceerd via www.milieudatabase.nl/, de website van de stichting NMD.

Internetconsultatie

De wijziging is van 26 november tot en met 24 december 2021 in openbare consultatie geweest. Tijdens deze openbare consultatie zijn geen opmerkingen geplaatst.

aa.Regeling van de de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 april 2022, nr. 2022-0000156915] tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800

Afstemming

De aanpassingen zijn met name doorgevoerd conform een verzoek vanuit de Programmaraad om eventuele fouten tijdens de doorontwikkeling en implementatie van het Stelsel EPG te repareren en nieuwe technieken te waarderen. Deze aanpassingen zijn conform een vooraf afgestemde procedure in afstemming met de Projectgroep NTA 8800 en Programmaraad doorgevoerd (zie boven).

Internetconsultatie

Op 11 december 2021 is de regeling via internet ter consultatie gegaan. De internetconsultatie werd gedurende de consultatieperiode tot 20 januari 2022 verlengd, omdat de documenten waarnaar in deze regeling verwezen worden niet direct beschikbaar waren. Op deze consultatie zijn 7 reacties ontvangen, waaronder het hierna behandelde ATR-advies. De reacties en de beantwoording daarvan zijn te raadplegen op www.internetconsultatie.nl.

Enkele reacties of onderdelen van de reacties zagen niet op de inhoud van de regeling en worden daarom hier niet behandeld. In onze beantwoording op de www.internetconsultatie.nl zijn we nader ingegeaan op de diverse aangevoerde argumenten.

Twee reacties betroffen de waardering van ‘groene’ restwarmte opgewekt in datacenters. In de NTA 8800 wordt restwarmte (in warmtenetten) al meegeteld als hernieuwbaar; dit is in hoofdstuk 5 van de NTA 8800 opgenomen. Specifieke waardering van restwarmte in warmtenetten is verder uitgewerkt in bijlage P (P.6.5.4.7) van de NTA 8800.

Een andere reactie dringt erop aan om in artikel 7.22 uit het Bouwbesluit 2012 (Restrisico gebruik bouwwerken, open erven en terreinen) strengere eisen te stellen met betrekking tot luchtvervuiling door houtrook. De wijziging die hier ter consultatie was, was echter geen wijziging van het Bouwbesluit 2012, maar een wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, specifiek op het onderwerp NTA 8800 en BRL 9500, dat hier geen relatie mee heeft. De reactie is onder de aandacht gebracht van de collegae die zich hier beleidsmatig mee bezighouden.

De laatste reactie betrof de passage over ‘actieve koelsystemen’ in de NTA 8800. De reactie geeft aan dat we hier meer inhoud aan moeten geven door aan te geven om welke koudebehoefte het gaat en aan de hand van welke richtlijnen dit moet worden getoetst. Hierdoor zou er meer bewustzijn kunnen komen voor het maken van een goed ontwerp voor het invullen van de koude behoefte, waardoor ook het terugbrengen van de koudebehoefte met passieve maatregelen meer aandacht verdient. De reactie heeft geen betrekking op de onderhavige wijziging, maar op reeds eerder vastgestelde inhoud van de NTA 8800. Verder is NTA 8800 een bepalingsmethode waarmee de energieprestatie van een energetisch concept wordt berekend (en kan worden gebruikt om te toetsen of aan bepaalde eisen wordt voldaan) en geen ontwerpmethode. In het consultatieverslag, in te zien via www.internetconsultatie.nl, wordt gedetailleerder ingegaan op de koudebehoefte.

ab.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 april 2022 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, houdende nadere regels inzake kwaliteitsborging voor het bouwen, Stcrt. 2022, 10958

De regeling bevat een nadere uitwerking van de eisen gesteld aan instrumenten voor kwaliteitsborging op het gebied van de opleidingseisen en de kosten van toezicht op het stelsel. In aanvulling op de consultatie en MBK-toets van het Besluit 35is een ontwerp van de regeling op 26 maart 2021 geconsulteerd in het reguliere overleg van de Regiegroep Wkb. In dit overleg is het ontwerp besproken met de vertegenwoordigers van de betrokken MKB-organisaties (Vereniging Kwaliteitsborging Nederland (VKBN), NLingenieurs / Branchevereniging Nederlandse Architecten (BNA), Aannemers Federatie Nederland (AFNL), Bouwend Nederland) en de MKB-ondernemers die onder deze brancheverenigingen vallen (Seconed (VKBN), Woningborg (VKBN) en Nieman (NLingenieurs). De regeling heeft met name betrekking op de werkzaamheden van kwaliteitsborgers en instrumentaanbieders. Via de vertegenwoordigers in de Regiegroep zijn alle kwaliteitsborgers (16 bedrijven) en instrumentaanbieders (5 bedrijven) in aanvulling op de bespreking in de Regiegroep in de gelegenheid gesteld om in de daaropvolgende periode van vier weken hun inbreng schriftelijk te leveren bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In aanvulling hierop is een reactie ontvangen van een (MKB) adviesbureau op het gebied van competentiemetingen op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Door partijen is het volgende ingebracht, hierna per onderwerp samengevat.

35 Zie ontwerp nota van toelichting bij het Besluit

Opleiding, kennis en ervaring kwaliteitsborger

MKB-brancheorganisaties en ondernemersorganisaties geven aan dat niet duidelijk is wanneer aan de eis actuele kennis van normen en regels is voldaan. Daartoe is artikel 5.14, derde lid, aangepast. Aangegeven is dat het instrument voor kwaliteitsborging voorschrijft dat beschikt moet worden over actuele kennis van de in het instrument genoemde deelgebieden. De wijze waarop dit dient te worden gedaan kan worden vastgelegd in een instrument en is uiteindelijk ter beoordeling aan de instrumentaanbieder.

Een van de MKB-ondernemers vraagt aandacht voor het beperkte aanbod van basis- en verdiepingscursussen. Het is aan de instrumentaanbieders om de vereiste opleiding en ervaring voor de kwaliteitsborging van bouwplannen te vertalen naar meer concrete eisen en / of opleidingen in hun instrumenten. De verwachting is dat verschillende marktpartijen hierop zullen inspelen en passende opleidingen zullen gaan aanbieden. Een voorbeeld daarvan is het door een aantal opleidingsinstituten opgestelde curriculum met eindtermen dat voor dergelijke opleidingen is opgesteld.36 In de toelichting is tevens verduidelijkt dat het voorgeschreven kennis binnen de organisatie van de kwaliteitsborger aanwezig moet zijn. De wijze waarop dit wordt georganiseerd is aan de kwaliteitsborger zelf, binnen de grenzen van de eisen in een instrument.

Administratieve organisatie van de kwaliteitsborger

Partijen geven aan dat zij de gegevens en bescheiden over de werkzaamheden van de kwaliteitsborging van een project graag gespecificeerd zien en willen voor de bewaartermijn van deze gegevens aansluiten bij de fiscale bewaartermijn dan wel bij de bewaartermijnen van garantie- en waarborgfondsen. Op voorhand is niet te bepalen welke gegevens bewaard moeten worden omdat het gaat om alle gegevens. Voor de bewaartermijn zal aangesloten worden bij de termijn die door de Belastingdienst wordt gehanteerd. Artikel 5.15 is hierop aangepast.

Informatieverstrekking van de kwaliteitsborger aan de instrumentaanbieder

Partijen vragen hoe de onafhankelijkheid van de kwaliteitsborger ten opzichte van het bouwwerk dient te worden aangetoond en beschreven in het instrument. Zij vragen of een (eigen)verklaring van de kwaliteitsborger waarin hij aangeeft dat naar zijn oordeel voldaan is aan de regels op dit punt, voldoende is. De wijze waarop dit geregeld wordt in een instrument is aan de instrumentaanbieder en uiteindelijk ter beoordeling aan de toelatingsorganisatie. Tevens wordt voorgesteld om voor de gevolgklassen te verwijzen naar de definitie hiervan volgens de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb), om verwarring met de gevolgklassen genoemd in de Eurocodes te voorkomen. Aangezien eventuele verwarring alleen zal spelen bij personen met kennis van de Eurocodes of met een constructieve opleiding wordt dit niet overgenomen. Dit ook omdat de term “gevolgklasse” inmiddels al enkele jaren in het stelsel van de Wkb gebruikt wordt en ook in de Wkb zelf is vastgelegd.

Verklaring gereedmelding

Een MKB-ondernemer vraagt of de verklaring bij gereedmelding per bouwwerk moet worden afgegeven. Dit is niet het geval, de verklaring en de gereedmelding hebben betrekking op de bouwactiviteit en deze kan (werkzaamheden aan) meerdere bouwwerken bevatten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) is37 opgenomen dat een bouw- of gereedmelding betrekking kan hebben één of meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.

Verdeelsleutel en doorberekenen toezichtkosten

Meerdere partijen geven aan dat de formule uit de regeling niet overeenkomt met de formule uit de toelichting. De toelichting is hierop aangepast.

36 Zie https://www.stichtingibk.nl/2020/02/19/opleidingseisen-kwaliteitsborging/.

37 Een EVC-branchestandaard beschrijft de vakbekwaamheidseisen waaraan een persoon werkzaam binnen een bepaalde branche moet voldoen. Op basis van de branchestandaard kan worden beoordeeld of een medewerker aan de eisen voldoet, bijvoorbeeld via een branchecertificaat of -erkenning.

Consultatie

Persoonsregister instellen voor kwaliteitsborgers

Partijen stellen voor om – op basis van een te ontwikkelen EVC (Erkenning van Verworven Competenties)-branchestandaard38 – een register in te stellen waarin wordt bijgehouden welke personen voldoen aan de in artikel 5.14 gestelde opleidings-, kennis en ervaringseisen. Hiervoor zou een relatie gelegd kunnen worden met de systematiek van de Wet BIG (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg).Een register waarin gekwalificeerd personeel voor kwaliteitsborgers wordt opgenomen kan zeker een goed hulpmiddel zijn. Een onderzoek van het Constructeursregister uit 201539 laat ook zien dat er in de markt draagvlak is voor een dergelijk register en de verwachting is ook dat direct betrokken partijen een dergelijk register zullen opzetten. Om die reden wordt de uitvoering dan ook aan marktpartijen overgelaten. Ter ondersteuning hiervan is subsidie verstrekt voor het opzetten van een EVC-branchestandaard, zodat het niveau van medewerkers objectief kan worden beoordeeld en vastgelegd.

38 Een EVC-branchestandaard beschrijft de vakbekwaamheidseisen waaraan een persoon werkzaam binnen een bepaalde branche moet voldoen. Op basis van de branchestandaard kan worden beoordeeld of een medewerker aan de eisen voldoet, bijvoorbeeld via een branchecertificaat of -erkenning.

39 https://www.stichtingibk.nl/wp-content/uploads/2014/01/Rapport-Draagvlak-Register.pdf.

Definitie kwaliteitsborger

Een partij merkt op dat “kwaliteitsborger”40 nu zo gedefinieerd is dat eigenlijk alleen een rechtspersoon (bedrijf, instelling) aan alle voorwaarden kan voldoen. Dit maakt het stelsel voor eenvoudige kleine bouwwerken aan de onderkant van gevolgklasse 1 onnodig kostbaar. Verder wordt voorgesteld om voor veel voorkomende kleine bouwwerken de opleidingseisen in artikel 5.14 Rb, eerste lid, onder a en b, op MBO-4 te stellen, ook met als doel de kosten voor kwaliteitsborging van eenvoudige kleine bouwwerken te beperken.De kwaliteitsborger moet als organisatie alle benodigde kennis in huis hebben die noodzakelijk is voor het toetsen van bouwplannen en het controleren van de bouw. Binnen de organisatie van een kwaliteitsborger moeten medewerkers voldoende zijn opgeleid voor en ervaringen hebben met het kunnen beoordelen van de constructieve veiligheid, brandveiligheid, bouwfysica, gezondheid, energiezuinigheid en milieu. Dit betekent niet dat elke medewerker afzonderlijk alle kennis in huis moet hebben en ook niet dat er geen mensen op MBO-4 binnen de organisatie van de kwaliteitsborger werkzaam kunnen zijn. In overeenstemming met de eisen gesteld in de Kwaliteitscriteria 2.241 wordt een opleiding op HBO-niveau voor een aantal specifieke onderdelen noodzakelijk geacht. Het gaat daarbij om een werk- en denkniveau en bijbehorende ervaring en niet om het opleidingsniveau. De definitie is hierop niet aangepast.

40 Een kwaliteitsborger is een natuurlijk persoon of rechtspersoon die met toestemming van de instrumentaanbieder een toegelaten instrument voor kwaliteitsborging toepast.

41 Kwaliteitscriteria die in het kader van de Wet verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn opgesteld. Zie voor de Kwaliteitscriteria 2.2: https://bit.ly/32g8jSs

Opleidings- en ervaringseisen

Vier partijen vragen of bij de regels met betrekking tot opleiding, kennis en ervaring niet nauwer moet worden aangesloten bij de Kwaliteitscriteria 2.2, op basis waarvan mede invulling wordt gegeven aan de kwaliteitsbevordering van de uitvoering en handhaving door het bevoegd gezag zoals vereist in paragraaf 5.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Zoals toegelicht, is in de basis aangesloten bij deze kwaliteitscriteria (de eisen voor complexe bouwwerken), waarbij gekozen is het werk- en denkniveau, het benodigde kennisniveau en de minimale werkervaring als uitgangspunt te hanteren. Materieel gezien komen de eisen daarmee overeen met de eisen in de Kwaliteitscriteria 2.2, waarbij – in tegenstelling tot in de kwaliteitscriteria – in de regeling generiek is uitgegaan van minimaal 3 jaar werkervaring. De reden om geen opleidingen te benoemen maar uit te gaan van benodigde competenties is tweeledig. Ten eerste zijn er weinig specifieke opleidingen in de markt op dit gebied beschikbaar en leidt het noemen van meer specifieke opleidingen tot een onnodige inperking. Met name ook omdat de benodigde kennis en ervaring (ook nu al) in de praktijk met name door ervaring is verkregen. Ten tweede maakt de beschrijving zoals opgenomen in de regeling het eenvoudiger mogelijk om op basis van eerder verkregen competenties – ook zonder een specifieke opleiding – voor een kwaliteitsborger te kunnen werken.

