Bouwbesluit Online 2012


I Algemeen

1Inleiding

Met de Regeling Bouwbesluit 2012 is een nadere invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het Bouwbesluit 2012. Deze regeling zal dan ook gelijk met het Bouwbesluit 2012, naar verwachting 1 april 2012, in werking treden. Zoals het Bouwbesluit 2012 in de plaats komt van het Bouwbesluit 2003, vervangt deze regeling de Regeling Bouwbesluit 2003. Daarnaast zijn diverse voorschriften die onder het Bouwbesluit 2003 in de ministeriële regeling waren opgenomen voortaan in het Bouwbesluit 2012, in NEN-normen, of in een andere regeling zoals bijvoorbeeld de Regeling geluidwerende voorzieningen (RGV) opgenomen. Een belangrijk onderdeel van deze regeling is evenals bij de Regeling Bouwbesluit 2003 het geval was, de aanwijzing van normen. Ook zijn in deze regeling de voorschriften met betrekking tot de CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met die artikelen van de verordening bouwproducten (verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (305/2011 PbEU L 88)) die al in werking zijn getreden. Onderwerpen in deze regeling die niet in de Regeling Bouwbesluit 2003 waren opgenomen zijn de nadere prestatievoorschriften voor brandveiligheid waaronder inspectieschema’s van brandveiligheidsinstallaties en opvang- en doorstroomcapaciteit en nadere voorschriften voor duurzaam bouwen en het scheiden van bouw- en sloopafval. Deze regeling volgt wat betreft systematiek en terminologie zo veel mogelijk het Bouwbesluit 2012.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De in deze regeling opgenomen wijzigingen van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht houden vooral verband met de inwerkingtreding van afdeling 6.12 en artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 per 1 juli 2012 en van afdeling 5.2 van het Bouwbesluit 2012 per 1 januari 2013. Afdeling 6.12 heeft betrekking op het veilig onderhoud van gebouwen. Artikel 5.2 betreft de energieprestatiecoëfficiënt en afdeling 5.2 betreft milieu, nieuwbouw. Verder zijn in deze regeling enkele wijzigingen in de aansturing van normen opgenomen en wordt een enkele onjuiste verwijzing gecorrigeerd.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Deze wijzigingsregeling bevat enkele wijzigingen in de aansturing van normen en een enkele verbetering van ondergeschikte aard in de Regeling Bouwbesluit 2012. Verder is in de Regeling omgevingsrecht een procedureel voorschrift met betrekking tot de berekeningsmethodiek van de energieprestatiecoëfficiënt en een daarmee samenhangende begripsbepaling en een aanvulling in de opsomming van de bij een aanvraag om vergunning voor het brandveilig gebruik aan te leveren gegevens en bescheiden opgenomen.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

Aanleiding voor deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is de vaststelling van richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking). Deze herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (hierna herziene EPBD of (herziene) richtlijn) bevat een nadere uitwerking en aanscherping van de eerdere richtlijn van 16 december 2002 en heeft als oogmerk de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving verder te stimuleren. De in deze herziene richtlijn geformuleerde Europese doelstellingen zijn mede richtinggevend voor het Plan van aanpak Energiebesparing Gebouwde omgeving dat in februari 2011 aan de Tweede Kamer is gezonden (Kamerstukken II 2010/2011, 30 196, nr. 131). Ter implementatie van deze richtlijn worden de Woningwet, het Besluit energieprestatie gebouwen en het Bouwbesluit 2012, alsmede de bijbehorende ministeriële regelingen gewijzigd. Ook zullen de indieningsvereisten zoals deze in de Regeling omgevingsrecht (Mor) zijn opgenomen aan bovenstaande worden aangepast. Met deze wijziging van Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een verdere uitwerking gegeven aan de omzetting in het Bouwbesluit 2012 van de artikelen 7 (maatregelen bij ingrijpende renovatie) en 8 (eisen aan technische bouwsystemen) van de richtlijn.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Deze wijzigingsregeling bevat met name voorschriften die nodig zijn ter uitwerking van afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2012, waarin voorschriften zijn opgenomen voor het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden. Ook worden met deze regeling nieuwe versies aangewezen van bijlage I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012, waarin is opgenomen welke versie van een in het Bouwbesluit 2012 aangewezen norm van toepassing is. Ook zijn enkele definities en een artikel vervallen als gevolg van de volledige inwerkingtreding van de verordening bouwproducten (305/1011/EU, PbEU L88) met ingang van 1 juli 2013. Daarnaast is het voorschrift met betrekking tot de scheiding van bouw- en sloopafval verder uitgewerkt en is een enkele meer ondergeschikte wijziging aangebracht. Verder is een geringe wijziging van de Regeling omgevingsrecht opgenomen.