Een partij geeft aan dat de mogelijkheid om uit te gaan van verkregen competenties in plaats van opleidingen in de regeling niet aansluit bij het toetskader van de toelatingsorganisatie voor het toelaten van instrumenten.In dat toetskader is opgenomen “dat door middel van aantoonbare gelijkwaardigheid afgeweken kan worden van de omschreven minimumeisen: pas toe of leg uit (comply of explain)”, wat aansluit op de tekst van de regeling.

Verder is geconstateerd dat de eisen in het kader van het beoordelen van de brandveiligheid in de ontwerpregeling niet aansluiten bij de eisen in de kwaliteitscriteria voor complexe situaties.Om die reden is ook hiervoor alsnog een HBO-niveau opgenomen in de regeling.

Kritieke massa

Deze partijen vragen ook waarom in de regeling niet gekozen is voor het voorschrijven van een minimum aantal medewerkers dat aan de gestelde eisen moet voldoen (kritieke massa). In de Kwaliteitscriteria 2.2 is dit wel gedaan, waarbij de kritieke massa overigens niet gekoppeld is aan het aantal vergunningaanvragen dat een gemeente in een bepaalde periode binnenkrijgt; het betreft een ondergrens. Een kwaliteitsborger zal zorg moeten dragen voor voldoende gekwalificeerd personeel en zal dit ook moeten kunnen aantonen. Is sprake van een groot aantal projecten, dan zal het aantal gekwalificeerde medewerkers hiermee in overeenstemming moeten zijn. Het is aan de instrumentaanbieder om hierop toe te zien. In de toelichting is dit verduidelijkt.

Verplichte bijscholing

Verschillende partijen vragen zich af of geen wettelijke eisen aan de verplichte bijscholing moeten worden gesteld en of de toelatingsorganisatie een rol heeft in erkenning of accreditatie van opleidingen.Ter verduidelijking is de tekst van de regeling aangepast zodat duidelijk is dat medewerkers te allen tijde moeten beschikken over actuele kennis en alle benodigde kennis ten minste een maal per twee jaar moeten actualiseren. Verdere invulling van opleidingen en bijscholing wordt overgelaten aan de markt en is ter beoordeling aan de instrumentaanbieders en de toelatingsorganisatie bij toelating van instrumenten voor kwaliteitsborging.

Beoordeling van de bouwactiviteit

Volgens één partij ontbreken eisen voor het beoordelen van gelijkwaardige maatregelen. Het beoordelen van gelijkwaardige maatregelen – voor zover deze vallen onder gevolgklasse 1 – is echter geen afzonderlijke werkzaamheid, maar is onderdeel van de (integrale) beoordeling van een bouwplan.Tot slot merken twee partijen op dat, naast domeinspecifieke kennis, ook kennis nodig is voor de integrale beoordeling van een bouwactiviteit.Integrale beoordeling wordt geacht onderdeel te zijn van alle genoemde domeinen en het is aan de verantwoordelijke persoon voor de algemene coördinatie om dit te borgen. In de toelichting is dit verduidelijkt.

Een partij vraagt of kennis van private normen niet specifiek moet worden voorgeschreven. Kennis van publieke en private normen maakt onlosmakelijk deel uit van de benodigde kennis om een bouwactiviteit aan de desbetreffende regels van het Bouwbesluit 2012 te kunnen toetsen. Specifiek voorschrijven is dan ook niet noodzakelijk. Wel is de toelichting op dit punt verduidelijkt.

Overige onderwerpen

Een partij vraagt of de bewaartermijn niet in overeenstemming moet worden gebracht met de eisen uit de Archiefwet.De in de regeling opgenomen bewaartermijn geldt voor de dossiers met betrekking tot de werkzaamheden in het kader van kwaliteitsborging. Het is logisch om hierbij aan te sluiten bij de algemene bewaartermijn die de Belastingdienst hanteert voor dit soort projectgegevens. Voor de duidelijkheid is aan de toelichting toegevoegd dat de procedure rondom het vaststellen van de bewaartermijn zoals beschreven in de Archiefwet (de Archiefwet schrijft geen vast termijnen voor) van toepassing blijft op de gegevens en bescheiden van het dossier bevoegd gezag dat bij gereedmelding aan de gemeente worden verstrekt.

Gevraagd wordt om het verslag van de kwaliteitsborger inzake zijn onafhankelijkheid nader toe te lichten en hier aanvullende regels aan te stellen.De wijze waarop de onafhankelijkheid geregeld wordt in een instrument is aan de instrumentaanbieder en uiteindelijk ter beoordeling aan de toelatingsorganisatie en om die reden worden hieraan geen eisen gesteld. Wel is de tekst van de regeling aangepast zodat duidelijk is dat het gaat om een beschrijving van de (borging van de) onafhankelijkheid van de kwaliteitsborger ten opzichte van de te borgen bouwactiviteit.

Gevraagd wordt verder of de verdeelsleutel voor het doorrekenen van toezichtkosten niet leidt tot disproportionele kosten bij de seriematige woningbouw aangezien daar sprake is van repetitie en standaardisatie.De in rekening te brengen toezichtkosten zijn een bijdrage in de door de toelatingsorganisatie te maken kosten voor toezicht. In tegenstelling tot de kosten voor toelating gaat het hier niet om een directe vergoeding van de door de toelatingsorganisatie gemaakte kosten voor toezicht. Uitgangspunt is dat alle instrumentaanbieders – en in het verlengde daarvan de kwaliteitsborgers – profijt hebben van goed toezicht. Instrumenten die veelvuldig worden toegepast en een groter deel van de totale omzet binnen de sector verwerven, hebben daarbij het meeste profijt van het toezicht. Aangezien een directe koppeling aan omzet per instrument zou leiden tot een te complexe berekeningsmethode is gekozen deze te koppelen aan het aantal bouwwerken dat met een instrument wordt geborgd.

Ten slotte is opgemerkt dat de uitwerking van artikel 3.87 van het Bkl ontbreekt in de regeling.Het uitwerken van artikel 3.87, derde lid, is een bevoegdheid. Deze bepaling wordt vooralsnog niet uitgewerkt, maar aan instrumentaanbieders overgelaten. Frequentie en diepgang van het toezicht op de kwaliteitsborgers zal daarbij logischerwijs mede afhangen van resultaten van voorafgaand toezicht en mogelijke andere signalen over de kwaliteitsborger. Bij toelating van instrumenten is het aan de toelatingsorganisatie om te beoordelen in hoeverre de voorgeschreven aanpak met betrekking tot het toezicht op kwaliteitsborgers voldoende is.

Verder zijn er naar aanleiding van de opmerkingen enkele redactionele aanpassingen doorgevoerd.

ac.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2023, nr. 2023-0000223264 tot wijziging van de Omge-vingsregeling en enkele andere regelingen in verband met een nieuwe versie van NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij BRL 9500 en BRL 9501, Stcrt. 2023, 12584

Internetconsultatie

Een concept van deze regeling is in openbare internetconsultatie geweest van 25 november 2022 tot 23 december 2023. Op de internetconsultatie zijn vier reacties binnengekomen. Het betreft twee individuen, één bedrijf en één stichting. Drie van de reacties zagen op de inhoud van de regeling. De vierde reactie had geen betrekking op de NTA 8800 maar een ander onderwerp. Deze reactie heeft niet geleid tot een wijziging van deze regeling en wordt hier verder niet behandeld. Twee van de reacties gingen in op de inhoud van de NTA 8800. In een van de reacties werd opgemerkt op dat enkele bepalingen in het wijzigingsblad BRL-9500W/U 010223 onduidelijk waren. Dit commentaar heeft niet geleid tot wijziging van de regeling, maar is wel doorgestuurd naar InstallQ, de beheerder van de BRL-9500.

In een tweede reactie werd opgemerkt dat de ISSO-opnameprotocollen niet in lijn zouden zijn met de Europese Verordening Bouwproducten (CPR 305/2011). De reactie is gebaseerd op een onjuist antwoord op de KEGO-website42. Op haar website behandelt KEGO de vraag hoe er moet worden om gegaan met prestatieverklaringen van fabrikanten (Declarations of Performance) onder de Construction Products Regulation 350/2011 . De ISSO-opnameprotocollen zijn echter wel in lijn met deze Europese regels. KEGO is op de hoogte gebracht van de omissie in hun antwoord.

Een vierde reactie merkte op dat de NTA8800:2023 nog niet definitief was vastgesteld ten tijde van de internetconsultatie, terwijl kenbaarheid een vereiste voor regelgeving zou zijn. Het is inderdaad vereist dat regelgeving voor de burger kenbaar is. Dit geldt alleen voor regelgeving die al van toepassing is. Regelgeving die in consultatie wordt gebracht is per definitie nog niet vastgesteld en kan, bijvoorbeeld naar aanleiding van de consultatie, nog gewijzigd worden .

42 Op de site van Stichting KEGO (https://stichtingkego.nl/) staan onder meer een aantal Q+A’s over het stelsel energieprestatie.

4Code Interbestuurlijke Verhoudingen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code Interbestuurlijke Verhoudingen.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De VNG maakt geen gebruik van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. Zij heeft ambtelijk aangegeven geen opmerkingen op het ontwerp van deze regeling te hebben.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven ten aanzien van het ontwerp van dit besluit geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven ten aanzien van het ontwerp van deze regeling geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven ten aanzien van het ontwerp van deze regeling geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regelingen

De VNG maakt geen gebruik van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. Zij heeft ambtelijk aangegeven geen opmerkingen op het ontwerp van deze regeling te hebben

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

De regeling is niet aan de VNG voorgelegd voor de wijziging van onderhavige regeling.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.

De Vereniging van Nederlandse gemeenten heeft aangegeven ten aanzien van het ontwerp van deze regeling geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met het ontwerp van artikel I.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met de inhoud van deze wijzigingsregeling.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met de inhoud van deze wijzigingsregeling.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met de inhoud van deze wijzigingsregeling.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met de inhoud van deze wijzigingsregeling

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG stemt met deze regeling in.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG heeft geen opmerkingen gemaakt.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. Door de VNG is aandacht gevraagd voor een aantal aspecten met betrekking tot toezicht en handhaving van de bepalingen door gemeenten en omgevingsdiensten, waaronder de toegang van bevoegd gezag tot gegevens in het afmeldregister voor keuringen. Hier zal samen met de VNG nader naar worden gekeken in het kader van het opstellen van een handhavingsprotocol. De reactie van de VNG op de ontwerpregeling heeft overigens niet geleid tot aanpassing van de regeling.

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven zich te kunnen vinden in deze wijzigingsregeling.

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG heeft geen opmerkingen gemaakt.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

De VNG merkt in haar reactie met name op dat bij een gemeten concentratie koolmonoxide van tussen de 0 en 5 ppm de kans bestaat dat burgers, en dan in het bijzonder huurders en leden van een Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE), een beroep op de gemeente zouden kunnen gaan doen als ze zich hierover zorgen maken. Deze verzoeken tot handhaving zouden dan leiden tot extra activiteiten aan de kant van de gemeenten. Daarnaast wijst de VNG op het groeiend aantal ‘toezicht en handhavingsopdrachten’ dat bij gemeenten komt te liggen en dat de uitvoeringscapaciteit van gemeenten hier niet goed bij aansluit waardoor gemeenten ook prioriteiten in de handhaving zullen moeten stellen. De VNG vraagt daarom in het stelsel een evaluatiemoment op te nemen zodat goed inzichtelijk wordt hoe groot de impact van het stelsel voor gemeenten is en om – indien nodig – te bezien of er aanleiding is om gemeenten hiervoor te compenseren.

Over de verplichting om bij een in de opstellingsruimte van het toestel gemeten concentratie koolmonoxide tussen de 0 en 5 ppm de gebruiker of bewoner en eigenaar te infomeren zijn bij de internetconsultatie meerdere vragen gesteld. Omdat een concentratie tussen de 0 en 5 ppm niet leidt tot risico’s voor de gezondheid heb ik (zoals nader toegelicht in paragraaf 4.3) besloten deze verplichting niet meer in de regeling op te nemen. Hiermee geef ik invulling aan de bij de internetconsultatie gemaakte opmerkingen en het door de VNG geuite zorgpunt dat bij deze lage concentratie door burgers mogelijk snel een beroep op de gemeente zal worden gedaan. Met betrekking tot het door de VNG verzochte evaluatiemoment merk ik op dat het stelsel hierin voorziet. Dit evaluatiemoment is voorzien drie jaar na inwerkingtreding van het stelsel en daarmee anderhalf jaar na inwerkingtreding van de in het stelsel opgenomen verbodsbepaling. In het kader van de internetconsultatie zijn 13 reacties ingediend.

Naast de hiervoor genoemde leden van het OPB (Techniek Nederland, ERB en Kiwa) zijn dat de Stichting Nederlandse Haarden en Kachelbranche (hierna: Stichting NHK), de Raad voor Accreditatie (hierna: RvA), ATR, een installatiebedrijf, de Nederlandse Verwarmingsindustrie en 5 anonieme reacties. De meeste reacties bij de conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 hebben betrekking op de koolmonoxideconcentraties (ppm’s) waarop in het kader van het stelsel moet worden getoetst. Daarnaast is het voorstel gedaan om een verplichting in de regeling op te nemen om de concentratie koolmonoxide ook in de verbrandingsgassen van het toestelzelf te meten. Andere reacties betreffen opmerkingen die veelal eerder zijn gemaakt bij de totstandkoming van de Wet van 26 juni 2019 tot wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (Stb. 2019, 383) en bij het besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties Stb. 2020, 348), waarin het wettelijk stelsel is uitgewerkt. Het betreft hier opmerkingen met betrekking tot handhaving van het stelsel, de kosten van het stelsel, de vakbekwaamheid van de installateur, de geldigheid van eerder behaalde diploma’s, periodiek onderhoud, verkoop van toestellen aan particulieren, de rol van verzekeraars, koolmonoxidemelders, het te gebruiken beeldmerk en het openbaar register, de in het kader van het stelsel te voeren campagne en het afmelden van uitgevoerde werkzaamheden. Ook zijn een aantal opmerkingen van regelingtechnische aard gemaakt. Hier is zoveel mogelijk rekening mee gehouden.

Verder merk ik naar aanleiding van de internetconsultatie op dat het wettelijk stelsel een vergunningstelsel is in de zin van artikel 1 van de Dienstenwet. De Dienstenwet betreft de implementatie van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376). Dit is nader toegelicht in de memorie van toelichting bij de wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van dit wettelijk stelsel. 1

Voor de uitoefening van haar taken in het kader van dit stelsel wordt een certificerende instelling aangemerkt als Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO).

1 Kamerstukken II 2017/18, 35 022, nr.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG vindt dat de geluidseisen onvoldoende bescherming geven en vraagt om lokaal maatwerk voor gemeenten. In reactie hierop wordt opgemerkt dat de geluidseisen zelf geen onderwerp zijn van de wijzigingsregeling maar alleen de bepalingsmethode. De geluidseisen zijn vastgelegd in het bovenliggende wijzigingsbesluit en zijn daarin toegelicht en onderbouwd. Verder zijn de geluidseisen nader toegelicht in reactie op vragen van de Tweede Kamer in het kader van de voorhang van het wijzigingsbesluit 2. Bij de geluidseisen is in het wijzigingsbesluit geen maatwerk mogelijk voor gemeenten. Dit betreft zowel voor het Bouwbesluit 2012 als het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl). Beide besluiten gaan namelijk uit van landelijke uniforme bouwvoorschriften. Dit principe van landelijke uniforme bouwvoorschriften is geen onderwerp van de onderhavige internetconsultatie die namelijk alleen gaat over bepalingsmethode. Ten aanzien van de bepalingsmethode zelf maakt de VNG een opmerking betreffende de tonaliteitsbepaling die afwijkend is van de HMRI. In reactie hierop wordt opgemerkt de HMRI voor de bepaling van tonaal geluid niet aansluit bij de meest actuele norm NEN-ISO 1996-2. Daarnaast sluit deze HMRI-methode niet aan op de productinformatie die de meeste leveranciers van installaties hebben over tonaal geluid. Deze productinformatie is al beschikbaar voor de Duitse markt en is gebaseerd op de Zwitserse norm DIS47315/150257. De meeste leveranciers opereren internationaal en hebben een groot aantal installatietypen. Het voorschrijven van de Nederlandse HMRI-methode voor de bepaling van tonaliteit, zou betekenen dat de leveranciers op korte termijn veel laboratoriumonderzoeken (opnieuw) moeten laten uitvoeren. Om invoeringsproblemen te voorkomen is daarom gekozen toe te staan dat deze Duitse methode tot 1 januari 2024 gebruik kan worden voor de bepaling van de tonaliteit. Daarnaast is voor de tonaliteitsbepaling de NEN-ISO 1996-2 aangewezen. Tot 1 januari 2024 kan men zowel deze norm gebruiken als de methode die gebaseerd is op de genoemde Zwitserse norm.

2 Stb. 2020, 189 en Kamerstukken II, 2018–2019, 32 757, nr.155

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

De ontwerpregeling is niet voorgelegd.

u.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG heeft geen opmerkingen gemaakt

v.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 februari 2021, nr. 2021-0000069476 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een overgangsregeling voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 7104

De regeling is niet voorgelegd aan de VNG en het IPO.

w.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 juni 2021, nr. 2021-0000319006 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een verlenging van de overgangsregelingen voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 32830

De regeling is niet voorgelegd aan de VNG en het IPO.

x.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236

De conceptregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

De VNG heeft in haar reactie aangegeven dat zij deze nadere uitwerking steunen. Daarnaast is er door BZK en VNG samengewerkt aan een handhavingsprotocol.

y.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2021, nr. 2021-0000663746, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie, Stcrt. 2021, 49993

De conceptregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG heeft aangegeven dat zij graag zien dat de leidraad niet dwingend wordt voorgeschreven in de regeling, omdat VNG de status van het instrument niet eenduidig en helder vindt. VNG is van mening dat van gebruik van deze instrumenten voor normering zoveel mogelijk dient te worden afgezien. Er is inderdaad voor gekozen de leidraad niet dwingend voor te schrijven. De leidraad is bedoeld als handreiking om het werken met de eis en uitzonderingssituaties in de praktijk te vereenvoudigen. De leidraad biedt houvast, maar het staat het bevoegd gezag vrij de uitzonderingssituaties verder te duiden en zo maatwerk te leveren.

z.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 februari 2022, nr. 2022-0000078435, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van de actuele versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, Stcrt. 2022, 6293

De wijziging is niet voorgelegd aan de VNG.

aa.Regeling van de de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 april 2022, nr. 2022-0000156915] tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800

De regeling is niet voorgelegd aan de VNG en het IPO.

ab.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 april 2022 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, houdende nadere regels inzake kwaliteitsborging voor het bouwen, Stcrt. 2022, 10958

De regeling is niet voorgelegd aan de VNG en het IPO.

ac.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2023, nr. 2023-0000223264 tot wijziging van de Omge-vingsregeling en enkele andere regelingen in verband met een nieuwe versie van NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij BRL 9500 en BRL 9501, Stcrt. 2023, 12584

De regeling is niet voorgelegd aan de VNG en het IPO.

5Toetsing administratieve lasten

De ontwerpregeling is niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten. Het gaat in deze regeling alleen om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat er geen reeds bestaande of nieuwe eisen worden aangescherpt, zodat geen sprake is van nieuwe of extra administratieve lasten.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen
1.Administratieve lasten

Het gaat in deze wijzigingsregeling alleen om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat er in principe geen sprake is van nieuwe of extra administratieve lasten als gevolg van deze regeling. Er is wel sprake van een lastenverhoging als uitvloeisel van de inwerkingtreding van de afdelingen 6.12 (per 1 juli 2012) en 5.2 (per 1 januari 2013) van het Bouwbesluit 2012. Op basis van het rapport ‘Administratieve lastentoets indieningsvereisten wijzigingsregeling Mor’ (SIRA, oktober 2011) kan worden vastgesteld dat de bepalingen over veilig onderhoud gebouwen leiden tot een verhoging van de administratieve lasten per jaar van € 547.000 voor bedrijven en 1.900 uur voor burgers. De administratieve lasten die voortvloeien uit de voorschriften over de milieubelasting van het gebouw als gevolg van de toe te passen materialen zullen op basis van datzelfde onderzoek jaarlijks naar verwachting ongeveer € 14.500.000 voor bedrijven bedragen.

2.Bestuurlijke lasten

De gevolgen van het Bouwbesluit 2012 voor de bestuurlijke lasten zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit. De onderhavige wijzigingsregeling heeft geen nieuwe gevolgen voor die lasten.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht
1.Algemeen

Deze regeling leidt niet tot een wijziging van de regeldruk. De voorschriften hebben met name betrekking op verbetering van bestaande artikelen, en wat betreft de wijziging van de Regeling omgevingsrecht, uitwerking van een voorschrift uit het Bouwbesluit 2012.

2.Administratieve lasten

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en van de Regeling omgevingsrecht leidt tot eenmalige administratieve lasten voor die bedrijven en overheden die kennis moeten nemen van de inhoud van deze regeling. Het gaat om circa 600 partijen, te weten gemeenten, grote adviesbureaus, installateurs en aannemers. Deze partijen zullen gemiddeld eenmaal een uur besteden ter waarde van gemiddeld € 50. De totale lasten bedragen hiermee circa € 30.000. De vraag of er voldoende aandacht is besteed aan alternatieven die mogelijk minder lasten met zich meebrengen is hier niet relevant. Het gaat in deze wijzigingsregeling met name om de consequenties van het wijzigen van normen, het aanwijzen van nieuwe normen en een BRL en het uitwerken van normen die in het Bouwbesluit 2012 zijn aangewezen. De administratieve lasten van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

3.Bestuurlijke lasten

Deze wijzigingsregeling leidt, omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012, niet tot bestuurlijke lasten. De bestuurlijke lasten van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen
1.Algemeen

Deze regeling leidt niet tot een wijziging van de regeldruk. De voorschriften zijn met name een uitwerking van de artikelen 5.6, derde lid, en 6.55 van het Bouwbesluit 2012.

2.Administratieve lasten

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en van de Regeling omgevingsrecht leidt tot eenmalige administratieve lasten voor die bedrijven en overheden die kennis moeten nemen van de inhoud van deze regeling. Het gaat om circa 600 partijen, te weten gemeenten, grote adviesbureaus, installateurs en aannemers. Deze partijen zullen gemiddeld eenmaal een uur besteden ter waarde van gemiddeld € 50. De totale lasten bedragen hiermee circa € 30.000. De vraag of er voldoende aandacht is besteed aan alternatieven die mogelijk minder lasten met zich meebrengen is hier niet relevant. Het gaat in deze wijzigingsregeling met name om uitwerking van voorschriften in het Bouwbesluit. De administratieve lasten van de desbetreffende wijziging van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

3.Bestuurlijke lasten

Deze wijzigingsregeling leidt, omdat het alleen gaat om uitwerking van de artikelen 5.6, derde lid, en 6.55 van het Bouwbesluit 2012, niet tot bestuurlijke lasten. De bestuurlijke lasten van de desbetreffende wijziging van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht
1. Algemeen

Deze regeling leidt niet tot een significante wijziging van de regeldruk. Dit blijkt uit het rapport ‘Effectmeting wijziging bouwregelgeving, Doorrekening van de effecten van de wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 op de administratieve lasten en nalevingskosten voor bedrijven en burgers en de bestuurlijke lasten van de overheid’ (SIRA, juli 2013). Met uitzondering van de in de onderdelen E en G opgenomen voorschriften zijn de regeldrukeffecten van deze wijzigingsregeling neutraal. Daarbij wordt opgemerkt dat de voorschriften in deze wijzigingsregeling, met uitzondering van de onderdelen A en B uitsluitend zijn ter uitwerking van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. De onderdelen A en B betreffen het vervallen van begripsbepalingen en aanpassing van een artikel als gevolg van de inwerkingtreding van de verordening bouwproducten.

2. Nalevingskosten

Het voorschrift met betrekking tot het opnemen van een zelfsluitende deur bij nieuwbouw portiekwoningen (onderdeel E), leidt, uitgaande van 10.000 nieuwe portiekwoningen per jaar, tot nalevingskosten van € 8.000.000 op jaarbasis.

Uit bovengenoemd Sira-rapport blijkt tevens dat het voorschrift dat verplicht tot het verder scheiden van afvalstoffen (onderdeel G) wellicht tot een toename van de nalevingskosten leidt. Het is echter niet mogelijk gebleken die te kwantificeren.

3. Administratieve lasten

Het gaat in deze regeling om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat er geen reeds bestaande of nieuwe eisen worden aangescherpt, zodat er geen sprake is van nieuwe of extra administratieve lasten.

4. Bestuurlijke lasten

Deze wijzigingsregeling leidt, omdat het gaat om uitwerking van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012, niet of nauwelijks tot bestuurlijke lasten. De bestuurlijke lasten van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regelingen
1. Algemeen

De gevolgen van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 per 1 januari 2015 voor de bestuurlijke lasten zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit. De onderhavige wijzigingsregeling heeft geen nieuwe gevolgen voor die lasten

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)
1. Algemeen De onderhavige wijzigingsregeling heeft geen gevolgen voor de bestuurlijke lasten.
g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.
1. Algemeen Het gaat in deze wijzigingsregeling voornamelijk om het aanwijzen van nieuwe versies van in het Bouwbesluit 2012 aangewezen normen en van het CCV- inspectieschema Brandbeveiliging. Ook de andere onderwerpen in de regeling, zoals de eisen aan de kooldioxidemeter zijn ter uitwerking van wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 Dit betekent dat er in principe geen sprake kan zijn van nieuwe of extra administratieve lasten als gevolg van deze regeling.
2. Bestuurlijke lasten Omdat hier met name sprake is van het aanwijzen van nieuwe versies van in het Bouwbesluit 2012 aangewezen normen en van de uitwerking van wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 heeft de onderhavige wijzigingsregeling geen gevolgen voor die lasten.
h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

De regeldrukeffecten van de onderzoeksverplichting (artikel I, onderdeel B) zijn in kaart gebracht in het onderzoek ‘Regeldrukeffecten wijziging Regeling Bouwbesluit 2012, Veiligheid van betonnen galerijvloeren’ (Sira 27 november 2015). De nieuwe verplichting heeft geen structureel effect op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven, noch op de nalevingskosten voor bedrijven.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

De regeldrukeffecten van de onderzoeksverplichting (Artikel I, onderdeel B) zijn in kaart gebracht in het onderzoek “Effectmeting wijziging Regeling Bouwbesluit 2012 Roestvaststalen (RVS) constructies in zwembaden” (Sira 10 mei 2016).

De onderzoeksverplichting naar de staat van roestvaststalen onderdelen in bestaande zwembaden heeft wel een eenmalig effect op de administratieve lasten. Deze nemen namelijk eenmalig toe met een bedrag tussen de € 1,6 miljoen en de € 2,3 miljoen. Hierbij is uitgegaan van 692-1033 zwembaden en onderzoekskosten ten bedrage van € 2.250 per zwembad.

De wijziging heeft geen effect op de structurele administratieve lasten noch op de (eenmalige en structurele) inhoudelijke nalevingskosten.

Voor het bedrijfsleven zijn er geen inhoudelijke nalevingskosten, omdat de wijziging geen nieuwe structurele inhoudelijke verplichtingen schept.

Hoewel uit het onderzoeksrapport niet mag blijken dat niet-resistent RVS resteert in het zwembad, volgen eventuele nalevingskosten die worden gemaakt om gevaarlijke niet-resistente RVS-delen te vervangen of te verwijderen niet uit de voorliggende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012. Dergelijke nalevingskosten zijn een gevolg van het eerder niet of niet volledig voldoen aan al bestaande regelgeving.

De invoering van de onderzoeksverplichting verandert niets aan de taken en verplichte handelingen voor het bevoegd gezag (de gemeente). Daardoor zijn er geen gevolgen voor de bestuurlijke lasten, aldus bovengenoemd Sira rapport.

De wijzigingen in de onderdelen A, C en D van deze wijziging hebben geen effect op de lasten.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

De onderdelen A, B en C van artikel I over de artikelen 5.1 (NEN 1006) en 5.1a (NEN 1010) en 5.8a (NEN 5086) hebben geen regeldrukeffecten. De onderdelen D en E van artikel I betreffen het aansturen van nieuwe versies van normen. Vanuit NEN is aangegeven dat het gebruiken van deze nieuwe versies in principe niet leidt tot lastenverzwaring. Een uitzondering hierop betreft de aansturing van de nieuwe NEN-EN 1997-1. In deze norm wordt de puntdraagkracht van funderingspalen met 30% gereduceerd ten opzichte van de eerdere norm. Uit onderzoek is gebleken dat voorgestane veiligheidsniveau van het Bouwbesluit 2012 niet aantoonbaar gehaald kan worden met de paaldraagkrachtfactoren die volgen uit de eerdere versie van de norm. Vergelijking met buitenlandse normen bevestigt dit. Aansturing van deze nieuwe norm leidt naar schatting tot een kostenstijging voor de bouwsector van 20 tot 30 miljoen euro per jaar (nalevingskosten). Deze extra kosten worden veroorzaakt door de noodzaak van het installeren van meer palen, of langere palen, of palen met een grotere diameter, en de bijbehorende installatiekosten per bouwwerk om de paalpuntreductie van 30% ten opzichte van het verleden te overbruggen. Deze wijziging geldt alleen voor nieuwbouw.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

Voor de regeldrukaspecten van de onderdelen drijvende bouwwerken en de milieugrenswaarde van deze regeling wordt verwezen naar het onderzoeksrapport “Effectmeting wijzigingen Bouwbesluit 2012, Drijvende Bouwwerken, milieuprestatiegrenswaarden en de label-C plicht voor kantoren” (Sira, 16 mei 2017). In dit rapport wordt ingegaan op de gevolgen voor de regeldruk van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2018, betreffende drijvende bouwwerken, de milieuprestaties en enkele andere wijzigingen (Stb. 2017, 494). Omdat de eisen met betrekking tot drijvende bouwwerken en de milieugrenswaarde in deze regeling een uitwerking zijn van de eisen in de hiervoor genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012, heeft deze wijzigingsregeling wat betreft deze onderdelen geen zelfstandige effecten op de regeldruk. Zie ook onderdeel 5 van het algemeen deel van de toelichting bij genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012.

Ook de eisen aan bijna energieneutrale overheidsgebouwen zijn een invulling van reeds eerder in het Bouwbesluit 2012 opgenomen eisen op grond van de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (herziene EPBD). De energieprestatie van Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) is in Nederland uitgewerkt in de volgende drie BENG indicatoren:

  • Maximale energiebehoefte (BENG 1);
  • Maximale primaire fossiel energiegebruik (BENG 2);
  • Minimale aandeel hernieuwbare energie (BENG 3).

Uit artikel 5 van de herziene EPBD volgt dat het niveau van eisen waaraan een bijna energieneutraal gebouw moet voldoen, kostenoptimaal moet zijn. Deze analyse is vastgelegd in het DGMR-rapport “Kostenoptimaliteit BENG-eisen overheidsgebouwen” van 6 juli 2017. Conform het raamwerk dat voor kostenoptimaliteitsberekeningen in de herziene EPBD is voorgeschreven, is in dit rapport voor de BENG-indicator 2 (primaire fossiele energiegebruik) de kostenoptimaliteit beschouwd, en voor BENG1 (energiebehoefte) en BENG3 (aandeel hernieuwbare energie) de kosteneffectiviteit.

De aansturing van een aantal nieuwe versies van NEN-normen brengt geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versies om verduidelijkingen, aanvullingen en correcties van bestaande normen.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

De aanwijzing van deze nieuwe versie van het CCV-inspectieschema brengt geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versie vergeleken met de eerdere versie om enkele verduidelijkingen, aanvullingen en relatief ondergeschikte correcties. Deze beperkte wijzigingen betreffen zogenoemde bedrijfseigen kosten. Zie voor een overzicht van deze wijzigingen onderdeel 1.6 van versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018).

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

De aanwijzing van de laatste versies van een aantal normen brengt in principe geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versies vergeleken met de eerdere versies slechts om enkele verduidelijkingengevolgen, aanvullingen en relatief ondergeschikte wijzigingen.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

De aanwijzing van deze nieuwe versie van het CCV-inspectieschema brengt geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versie vergeleken met de eerdere versie om enkele verduidelijkingen, aanvullingen en relatief ondergeschikte correcties. Deze beperkte wijzigingen betreffen zogenoemde bedrijfseigen kosten. Zie voor een overzicht van deze wijzigingen paragraaf 1.5 van versie 12.0 (1 januari 2019) van het CCV-inspectieschema.

Wat betreft de wijzigingen ten aanzien van de Bepalingsmethode van de Milieuprestatie heeft Stichting Bouwkwaliteit in februari 2019 een impact-analyse laten uitvoeren door LBP|Sight en SGS Search. De rapporten zijn te raadplegen op de site over de Nationale Milieudatabase van de Stichting Bouwkwaliteit www.milieudatabase.nl. Op basis van deze rapporten kan worden geconcludeerd dat de nieuwe bepalingsmethode alsmede het vervallen van de correctiefactor in de Regeling Bouwbesluit niet leidt tot een lastenverzwaring. Er is evenmin sprake van extra administratieve lasten of regeldruk, omdat het een reguliere actualisatie betreft van een al bestaande bepalingsmethode.

De aanwijzing van de laatste versies van een aantal normen (artikel I, onderdelen D en E) brengt in principe geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versies vergeleken met de eerdere versies slechts om enkele verduidelijkingen, aanvullingen en relatief ondergeschikte wijzigingen.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) deelt de analyse dat deze wijzigingsregeling geen omvangrijke gevolgen heeft voor de regeldruk. De ATR heeft om die reden geen formeel advies uitgebracht.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft geen formeel advies uitgebracht bij deze wijzigingsregeling omdat deze vergeleken met wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen praktisch geen nieuwe regeldrukgevolgen bevat. De regeldrukeffecten van genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 zijn door de ATR getoetst. Zie ook paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting bij genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2020, 84).

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

Op 12 december 2019 heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) advies uitgebracht over deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012. Hieronder is puntsgewijs op de aanbevelingen van de ATR ingegaan.

2.1 Het college verzoekt om toekomstige regelgeving omtrent de voorgenomen uitbreiding van de onderzoeksplicht naar gebouwen in lagere gevolgklassen te zijner tijd ter beoordeling aan de ATR voor te leggen. Reactie: Dit zal gebeuren.
2.2 Het college adviseert om in de toelichting expliciet te benoemen wat de verplichtingen zijn die voortvloeien uit de onderzoeksplicht voor eigenaren van CC3 gebouwen waarvan niet zeker gesteld kan worden of gebruik is gemaakt van breedplaatconstructies. Reactie: Dit is in de artikelsgewijze toelichting bij het eerste lid van artikel 5.13 verduidelijkt.
2.3 Het college adviseert om te verduidelijken welke alternatieven voor het vaststellen van de aan-dan wel afwezigheid van breedplaatvloeren in CC3 gebouwen zijn overwogen en daarbij expliciet in te gaan op de mogelijkheid om uit bouwtekeningen de relevante informatie te halen. Reactie: In de artikelsgewijze toelichting bij het eerste lid van artikel 5.13 is beschreven hoe een gebouweigenaar kan nagaan of in zijn gebouw breedplaatvloeren zijn toegepast.
2.4 Het college adviseert om de regeling alsnog in internetconsultatie te brengen om de werkbaarheid en eventuele knelpunten van de onderzoeksplicht voor (individuele) gebouweigenaren vast te kunnen stellen. Reactie: Dit advies is niet overgenomen. De eigenaren van CC3 gebouwen zijn geconsulteerd via de JTC. Zie hierboven onderdeel 2 van de toelichting van Stcrt. 2020, 21238. Verder is de onderzoeksplicht afgestemd met een brede klankbordgroep waarvan ook het Rijksvastgoedbedrijf en Aedes lid zijn. In dit specifieke geval zou internetconsultatie niets hebben toegevoegd.
q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft geen formeel advies uitgebracht bij deze wijzigingsregeling omdat deze vergeleken met Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw praktisch geen nieuwe regeldrukgevolgen bevat. De regeldrukeffecten van genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 zijn door de ATR getoetst. Zie hiervoor ook de hoofdstukken 2 en 5 van het algemeen deel van de toelichting bij genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

Het ATR heeft op 28 mei 2020 advies uitgebracht. In haar advies merkt het college op dat bij de uitwerking van de wet, de AMvB en de regeling veelvuldig is overlegd met de belangrijkste stakeholders en dat in het voorbereidend traject aandacht is besteed aan de werkbaarheid en uitvoerbaarheid van het nieuwe stelsel. Het college constateert ook dat in de regeling een verplichte activiteit voor gecertificeerde installateurs/monteurs is opgenomen die eerder nog niet in de wet of AMvB was opgenomen. Het betreft hier de bepaling dat een gecertificeerd installateur/monteur ook de plaatsing en werking van een aanwezige koolmonoxidemelder moet controleren. Daarbij wijst het college op de eerdere keuze om koolmonoxidemelders niet verplicht te stellen. Het college geeft aan dat voor de beoordeling van de proportionaliteit van de voorgenomen nieuwe verplichting nut en noodzaak en de kosten nadere inhoudelijke onderbouwing behoeven. Daarnaast constateert het college dat in de toelichting bij de regeling wordt verwezen naar een aantal NEN-normen. Het college adviseert te verduidelijken of deze normen juridisch (dwingend) worden voorgeschreven en wanneer dat het geval is de omvang van de regeldrukeffecten te berekenen en toe te lichten waarom niet voor een minder belastend alternatief zoals vrijwillige toepassing van de norm is gekozen. Het college adviseert ook normen kosteloos ter beschikking te stellen, indien kennis van de inhoud ervan volgens de bindende regelgeving vereist is en in de regeling de versie van deze normen aan te geven.

De constatering van ATR dat in de regeling met de verplichting een koolmonoxidemelder te controleren een nieuwe niet eerdergenoemde activiteit is opgenomen is juist. Zoals hiervoor (paragraaf 4.3.12) aangegeven is deze verplichting op verzoek van de sector in de consultatieversie opgenomen. In de definitieve regeling heb ik deze verplichting niet meer opgenomen omdat de grondslag hiervoor in het wettelijk stelsel onvoldoende is. Er is daarmee geen aanleiding meer om uitvoering te geven aan het advies van ATR om nut, noodzaak en kosten van deze activiteit te onderbouwen.

Zoals ATR aangeeft wordt in de toelichting bij de regeling verwezen naar NEN-normen. Aangezien de regeling zelf niet naar deze normen verwijst gaat het hier niet om een verplichting. Om dit te verduidelijken is de tekst van de toelichting aangepast. Daar wordt nu niet meer gesproken over vereiste normen maar worden deze normen alleen nog als voorbeeld genoemd. Wanneer de verwijzing naar een norm niet dwingend is, is er ook geen sprake van dat de norm kosteloos beschikbaar moet zijn en door het Rijk moet worden afgekocht. Uitgangspunt in de bouwregelgeving is dat bij een niet dwingende verwijzing ook voor een gelijkwaardige oplossing kan worden gekozen. Het advies van ATR op dit punt staat niet op zichzelf. Ook bij andere aanpassingen in de bouwregelgeving heeft ATR hierop gewezen. In de afgelopen jaren is de bouwregelgeving hierop getoetst en in een aantal gevallen zijn artikelen aangepast zodat duidelijk is dat ook voor een gelijkwaardige oplossing kan worden gekozen. Bij toekomstige nieuw in de bouwregelgeving aan te wijzen normen zal hier uiteraard ook op worden toegezien. De bouwsector (bedrijfsleven, handhavers, consumentenpartijen) is betrokken in dit proces via het OPB. Met betrekking tot de versies van de in de in de toelichting bij de regeling genoemde NEN-normen merk ik tenslotte op dat deze in bijlage I van de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn aangegeven.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

De regeldrukeffecten van de invoering van de geluidseisen voor buiten opgestelde installaties voor warmte- en koudeopwekking zijn in kaart gebracht in het onderzoeksrapport ‘Effectmeting wijzigingen Bouwbesluit 2012, Zelfsluitendheid deuren, installatiegeluid warmtepompen, veiligheidsafstanden’ (Sira Consulting, 12 april 2019) 2. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de nota van toelichting bij het bovenliggende Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen 3. Hierbij zijn ook de kosten voor de bepaling van de geluidseisen opgenomen. In haar rapport gaat Sira uit van 50 tot 300 euro voor het maken van een berekening. Sira gaat er verder vanuit dat bij 1% van de gevallen sprake kan zijn van daadwerkelijk meten van het geluid op locatie. Dit is dan werk voor een gespecialiseerd bureau en zal gemiddeld 1.150 euro kosten. Deze kosten worden gemaakt door diegene die de installatie voor warmte- of koudeopwekking wil plaatsen.

2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/01/31/effectmeting-wijziging-Bouwbesluit-2012

3 Stb. 2020, 189 (Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen

De bestuurlijke lasten van de invoering van de geluidseisen zijn naar verwachting in totaal eenmalig 176.000 euro. Dit zijn kosten voor gemeenten die kennis moeten nemen van de nieuwe regels. Voor het overige wordt verwezen naar het hierboven genoemde rapport van Sira Consulting en paragraaf 4.3 van de voormelde nota van toelichting.

De regels in de onderhavige regeling zijn de uitwerking van de geluidseisen die met het bovengenoemde besluit worden opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Omdat het een uitwerking betreft leidt deze regeling op zichzelf niet tot (extra) administratieve of bestuurlijke lasten.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft geen formeel advies uitgebracht. Dit omdat regeldrukgevolgen van de wijzigingen in de regeling bij het bovenliggende wijzigingsbesluit middels het Sira onderzoek naar de lasteneffecten in beeld zijn gebracht en daar door ATR advies over is uitgebracht.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

De beoordelingsrichtlijnen van 28 november 2019 worden voortaan aangeduid als de beoordelings- richtlijnen van 15 april 2020. Deze verandering betreft dus geen inhoudelijke wijziging en brengt daarom geen lasten met zich mee. De aanpassingen aan de wijzigingsbladen en NTA 8800 hebben ten opzichte van de gepubliceerde versies van juli 2020 geen enkel effect op de eisen ten aanzien van rekenen (dus de kwalificaties van de adviseurs) en nauwelijks effect op eindresultaten van de energieprestatie-rekenresultaten. Het betreft voornamelijk interpretatiekwesties en enkele mineure omissies die in een enkel geval kunnen resulteren in marginale verschillen in de einduitkomst van een berekening, maar zeker geen wezenlijk effect hebben. Samengevat leiden de wijzigingen niet tot extra regeldruk.

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft deze regeling niet geselecteerd voor een formeel advies. Dit gelet op de analyse dat er geen regeldrukeffecten voor bedrijven aan de orde zijn als gevolg van de wijzigingen.

u.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

De nieuw aangewezen norm NEN 8707 is een zogenoemde tweedelijns norm van NEN 8700. Een tweedelijns norm is niet direct in het Bouwbesluit 2012 opgenomen, maar de norm waarin naar deze tweedelijns norm wordt verwezen, in dit geval NEN 8700, is wel in het Bouwbesluit 2012 opgenomen. Op grond van artikel 1.2, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een dergelijke tweedelijns norm alleen van toepassing als die norm in bijlage I of bijlage II is opgenomen. NEN 8707 regelt de beoordeling van geotechnische constructies van bestaande bouwwerken en bij verbouw daarvan. Voorheen volgde deze beoordeling uit NEN 8700 met een doorverwijzing naar de nieuwbouwnorm NEN-EN 1997-1. Met het aanwijzen van NEN 8707 is de doorverwijzing naar de NEN-EN 1997 vervangen door een beoordelingskader dat specifiek bedoeld is voor bestaande bouw. Deze omzetting is in principe beleidsneutraal uitgevoerd. Uitzondering daarop is het onderdeel beoordeling van paalfunderingen bij verbouw. In de NEN 8707 wordt voor verbouw aangesloten op de in 2017 doorgevoerde gereduceerde puntdraagkracht van funderingspalen met 30% zoals deze voor nieuwbouw is opgenomen in NEN-EN 1997-1. Dit is gedaan omdat uit onderzoek was gebleken dat het voorgestane veiligheidsniveau van het Bouwbesluit 2012 niet aantoonbaar gehaald kan worden met de paaldraagkrachtfactoren die volgen uit de eerdere versie van de NEN-EN 19971-1. Deze aanpassing is nu ook overgenomen in NEN 8707 als bij verbouw nieuwe funderingspalen worden aangebracht of bestaande palen substantieel zwaarder worden belast. Binnen de funderingsmarkt is het aandeel van de verbouwmarkt geschat op 40 miljoen euro per jaar. Van deze 40 miljoen euro wordt naar schatting circa € 10.000.000 besteed aan nieuwe funderingspalen die moeten worden bijgeplaatst. Paalfunderingen zullen als gevolg van de aanwijzing van NEN 8707 gemiddeld circa 10% duurder worden. Dit betekent op jaarbasis een kostenstijging van circa € 1.000.000. De overige wijzigingen in de bijlagen I en II betreffen met een uitzondering de aanwijzing van de laatste versies van een aantal NEN-normen. Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting voor de gevolgen. Het gaat bij deze nieuwe versies vergeleken met de eerdere versies om verduidelijkingen, aanvullingen en relatief ondergeschikte wijzigingen. Deze aanpassingen brengen in principe geen lastenverzwaring mee.

Op 11 november 2020 heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) advies uitgebracht over deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012. Hieronder is puntsgewijs op de aanbevelingen van de ATR ingegaan.

1.Het college adviseert in de toelichting te verduidelijken welke inhoudelijke wijzigingen optreden als gevolg van de geactualiseerde normdocumenten en daarbij nut en noodzaak inhoudelijk te onderbouwen. Reactie: In de toelichting is per norm informatie gegeven over de wijzigingen.
2.Het college adviseert aangewezen nationale normdocumenten in het Bouwbesluit 2012 die van belang zijn om een gelijkwaardige oplossing te kunnen aantonen, kosteloos toegankelijk te maken. Reactie: zie bij aanbeveling 3.
3.Het college adviseert voor het omgevingsrecht uniforme uitgangspunten en een eenduidige definitie te hanteren voor het ‘dwingend verwijzen’ naar externe normen en de (kosteloze) beschikbaarheid van aangewezen normen. Reactie: Het kosteloos toegankelijk maken van normen is nu niet aan de orde omdat in het Bouwbesluit 2012 gelijkwaardigheid mogelijk is met gebruik- making van de functionele eis waarin geen normen worden gebruikt. Deze systematiek is doorgezet onder de Omgevingswet en meest recent toegelicht in de Omgevingsregeling Stcrt. 2019, 56288 (Algemeen deel toelichting paragraaf 2.3.3) en het Invoeringsbesluit Stb. 2020, 400 (Algemeen deel toelichting onderdeel 9.3.2).
4.Het college adviseert de regeldrukparagraaf compleet te maken, conform de Rijksbrede methodiek, en daarbij de aandachtspunten te verwerken. Reactie: in de lastenparagraaf is nu alleen de te verwachte stijging van de nalevingskosten voor het bouwen gegeven. Bij toekomstige wijzigingen van NEN-normen in de bouwregelgeving, wordt toepassing van de Rijksbrede methodiek nader bezien.
v.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

w.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 juni 2021, nr. 2021-0000319006 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een verlenging van de overgangsregelingen voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 32830

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft dit dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

x.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236

De conceptregeling is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). Het ATR heeft aangegeven de conceptregeling niet te hebben geselecteerd voor een formeel advies. ATR geeft aan dat het wel gevolgen voor de regeldruk van bedrijven heeft, maar deze gevolgen al toereikend bij het bovenliggende Besluit in beeld zijn gebracht en door ATR zijn getoetst.

y.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2021, nr. 2021-0000663746, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie, Stcrt. 2021, 49993

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het voorstel naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft en de regeldruk bij het wijzigingsbesluit toereikend in beeld is gebracht.

z.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 februari 2022, nr. 2022-0000078435, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van de actuele versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, Stcrt. 2022, 6293

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

aa.Regeling van de de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 april 2022, nr. 2022-0000156915] tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800

De conceptregeling is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). ATR heeft op 19 januari 2022 haar advies in deze uitgebracht. Dit is na te zien via de ATR-website www.atr-regeldruk.nl onder het kopje: Adviezen, Voorgenomen Wetgeving.

De hoofdpunten van ATR, en onze reactie hierop, zijn hieronder weergegeven:

  • Het college adviseert nut en noodzaak van de verplichte opfriscursus voor energieadviseurs inhoudelijk te onderbouwen en de juridische grondslag voor deze verplichting toe te lichten. Reatie: De cursus wordt niet voorgeschreven in wetgeving, deze wordt als voorwaarde gesteld door InstallQ, de beheerder van de beoordelingsrichtlijnen BRL 9500-W en -U. De door de wet aangewezen BRL 9500-W en -U geeft InstallQ de mogelijkheid de gediplomeerde EP-adviseur, die werkzaam is bij een gecertificeerd bedrijf, de verplichting op te leggen tot na- en bijscholing. Dit is dit in de toelichting verduidelijkt. Verder is de opfriscursus niet alleen bedoeld om de adviseurs op de hoogte te brengen van de wijzigingen, maar vooral om -in het kader van hun vakbekwaamheid- de EP-Adviseurs te wijzen op eerder geconstateerde frequente fouten die gemaakt zijn door de adviseurs. In de uitoefening van het werk zelf hebben de NTA en BRL-wijzigingen nauwelijks tot geen effect. Het betreft dus één dagdeel per jaar in het kader van vakbekwaamheid, uitwisselen van praktijkervaringen, veel gemaakte fouten en enkele wijzigingen. We zullen aan InstallQ verzoeken om de mogelijkheid te overwegen dat energie-adviseurs op een minder belastende wijze kunnen kennisnemen van veel gemaakte praktijkfouten en de wijzigingen, bijvoorbeeld door de opleiding online aan te bieden.
  • Het college adviseert alleen externe documenten aan te wijzen in regelgeving als (verwijzingen in) die documenten actueel zijn. Reatie: In de in deze regeling aangewezen versie van de NTA 8800 en de nieuwe wijzigingsbladen wordt nog uitgegaan van het van kracht zijn van het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012. Op het moment dat de Omgevingswet (en daarmee het Besluit bouwwerken leefomgeving en de Omgevingsregeling) in werking treedt klopt een aantal verwijzingen in deze documenten niet meer. NEN en InstallQ zullen nog vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet interpretatiebladen publiceren waarin toegelicht wordt waar de betreffende onderdelen in de regelgeving onder de Omgevingswet te vinden zijn. Het betreft slechts nieuwe vindplaatsen; de inhoud van deze bepalingen verandert onder de Omgevingswet niet.
  • Het college adviseert de beschrijving van de regeldrukeffecten van het voorstel compleet te maken conform de Rijksbrede methodiek en daarbij duidelijk te maken wat de effecten zijn van de genoemde vier punten. ATR geeft hierbij aan dat de berekening bij de conceptregeling niet volledig was. Zo maakte volgens ATR de toelichting niet duidelijk:
    a.of energieadviseurs meer of minder tijd kwijt zijn als gevolg van de inhoudelijke wijzigingen in de wijzigingsbladen (bijvoorbeeld bij energieprestatieberekeningen);
    b.wat de lasteneffecten zijn van het opnieuw moeten attesteren van de softwarepakketten om te blijven voldoen aan de kwaliteitseisen uit de BRL 9501;
    c.in hoeverre de gewijzigde NTA8800 ertoe zal leiden dat gebouweigenaren worden geconfronteerd met een ‘slechtere’ energieprestatie, en als gevolg daarvan aanvullende maatregelen moeten treffen, bijvoorbeeld als de gebouwen niet langer voldoende aan de energieprestatie-eisen die volgen uit aanpalende regelgeving; en
    d.wat de impact is van de vernieuwde waarderingswijze voor restwarmte in de nieuwe NTA8800.
    Reactie: Paragraaf 2 van de toelichting van deze wijzigingsregeling is met bovengenoemde punten uitgebreid.
ab.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 april 2022 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, houdende nadere regels inzake kwaliteitsborging voor het bouwen, Stcrt. 2022, 10958

Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)

De regeling is op 25 november 2021 aan het ATR voorgelegd. Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

ac.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2023, nr. 2023-0000223264 tot wijziging van de Omge-vingsregeling en enkele andere regelingen in verband met een nieuwe versie van NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij BRL 9500 en BRL 9501, Stcrt. 2023, 12584

3.1Afstemming

De aanpassingen zijn met name doorgevoerd conform een verzoek vanuit de Programmaraad1 om eventuele fouten tijdens de doorontwikkeling en implementatie van het Stelsel EPG te repareren en nieuwe technieken te waarderen. Deze aanpassingen zijn conform een vooraf afgestemde procedure in afstemming met de Projectgroep NTA 88002 en Programmaraad doorgevoerd (zie boven).

1 Zie https://www.gebouwenergieprestatie.nl/25-2/.

2 Zie https://www.gebouwenergieprestatie.nl/partners.

3.2Adviescollege Toetsing Regeldruk

De conceptregeling is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). Het ATR heeft op 12 januari 2023 haar advies in dezen uitgebracht. Dit is na te zien via de ATR-website www.atr-regeldruk.nl.

De hoofdpunten van ATR, en onze reactie hierop, zijn hieronder weergegeven:

  • Het college adviseert nut en noodzaak van de verplichte jaarlijkse bijscholing voor energieadviseurs nader inhoudelijk te onderbouwen in de toelichting bij het voorstel. De noodzaak van deze bijscholing is tweeledig. Allereerst is het zo dat de NTA 8800 in beginsel jaarlijks wordt aangepast. Het is belangrijk dat EP-adviseurs hiervan op de hoogte zijn. Ten tweede is het zo dat er nog altijd veel vragen leven onder adviseurs over de interpretatie van de NTA 8800 en dat er sprake is van veelgemaakte fouten. Een bijscholing kan helpen fouten terug te dringen en de nieuwe inhoud van de richtlijn kenbaar te maken. De toelichting is op dit punt aangevuld, zie paragraaf 2 onder a.
  • Het college adviseert toe te lichten of een minder frequente/omvangrijke scholingsverplichting is overwogen en te motiveren waarom daarvoor niet is gekozen. Voor een jaarlijkse scholing is gekozen omdat dit aansluit op de cyclus van aanpassingen van de NTA 8800. De omvang van de scholing wordt als passend gezien. De toelichting is op dit punt aangepast, zie paragraaf 2 onder a. • Het college adviseert duidelijk te maken dat de verplichte bijscholing voor energieadviseurs ook online mogelijk is. Dit is duidelijk gemaakt in de toelichting in paragraaf 2 onder a.
  • Het college adviseert de inhoud van de wijzigingen in de NTA 8800 concreet duidelijk te maken in de toelichting. In de toelichting wordt nu verwezen naar een document van de NEN, voor een volledig beeld van de wijzigingen. De belangrijkste wijzigingen staan in de toelichting vermeld. In verband met de overzichtelijkheid zijn niet alle wijzigingen – zoals kleine redactionele aanpassingen – in de toelichting opgenomen. Daarnaast is er bij de internetconsultatie een document bijgevoegd met de voorgenomen wijzigingen in de NTA 8800. • In afstemming met NEN zal worden bezien op welke manier het mogelijk is voor toekomstige wijzigingen van de NTA de wijzigingen inzichtelijker weer te geven.
  • Het college adviseert de beoordelingsrichtlijnen bij de NTA8800 digitaal en kosteloos beschikbaar te maken. InstallQ heeft aangegeven na te gaan of vanaf 2023 de Beoordelingsrichtlijnen 9500 en 9501 kosteloos digitaal kunnen worden verstrekt. Dit zou een positieve ontwikkeling zijn.
  • Het college adviseert de beschrijving van de regeldrukeffecten van het voorstel compleet te maken conform de Rijksbrede methodiek voor regeldrukeffecten-analyse. In de toelichting is een berekening toegevoegd van de administratieve baten als gevolg van de vereenvoudigde richtlijn, zie hiervoor paragraaf 2 onder a.

6Bedrijfs- en milieueffectentoets

Omdat het in deze regeling alleen gaat om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen aanvullend onderzoek gedaan. Zie voor de bedrijfs- en milieueffecten onderdeel 14 van het algemeen deel van de nota van toelichting op het Bouwbesluit 2012.7

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

Omdat het in deze wijzigingsregeling alleen gaat om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbe sluit 2012 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen aanvullend onderzoek gedaan. Zie voor de bedrijfs- en milieueffecten onderdeel 14 van het algemeen deel van de nota van toelichting op het Bouwbesluit 2012.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 gaat, is geen onderzoek gedaan naar de milieu- en bedrijfseffecten van deze regeling.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is de ontwerpregeling niet beoordeeld aan de hand van de standaardtoets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets).

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

Omdat het alleen gaat om uitwerking van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is geen onderzoek gedaan naar de milieu- en bedrijfseffecten van deze regeling.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is de ontwerpregeling niet beoordeeld aan de hand van de standaardtoets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets).

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is geen onderzoek gedaan naar de milieu- en bedrijfseffecten van deze regeling. Er wordt op gewezen dat de verdere indeling van de scheiding van afvalstromen, zoals opgenomen in onderdeel G van deze regeling gunstig is voor het milieu.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is voor deze ontwerpregeling geen onderzoek uitgevoerd naar de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets).

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regeling

Omdat het in deze wijzigingsregeling met name gaat om het uitwerken van voorschriften uit de wijziging van het Bouwbesluit 2012 per 1 januari 2015 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen aanvullend onderzoek gedaan. Zie voor de bedrijfs- en milieueffecten onderdeel 4 van het algemeen deel van de nota van toelichting van genoemd wijzigingsbesluit.

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

Naar de bedrjfs- en milieueffecten is geen onderzoek gedaan.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.

Omdat het in deze wijzigingsregeling met name gaat om het aanwijzen van nieuwe versies van in het Bouwbesluit 2012 aangewezen normen en om de uitwerking van wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen specifiek onderzoek gedaan. Op basis van de informatie die van NEN is ontvangen ter zake van het aanwijzen van nieuwe versies van normen wordt aangenomen dat er geen sprake is van negatieve bedrijfseffecten.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

Omdat deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 niet voorziet in wijzigingen van informatieverplichtingen richting de overheid, heeft het nieuwe voorschrift ook geen eenmalig effect op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Wel is er sprake van eenmalige inhoudelijke nalevingskosten voor burgers van minimaal € 892.500 en maximaal € 1.260.000. De eenmalige inhoudelijke nalevingskosten voor bedrijven zijn minimaal € 5.057.500 en maximaal € 7.140.000.

Artikel II heeft geen effecten op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

Financiële gevolgen voor burgers en bedrijven

Regeldruk

In het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen ofwel het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) is in paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting een uitgebreid overzicht opgenomen van de verwachte regeldruk voor burgers en bedrijven. De regeldruk is berekend door onderzoeksbureau SIRA Consulting (Sira Consulting, Lastenmeting implementatie van de herziene EPBD, Eindrapport 9 juli 2019). Voor het onderzoek zijn interviews gehouden met Techniek Nederland, FME, Alfen, Sources Trading, W/E adviseurs, VNG, SCIOS en EnergiePartners. De totale eenmalige regeldruk zal naar verwachting stijgen met een bedrag tussen de € 35 en € 135 miljoen voor burgers en met een bedrag tussen € 432,7 en € 513,3 miljoen voor bedrijven. De totale structurele regeldruk zal naar verwachting stijgen met een bedrag tussen € 35,9 en € 47,9 miljoen per jaar voor burgers en dalen met een bedrag tussen € 18,7 en € 23 miljoen per jaar voor bedrijven.

In het onderzoek van Sira is al rekening gehouden met de gevolgen van de voorliggende wijzigingsregeling. Dit betekent dat er een uitzondering daargelaten geen sprake is van extra financiële gevolgen. Deze uitzondering betreft de regeldruk die voortkomt uit de verplichte afmelding van keuringen van airconditioningsystemen in een keuringsregister. Reden hiervoor is dat deze afmeldingsverplichting pas na het uitvoeren van het lastenonderzoek is toegevoegd. Uit nader overleg met gemeenten en de installatiesector is namelijk gebleken dat een afmeldsysteem voor keuringen, zoals al bestond voor verwarmingssystemen, ook voor airconditioningsystemen een belangrijk element is voor effectieve en efficiënte controle op naleving van eisen.

De regeldruk die uit deze nieuwe afmeldplicht voorkomt is naar verwachting beperkt. Voor de circa 15.000-30.000 airconditioningssystemen die gekeurd moeten worden is de verplichting om daarna af te melden dus nog niet opgenomen in het eerdergenoemde lastenonderzoek. Deze afmelding moet eens in de vijf jaar plaatsvinden en zal naar verwachting dan maximaal vijf minuten tijd vergen. Het tarief van de keurder bedraagt volgens het lastenonderzoek van SIRA Consulting € 54 per uur. Daarnaast moet rekening worden gehouden met administratieve kosten van € 5 per afmelding.

De verwachte extra regeldruk als gevolg van het afmeldregister komt daarmee op: 15.000 tot 30.000 systemen x € 5 met een keuring eens per 5 jaar = op jaarbasis € 15.000 tot € 30.000 5 min x € 54 per uur x 15.000 tot 30.000 systemen met een keuring eens per 5 jaar = op jaarbasis € 13.500 tot € 27.000.

Dit betekent dat de extra regeldruk als gevolg van de afmelding van de keuring van airconditioningsystemen naar verwachting € 28.500 tot € 57.000 op jaarbasis zal bedragen.

Hiermee zal de in het rapport van 9 juli 2019 berekende totale structurele regeldruk voor bedrijven minder zal dalen. In plaats van € 18,7 tot € 23 miljoen per jaar zullen de totale structurele lasten voor bedrijven dalen met een bedrag tussen € 18,7 en € 22,9 miljoen per jaar.

Besparingen

In het besluit EPBD III is ook een voorzichtige inschatting opgenomen van de verwachte energiebesparingen en CO2-reductie. De verwachte besparingen en CO2-reductie voor zover deze direct zouden zijn toe te rekenen aan deze wijzigingsregeling zijn hier al in meegenomen.

Bestuurlijke lasten en financiële gevolgen voor de rijksoverheid

Uitvoering van de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn Energieprestatie van Gebouwen kan voor gemeenten extra kosten meebrengen. Door SIRA Consulting zijn de bestuurlijke lasten in beeld gebracht. De eenmalige kosten voor kennisname van regelgeving bedragen € 17.000 en de structurele handhavingskosten € 1,8 miljoen per jaar. De bestuurlijke lasten als gevolg van de voorliggende regeling zijn hier al in meegenomen. De verplichting om keuringen af te melden die na het lastenonderzoek van SIRA Consulting is toegevoegd, heeft naar verwachting geen effect op de bestuurlijke lasten. Door het afmeldregister blijft de verwachte werklast gelijk, maar kan de handhaving gerichter worden ingezet op gebouweigenaren die niet aan de keuringsverplichting hebben voldaan.

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

De regeldrukeffecten van de onderzoeksplicht zijn in kaart gebracht in het onderzoek ‘Regeldrukeffecten verplicht onderzoek Breedplaatvloeren’ (Sira, 17 oktober 2019).

Uit dit onderzoek volgt dat er alleen sprake is van eenmalige administratieve lasten voor bedrijven en eenmalige lasten voor de overheid voor zover zij gebouwen in bezit hebben uit categorie CC3 van de NEN 8700. Het gaat om circa 50 tot 300 gebouwen met breedplaatvloeren waarvan 10% overheidsgebouwen zijn. De kosten van het onderzoek bedragen afhankelijk van de grootte van het gebouw in kwestie circa € 2.500 tot € 12.500.

Op basis van bovenstaande zijn de totale kosten:

Voor bedrijven tussen minimaal € 588.240 en maximaal € 3.032.460.

Voor overheden tussen minimaal € 65.360 en maximaal € 336.940.

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

Regeldruk

In het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw is in onderdeel 5 van het algemeen deel van de toelichting een uitgebreid overzicht opgenomen van de verwachte regeldruk voor burgers en bedrijven. De regeldruk is berekend door onderzoeksbureau SIRA Consulting (onderzoeksrapport 11 februari 2019 ‘Effectmeting wijziging Bouwbesluit 2012, financiële effecten van bijna energieneutraal bouwen (BENG)’).

In het bovengenoemde onderzoek van SIRA is al rekening gehouden met de gevolgen van de voorliggende wijzigingsregeling. Dit betekent dat er een uitzondering daargelaten geen sprake is van extra financiële gevolgen. Deze uitzondering betreft de regeldruk die voortkomt uit de eisen ter voorkoming van oververhitting.

SIRA heeft in opdracht van BZK de eenmalige en structurele financiële effecten van toepassing van dergelijke dynamische berekeningen voor bedrijven en gemeenten in kaart gebracht. Dit aanvullende onderzoek is het rapport ‘Effectentoets dynamische berekening TOjuli van december 2019’. Uit deze rapportage blijkt dat de initiële eenmalige administratieve lasten voor bedrijven moeten worden ingeschat op in totaal minimaal € 197.500 en maximaal € 745.000. De structurele jaarlijkse administratieve lasten zijn begroot op minimaal € 39.500 en maximaal € 149.000.

Bestuurlijke lasten en financiële gevolgen voor de Rijksoverheid

Uitvoering van de hierboven genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 kan voor gemeenten extra kosten meebrengen. Door SIRA Consulting zijn in hierboven eerstgenoemde rapportage de bestuurlijke lasten in beeld gebracht. De eenmalige kosten voor kennisname van regelgeving bedragen € 17.000 en de structurele handhavingskosten € 1,8 miljoen per jaar. De bestuurlijke lasten als gevolg van de voorliggende wijzigingsregeling zijn hier al in meegenomen. Uit het aanvullende onderzoek van SIRA blijkt dat de verwachting is dat de effecten voor gemeenten verwaarloosbaar zijn. Dit komt omdat gemeenten alleen behoeven te controleren of aan de TOjuli-eis of GTO-eis is voldaan en of de benodigde berekeningen aanwezig zijn. Bovendien is de verwachting dat er slechts een beperkt aantal dynamische berekeningen zal worden gemaakt.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn de gevolgen voor burgers, bedrijven, decentrale overheden en de Rijksoverheid in verband met het wettelijk stelsel door Sira Consulting in kaart gebracht. Hierbij heeft Sira Consulting onderscheid gemaakt tussen eenmalige en structurele effecten en regeldrukeffecten die deels al bedrijfseigen zijn omdat ze ook worden gemaakt zonder verplichting uit wet- en regelgeving. Naar aanleiding van de motie Koerhuis/Ronnes 1 van 22 mei 2019, waarin de regering is verzocht een MKB-toets uit te voeren om de regeldruk en kosten van het stelsel nader te toetsen, zijn in het kader van het bovenliggende besluit (Stb. 2020, 348) de regeldrukeffecten voor installatiebedrijven nader gespecificeerd naar type en grootte van het bedrijf en deze effecten doorberekend naar gevolgen voor de kosten van installatie en onderhoud voor de burger. Bij deze doorrekening heeft Sira Consulting in afstemming met de sector ook een aantal aannames en uitgangspunten geactualiseerd (onder andere met betrekking tot opleiding en uurtarief van monteurs).

Deze voor de regeldrukeffecten uitgevoerde berekeningen zijn uitgebreid toegelicht in de nota van toelichting bij het besluit (Stb. 2020, 348). Onderhavige ministeriële regeling brengt geen aanvullende regeldrukeffecten met zich mee.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 35 022, nr. 12.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

Omdat het in deze wijzigingsregeling alleen gaat om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen aanvullend onderzoek gedaan.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

Er is geen onderzoek naar de effecten op de regeldruk uitgevoerd.

u.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

Er is geen onderzoek naar de effecten op de regeldruk uitgevoerd.

v.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 februari 2021, nr. 2021-0000069476 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een overgangsregeling voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 7104

De kwaliteitsborging van deze overgangsregeling vindt plaats binnen de kaders van het kwaliteitsbor- gingsysteem en de Beoordelingsrichtlijnen BRL 9500-W en BRL 9500-U. Deze beoordelingsrichtlijnen bevatten onder andere voorschriften voor het uitvoeren van interne dossier audits in paragraaf 6.1 van de BRL’en van 15 april 2020 en bijbehorende wijzigingsbladen van 15 december 2020. De certificaathouder moet twee extra interne controles doen per persoon werkzaam onder de overgangsregeling, om de kwaliteit van de registraties te waarborgen. Geconstateerde afwijkingen dienen te worden aangepast. De extra lasten voor de certificaathouder zijn circa 2 uur per dossiercontrole. Het is heel verschillend hoeveel personen werkzaam zijn voor een certificaathouder en daarmee lastig om een beeld te geven van de totale lasten voor certificaathouders. Voor de totale lasten maakt ook uit hoeveel personen en op welk moment zij gebruik willen maken van de overgangsregeling, tussen het moment van inwerkingtreding van de onderhavige regeling en 1 juli 2021. Tegenover deze last staat echter de baat dat deze persoon middels de overgangsregeling weer aan het werk kan.

w.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 juni 2021, nr. 2021-0000319006 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een verlenging van de overgangsregelingen voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 32830

Er is geen onderzoek naar de effecten op de regeldruk uitgevoerd.

x.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236

Onderhavige wijziging bevat geen nieuwe eisen of een verzwaring van bestaande eisen ten opzichte van de implementatie van de EPBDIII op 10 maart 2020. De financiële gevolgen van onderhavige regeling voor burgers, bedrijven en overheden zijn dan ook reeds in beeld gebracht via een effecten- onderzoek bij de wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving van 4 maart 2020.2 In het effectenonderzoek is rekening gehouden met de financiële gevolgen, waaronder structurele regeldruk en eenmalige kosten voor aanpassing, die nodig zijn in de markt en bij het bevoegd gezag om te voldoen aan de EPBDIII verplichtingen voor inspectie van airconditioningssystemen.3 In aanvulling op het effectenonderzoek geeft deze paragraaf een korte beschrijving van de uitvoeringspraktijk.

2 Lastenmeting implementatie van de herziene EPBD, p. 33-34.Stb.2020, 84.

3 Dit betekent dat er ook rekening is gehouden met de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet.

Burgers en bedrijven

Voor gebouweigenaren betekenen de wijzigingen in deze regeling ten behoeve van de EPBDIII implementatie dat er op het moment van aflopen van de overgangsperiode (10 maart 2022) opgeleide keurders zijn die keuringen kunnen uitvoeren van airconditioningsystemen, gecombineerde verwarmings- en airconditioningssystemen en gecombineerde airconditionings- en ventilatiesystemen die voldoen aan de EPBDIII verplichtingen. Vanaf 10 maart 2022 dienen gebouweigenaren een keuring uit te laten voeren waarbij de nieuwe beroeps- en kwalificatie-eisen in acht worden genomen. Een keuringsplicht voor technische installaties7 is er op dit moment al. Onderhavige regeling leidt niet tot een andere frequentie of omvang van deze keuringen. Het biedt wel de mogelijkheid om gebruik te maken van recente onderhoudsregisters bij de keuringswerkzaamheden of om onderhoud- en keuringswerkzaamheden te combineren. Wanneer hiervoor wordt gekozen, kan dit leiden tot een efficiëntere invulling van de keuringsverplichting ten opzichte van de huidige situatie waarbij deze opties niet mogelijk zijn.

Voor keuringsdeskundigen betekenen de wijzigingen in deze regeling ten behoeve van de EPBDIII implementatie dat ze zich moeten diplomeren of bijscholen wanneer ze nog geen geldig diploma hebben of hun diploma afloopt. Onder de oude systematiek moeten gekwalificeerde deskundigen van wie het diploma inmiddels verlopen is een geheel nieuw opleidings- en examentraject afleggen. Via onderhavige regeling wordt er in dit geval alsnog de mogelijkheid geboden een bijscholingsexamen te doen zonder dat daarmee ingeboet wordt op de kwaliteit van opleiding of examens. Wanneer hiervoor wordt gekozen, is het traject voor keuringsdeskundigen minder ingrijpend in vergelijking met de oude systematiek.

Voor exameninstellingen betekenen de wijzigingen in deze regeling ten behoeve van de EPBDIII implementatie dat zij tijdig opleidingen aanpassen en aanbieden, waarbij de nieuwe beroeps- en kwalificatie-eisen in acht worden genomen. Op deze manier wordt voorkomen dat er te weinig keuringsdeskundigen zijn op 10 maart 2022.

Overheden

Op dit moment is de gemeente in de meeste gevallen toezichthouder en controleert en handhaaft de keuringen van airconditioningsystemen of gecombineerde airconditionings- en ventilatiesystemen. Onderhavige regeling leidt niet tot een wijziging hiervan, noch tot een andere frequentie of omvang van (de handhaving van) deze keuringen. Kortom, het effect voor de bestuurlijke lasten van het bevoegd gezag wijzigt niet ten opzichte van de lastenmeting die is gedaan voor de implementatie van de EPBDIII.

y.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2021, nr. 2021-0000663746, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie, Stcrt. 2021, 49993

In het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie (Stb. 2021, 658) is in onderdeel 5 van de nota van toelichting een uitgebreid overzicht opgenomen van de verwachte financiële effecten voor burgers en bedrijven. De effecten zijn berekend door onderzoeksbureau SIRA Consulting (onderzoeksrapport van onderzoeksbureau SIRA Consulting, Effectenmeting minimumeis hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie).1 De onderhavige regeling brengt geen extra lasten met zich mee ten opzichte van hetgeen al in kaart is gebracht in voornoemd rapport.

z.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 februari 2022, nr. 2022-0000078435, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van de actuele versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, Stcrt. 2022, 6293.

De voorgestelde wijzigingen leiden niet tot extra lastendruk voor burgers of bedrijven bij het verrichten van bouwprojecten. De voorgestelde wijzigingen leiden naar verwachting niet tot lasten voor de overheid.

Ad a) aanpassing rekenregels

Een klein aantal partijen biedt rekensoftware aan voor de berekening van de milieuprestatie van bouwwerken4. Dat doen zij in het algemeen als onderdeel van bredere softwarepakketten en adviesdiensten. Deze partijen hebben tijd moeten investeren in de aanpassing van hun rekensoftware. Dit vraagt beperkte tijdsbesteding per partij. Gezien het kleine aantal partijen dat deze software aanbiedt, is dit maatschappelijk gezien een zeer kleine extra last.

Ad b) berekening van de milieueffecten van hergebruik en verlenging levensduur

Deze wijziging maakt het mogelijk om meer variatie aan te brengen in maatregelen voor de verlaging van de milieudruk. Voor reguliere bouwprojecten heeft dit geen gevolgen voor de lastendruk voor burgers of bedrijven. De wijzigingen hebben geen gevolgen voor de milieuprestatie van maatregelen die werken met forfaitaire levensduur en zonder scenario’s voor hergebruik. Voor een bouwer die met de nu beschikbare gangbare materialen en bouwmethoden aan de milieuprestatie-eis wil voldoen, leidt dit niet tot extra regeldruk; de streefwaarde is ook met nu beschikbare gangbare materialen en bouwmethoden te realiseren.

Ad c) aanpassing achterliggende databestanden

Deze maatregel heeft geen gevolgen voor de lastendruk.

Ad d) actualiseren en verduidelijken van enkele administratieve regels en definities

Deze maatregel heeft geen gevolgen voor de lastendruk.

4 Het gaat om minder dan tien partijen. Een partij moet een licentie verkrijgen van de stichting NMD om berekeningen met de Bepalingsmethode te mogen maken.

aa.Regeling van de de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 april 2022, nr. 2022-0000156915] tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800

Gevolgen

Zoals hiervoor beschreven hebben de inhoudelijke wijzigingen die verwerkt zijn in NTA 8800:2022 geen of een zeer klein effect op de BENG-eisen, TOjuli-eis en de labelklassengrenzen van het stelsel EPG. In een enkel geval kunnen deze wijzigingen resulteren in verschillen in de einduitkomst van een energieprestatieberekening.

In onderstaande vier punten worden de effecten nader uitgewerkt.

Gevolgen voor EP-adviseurs

De EP-adviseurs zullen n.a.v. deze wijzigingen niet of nauwelijks meer tijd kwijt zijn. Het betreft minimale inhoudelijke wijzigingen die weinig tot geen effect hebben op hun werkwijze, zowel wat opname als berekening betreft.

Verder worden de gediplomeerde EP-Adviseurs die bij of voor een op basis van BRL-9500 gecertificeerd bedrijf werken verplicht een jaarlijkse opfriscursus te volgen. Deze cursus wordt niet voorgeschreven in de wetgeving, maar als voorwaarde gesteld door InstallQ, de beheerder van de beoordelingsrichtlijnen BRL 9500-W en -U. De door de wet aangewezen BRL 9500-W en -U geeft InstallQ de mogelijkheid de gediplomeerde EP-adviseur, die werkzaam is bij of voor een gecertificeerd bedrijf, de verplichting op te leggen tot na- en bijscholing.

De EP-adviseurs zullen tijdig hierop worden geattendeerd, zodat zij zich de inhoudelijke wijzigingen eigen kunnen maken voor de inwerkingtreding van de NTA 8800:2022 en de nieuwe wijzigingsbladen bij de BRL 9500-U, BRL 9500-W en BRL 9501. Ter bewaking van het kwaliteitsniveau van de werkzaamheden van de vakbekwame energieadviseur en om relevante wijzigingen in het EPG-stelsel bekend te maken, zal begin 2022 deze niet vrijblijvende opfriscursus voor adviseurs worden georganiseerd. De tijdsinvestering van deze cursus voor de adviseurs wordt geschat op acht uur, waarvan naar schatting de helft toe te rekenen is aan kennisoverdracht over de wijzigingen die voortvloeien uit de onderhavige regeling. De inschatting is dat voor een dagcursus de kosten rond de € 450,– liggen. Het uurtarief van energieadviseurs volgens het SIRA-rapport Lastenmeting wijziging EP-methode en inijking energielabels uit 2019 is € 54,–. Uitgaande van 2000 adviseurs geven de wijzigingen daarmee een eenmalige administratieve last voor energieadviseurs van: 2000 x (0,5*€ 450,– + 4*€ 54,–) = 882.000,–.

De lasteneffecten voor de softwareleveranciers

Er zijn op dit moment 3 softwareleveranciers. De lasteneffecten voor deze leveranciers van het opnieuw moeten attesteren van de softwarepakketten om te blijven voldoen aan de kwaliteitseisen uit de BRL 9501 zijn als volgt:

  • Het testen van de software is standaard onderdeel van software(door)ontwikkeling. Bij ieder wijziging die wordt doorgevoerd/ release die aan de markt wordt opgeleverd, moeten EDR-testen worden uitgevoerd en de resultaten worden doorgegeven aan de certificerende instelling;
  • De nieuwe software releases behelzen niet alleen het doorvoeren van de wijzigingen, maar ook verbeterpunten als gevolg van feedback van gebruikers en reparatie van mogelijke bugs;
  • Nu met het wijzigingsblad, dat ook inhoudelijke wijzigingen bevat, moet men de software wel laten her-attesteren, waarbij de certificerende instelling de software komt toetsen. Voor de kosten wordt onderscheid gemaakt tussen initiële attestering en her-attestering;

Concreet zijn volgens opgave van de certificeerder de eenmalige kosten voor de initiële attestering van de software (toetreding tot de markt) € 2.848 incl. btw, en nu voor de her-attestering € 2.079 incl. btw. Voor alle tussentijdse releases betaalt men niets.

De gevolgen voor gebouweigenaren

Voor sommige gebouweigenaren zullen mogelijk in heel specifieke situaties marginale effecten (enkele procenten) voorkomen in de energieprestatie van het gebouw. Nader toegelicht: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Ministerie van BZK) heeft met NEN een procedure afgesproken over wanneer een wijziging mocht worden doorgevoerd. Deze procedure houdt in dat allereerst op basis van doorrekeningen -waarmee de wijzigingen worden vergeleken met de oorspronkelijke situatie- de effecten voor de BENG-eisen in kaart zijn gebracht. Vervolgens worden vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) deze rekenresultaten bestudeerd en een advies aan BZK verstrekt. Alleen als de analyse en het advies van RVO uitwees dat de effecten gemiddeld gezien marginaal waren en niet zouden leiden tot herziening van de BENG-eisen, de energielabelgrenzen of TOjuli en geen onoverkomelijke problemen zouden geven bij de rekensoftware werden de aanpassingen op instignatie van het Ministerie van BZK doorgezet. In sommige gevallen werd wel geconstateerd dat bepaalde aanpassingen in heel specifieke situaties meer dan marginale effecten te zien gaven (bv. enkele procenten verandering van een bepaalde energieprestatie-indicator).

De vernieuwde waarderingswijze voor restwarmte in NTA 8800:2022

Op pagina 945 van de NTA 8800:2022 is een aanpassing gemaakt t.a.v. de waardering van de restwarmte.

In de NTA 8800 werd restwarmte oorspronkelijk gewaardeerd met een vaste primaire energiefactor van 0,1 (tabel 5.5) en een opwekkingsrendement ηHD;gen van 100%. Dit wordt door marktpartijen als te restrictief gezien bij bijvoorbeeld ‘restwarmte’ vanuit datacenters of condensorwarmte vanuit andere koelsystemen. Ook kan dat leiden tot onduidelijkheid omdat de NTA 8800 in P.6.5.4.7 aangeeft hoe met een afwijkende waarde van het opwekkingsrendement ηHD;gen moet worden omgegaan. De vaste waarde is in NTA 8800:2022 daarom uit tabel 5.5 gehaald en omgezet naar een forfaitaire waarde. Hier mag van afgeweken worden en in dat geval mogen de daadwerkelijke gegevens gebruikt worden. Ook is er nu een link met de energieprestatie van elektriciteit, terwijl elektriciteit als hulpenergie nodig is om restwarmte beschikbaar te maken. Restwarmte kan door deze wijziging beter gewaardeerd worden.

ab.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 april 2022 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, houdende nadere regels inzake kwaliteitsborging voor het bouwen, Stcrt. 2022, 10958

Voor de berekening van de regeldruk voor bedrijven en burgers zijn de artikelen 5.14 tot en met 5.16 van belang, hierna zal op elk artikel afzonderlijk worden ingegaan.5

5 SIRA Consulting. Onderzoek Regeldruk Regeling kwaliteitsborging voor het bouwen, november 2021.

Eisen aan opleiding en ervaring voor kwaliteitsborging (art. 5.14 Rb)

Het gaat hier om de eisen voor opleiding en ervaring die nodig zijn om de werkzaamheden uit te mogen voeren en ook om de eisen deze kennis op peil te houden. Het derde lid van dit artikel verplicht kwaliteitsborgers om kennis te nemen van alle wijzigingen in het Bouwbesluit 2012 en om ten minste elke 2 jaar deel te nemen aan bijscholing op het specifieke deelgebied waarop de betreffende medewerker werkzaam is.De regeldruk als gevolg van de verplichting om kennis te nemen van alle wijzigingen in het Bouwbesluit 2012 is toe te rekenen aan de wijzigingen in het Bouwbesluit 2012 en niet aan deze regeling. De verplichting om elke twee jaar een opleiding te volgen om de kennis op peil te houden leidt tot een structurele toename van de nalevingskosten voor bedrijven van ongeveer 0,3 miljoen6 per jaar.

6 SIRA Consulting. Onderzoek Regeldruk Regeling kwaliteitsborging voor het bouwen, november 2021, p. 6.

Bewaarplicht gegevens en bescheiden (art. 5.15 Rb)

De gegevens en bescheiden over de werkzaamheden van de kwaliteitsborging van een project moeten ten minste zeven jaar na het afgeven van een verklaring van de kwaliteitsborger worden bewaard. Dit betreft in ieder geval de brondocumenten (vergunningsgegevens, technisch ontwerp en nadere uitwerking), de risicobeoordeling en borgingsplan inclusief actualisaties, rapportage bevindingen en follow up en de informatie als bedoeld in de artikelen 1.48 tot en met 1.50 van het Bouwbesluit 2012. Naar verwachting zullen deze administratieve lasten voor bedrijven verwaarloosbaar zijn.7

7 SIRA Consulting. Onderzoek Regeldruk Regeling kwaliteitsborging voor het bouwen, november 2021, p. 8.

Informatieverstrekking kwaliteitsborger aan instrumentaanbieder (art. 5.16 Rb)

Het betreft hier de projectinformatie die een kwaliteitsborger moet leveren aan een instrumentaanbieder voor elk getoetst bouwproject. De regeldrukeffecten van deze verplichting beperkt zich tot het toezenden van de informatie naar de instrumentaanbieder en naar verwachting leiden tot een structurele toename van de administratieve lasten van ongeveer € 108.0008.

8 De administratieve lasten voor het op orde hebben van deze informatie zijn al berekend in eerder onderzoeken naar regeldruk van de Wkb. SIRA Consulting. Onderzoek Regeldruk Regeling kwaliteitsborging voor het bouwen, november 2021, p. 9.

ac.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2023, nr. 2023-0000223264 tot wijziging van de Omge-vingsregeling en enkele andere regelingen in verband met een nieuwe versie van NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij BRL 9500 en BRL 9501, Stcrt. 2023, 12584

De inhoudelijke wijzigingen die verwerkt zijn in NTA 8800:2023 hebben gemiddeld (over de gehele gebouwvoorraad) bezien geen effect op de BENG-eisen1, TOjuli-eis2 en de energielabelklassengrenzen van het stelsel EPG. In het geval dat er een effect is geconstateerd, is het belang van deze aanpassing afgewogen in het kader van fysische correctheid, vereenvoudiging, reparatie van fouten en/of het stimuleren en toestaan van innovaties en nieuwe technieken. In sommige gevallen kunnen deze wijzigingen resulteren in verschillen in de einduitkomsten van een energieprestatieberekening en dus leiden tot andere labelklassen of het eenvoudiger dan wel moeilijker realiseren van de nieuwbouw-eisen.

In onderstaande drie punten worden de effecten nader uitgewerkt.

1 ’Bijna energieneutrale gebouwen’; Stb. 2019, 501 en Stcrt. 2020, 37764.

2 TOjuli betreft de waarde voor risico op oververhitting in woningen.

AGevolgen voor EP-adviseurs

De energieprestatieadviseurs (hierna: EP-adviseurs) zullen naar aanleiding van deze wijzigingen niet of nauwelijks meer tijd kwijt zijn. Het betreft minimale inhoudelijke wijzigingen die weinig tot geen effect hebben op hun werkwijze, zowel wat opname als berekening betreft. Doordat er een aantal vereenvoudigingen en verduidelijkingen zijn doorgevoerd kan de tijdsbesteding zelfs iets lager zijn, mede afhankelijk van gebouwtype en complexiteit van het object.

De in de regelgeving aangewezen BRL 9500-W en -U geven InstallQ de mogelijkheid de vakbekwame EP-adviseur, die werkzaam is bij of voor een gecertificeerd bedrijf, de verplichting op te leggen tot na- en bijscholing3. Voldoen aan deze verplichting is een voorwaarde voor het behouden van vakbekwaamheid voor EP-adviseurs.

Het Centraal College van Deskundigen4 (CCvD) meent dat regelmatige bijscholing van de energieadviseurs van groot belang is. Uit de beroepsgroep van adviseurs blijkt dat er vaak vragen zijn over hoe de richtlijnen geïnterpreteerd moeten worden. Zo komen er per maand gemiddeld ongeveer 250 vragen binnen bij het Kenniscentrum Energieprestatie Gebouwde Omgeving (KEGO)5.

Het CCvD stelt dat een jaarlijkse bijscholing past bij de cyclus van de NTA 8800. De richtlijnen van de NTA 8800 worden in beginsel elk jaar herzien of aangevuld en vereenvoudigd . Om te bewerkstelligen dat de energieadviseurs van deze aanpassingen op de hoogte zijn is jaarlijkse bijscholing van groot belang. Deze frequentie is volgens de CCvD naar verwachting de komende 5 jaar in ieder geval nog gepast, dit in verband met de lopende herziening van de Energy Performance of Building Directive. In de bijscholing voor EP-adviseurs wordt ook aandacht gegeven aan veelgemaakte fouten. Het terugdringen van deze fouten draagt bij aan het einddoel: het komen tot een eenduidige bepaling van de energieprestatie van een gebouw.

Voor de lengte van een dagdeel is gekozen omdat dit, naar beoordeling van de CCvD, een gepaste tijdsperiode is om de inhoud te behandelen en ruimte te bieden aan deelnemers om te netwerken. In 2023 hebben opleiders de mogelijkheid om de bijscholing online aan te bieden; dit zal duidelijk worden gecommuniceerd. Daarbij is wel in de accreditatie van de opleiders meegenomen dat opleiders die online cursussen aanbieden moeten garanderen dat de deelnemers die online – op afstand – de bijscholing volgen ook duidelijk zichtbaar aanwezig moeten zijn voor de docent. In 2022 zijn er door partijen al online bijscholingen aangeboden, hierdoor is te verwachten dat dit aanbod in 2023 er weer zal zijn.

De EP-adviseurs zullen tijdig worden geattendeerd op de inhoudelijke wijzigingen, zodat zij zich deze eigen kunnen maken voor de inwerkingtreding van de NTA 8800:2023 en de nieuwe wijzigingsbladen bij de BRL 9500-U, BRL 9500-W en BRL 9501. Ter bewaking van het kwaliteitsniveau van de werkzaamheden van de vakbekwame EP-adviseur en om relevante wijzigingen in het EPG-stelsel bekend te maken, is begin 2023 deze niet vrijblijvende bijscholing voor adviseurs georganiseerd. De tijdsinvestering van deze cursus voor de adviseurs is ongeveer acht uur, waarvan naar schatting de helft toe te rekenen is aan kennisoverdracht over de wijzigingen die voortvloeien uit de onderhavige regeling. De kosten voor de bijscholing liggen rond de € 450,–. Het uurtarief van energieadviseurs volgens het SIRA-rapport Lastenmeting wijziging EP-methode en inijking energielabels uit 2019 is € 54,–. Uitgaande van 2200 adviseurs geven de wijzigingen daarmee een eenmalige administratieve last voor energieadviseurs van: 2200 x (0,5*€ 450,– + 4*€ 54,–) = € 970.200,–.

Met de NTA 8800:2023 worden enige vereenvoudigingen aangebracht ten opzichte van de NTA 8800:2022 die met name bij meer complexe gevallen zoals bepaalde utiliteitsbouw en (nieuwe) woongebouwen enige rekentijd kan besparen. Een grove inschatting is dat bij ca. 2000 gevallen per jaar een kwartier rekentijd kan worden bespaard. Ten opzichte van de bovengenoemde eenmalige administratieve lasten van € 970.200,– is er dus ook sprake van administratieve baten van 2000 x 0,25 x € 54,– = € 27.000,–. De belangrijkste reden om de vereenvoudigingen in de NTA 8800 door te voeren is echter niet de beoogde tijdwinst, maar het beperken van fouten bij de invoer van de berekening en daarmee het verhogen van een eenduidige bepaling van de energieprestatie.

3 Werd tot 2023 opfriscursus genoemd.

4 Het Centraal College van Deskundigen (CCvD) van InstallQ beheert de inhoud van certificatieregelingen en de Beoordelingsrichtlijnen (BRL-en).

5 Stichting KEGO is in 2020 opgericht door AvEPA, FedEC, InstallQ en ISSO en heeft als taak het beheer en de uitvoering van het energieprestatie-adviesplatform te borgen en verzorgen.

BDe lasteneffecten voor de softwareleveranciers

Er zijn op dit moment 3 softwareleveranciers actief in deze branche. De lasteneffecten voor deze leveranciers van het opnieuw moeten attesteren van de softwarepakketten om te blijven voldoen aan de kwaliteitseisen uit de BRL 9501 zijn als volgt:

  • Testen Het testen van de software is standaard onderdeel van software(door)ontwikkeling. Bij iedere wijziging die wordt doorgevoerd en bij een nieuwe release die aan de markt wordt opgeleverd, moeten Energiediagnosereferentietesten (EDR-testen) worden uitgevoerd en de resultaten worden doorgegeven aan de certificerende instelling. De nieuwe software releases behelzen niet alleen het doorvoeren van de wijzigingen, maar ook verbeterpunten als gevolg van feedback van gebruikers en reparatie van mogelijke bugs. Om die reden worden ter controle bij iedere release de EDR-testen doorlopen teneinde te bewaken dat er geen andere rekenresultaten bij gelijk gebleven invoer ontstaan dan bij de eerdere release.
  • Attestering Vanwege het nieuwe wijzigingsblad bij BRL 9501, dat – vanwege inhoudelijke wijzigingen in de NTA 8800 en daarmee de hieraan gelieerde rekensoftware – ook inhoudelijke wijzigingen bevat, moet men de software laten herattesteren, waarbij de certificerende instelling de software komt toetsen. Voor de kosten wordt onderscheid gemaakt tussen initiële attestering en herattestering. Afhankelijk van het aantal testen zijn volgens opgave van de certificeerder de eenmalige kosten voor de initiële attestering van de software (toetreding tot de markt) ca. € 3.500,– excl. btw, en voor de herattestering € 2.500,– excl. btw. Voor alle tussentijdse releases betaalt men niets.

CDe gevolgen voor gebouweigenaren

Voor sommige gebouweigenaren zullen mogelijk in specifieke situaties marginale effecten (enkele procenten, uitzonderingen daargelaten) voorkomen vanwege de wijziging van de energieprestatie van het gebouw ten opzichte van de NTA 8800:2022. Nader toegelicht: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft met NEN een procedure afgesproken over wanneer een wijziging mag worden doorgevoerd. Deze procedure houdt in dat allereerst op basis van doorrekeningen – waarmee de wijzigingen worden vergeleken met de oorspronkelijke situatie op basis van de voorgaande dan geldende versie van de NTA 8800 – de effecten voor het EPG-stelsel in kaart worden gebracht. Vervolgens worden vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) de rekenresultaten bestudeerd en een advies aan BZK verstrekt. Alleen indien de analyse en het advies van RVO uitwijzen dat de effecten gemiddeld bezien marginaal zijn en onder andere niet zouden moeten leiden tot herziening van de BENG-eisen, de energielabelklassengrenzen, of de eis ter beperking van het risico van oververhitting (TOjuli) en verder geen onoverkomelijke problemen geven bij de rekensoftware en opnameprotocollen, worden de aanpassingen op instignatie van het Ministerie van BZK doorgezet. Deze procedure is ook voor de wijzigingen in het kader van de NTA 8800:2023 gevolgd.

7Voorlichting en kennisoverdracht

De Regeling Bouwbesluit 2012 zal betrokken worden in de voorlichtingsactiviteiten omtrent het Bouwbesluit 2012. Zie voor deze voorlichtingsactiviteiten onderdeel 17 van het algemeen deel van de nota van toelichting op het Bouwbesluit 2012.

Uw gekozen filters:

Type

Gebruiksfuncties