De wijzigingsregeling treedt met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden in werking op het moment dat afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2012 in werking treedt. Deze datum is in Stb 2015, 92 bepaald op 1 april 2015. De wijzigingen met betrekking tot de inwerkingtreding van de verordening bouwproducten treden in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2013. De overige onderdelen treden op 1 april 2014 in werking gelijktijdig met de inwerkingtreding van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende de brandveiligheid van het bedrijfsmatig houden van dieren, alsmede correcties en verdere vereenvoudigingen van de Bouwbesluit 2012.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regeling

Deze wijzigingsregeling bevat met name de voorschriften die nodig zijn ter uitwerking van de wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2015. Genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 vindt plaats ter implementatie van de richtlijn 2010/31/EU van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU L153/13). Deze herziene richtlijn energieprestatie (herziene EPBD) bevat een nadere uitwerking en aanscherping van de eerdere richtlijn van 16 december 2002 en heeft als oogmerk de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving verder te stimuleren. Het gaat in deze wijzigingsregeling met name om de bepalingsmethode om de gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt als bedoeld in het met ingang van 1 januari 2015 gewijzigde artikel 5.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb.2014, 342) te berekenen. Verder is de verwijzing naar ISSO 75.1 geactualiseerd en zijn de correctiefactoren voor de toepassing van NEN 7120 aangepast aan de laatste versie van die norm. Ook zijn voor NEN 1068 en NEN 7120 nieuwe correctiebladen aangewezen.

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

In deze regeling is tot slot in de Regeling Bouwbesluit 2012 een omissie rechtgezet.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen

Met deze wijzigingsregeling wordt van een aantal normen een nieuwe versie aangewezen. Nadat op 1 april 2014 nieuwe versies van bijlage I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn aangewezen (Stcrt. 2014, nr. 4057) is opnieuw een aantal normen aangepast. Dit betekent dat in een aantal gevallen een nieuwe versie van een norm is aangewezen en in andere gevallen dat bij de toepassing van de norm met een aantal afwijkingen daarvan rekening moet worden gehouden. Verder zijn in deze wijzigingsregeling de eisen aan de kooldioxidemeter uitgewerkt en is de verwijzing naar het CCV- inspectieschema Brandbeveiliging geactualiseerd. Voor het bouwbedrijfsleven is het van belang dat deze normen zo snel mogelijk kunnen worden toegepast. Het voornemen is dat deze wijzigingsregeling gelijk met de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende de deregulering van de woonfunctie en enkele andere wijzigingen in werking treedt, naar verwachting is dat 1 juli 2015.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

Met deze wijzigingsregeling is in de Regeling Bouwbesluit 2012 een voorschrift opgenomen om onderzoek te doen naar de staat van galerijflats met vrij uitkragende galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de achterliggende betonnen verdiepingsvloeren. Op grond van dit voorschrift moet worden geïnventariseerd of er bij dergelijke flats, die vooral zijn gebouwd in de periode 1950-1970, risico op instorting van de galerij- of balkonvloeren bestaat. Ook zijn met deze wijziging de verwijzingen naar een aantal normen in de bijlagen I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012 geactualiseerd. Verder is een onvolkomenheid in een verwijzing in bijlage III bij de Regeling Bouwbesluit 2012 hersteld.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

Met deze wijzigingsregeling wordt een verplichting in de Regeling Bouwbesluit 2012 opgenomen om onderzoek te doen naar de staat van roestvaststalen constructies in zwembaden. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de toezegging ter zake als verwoord in de brief van 14 december 2015 (Kamerstukken II 2015/2016, 28 325 nr. 157).Sinds 2004 is bekend dat in zwembaden roestvaststaal (hierna ook RVS) wordt toegepast dat tot veiligheidsproblemen kan leiden. RVS is een familie van staallegeringen, waarvan sommige soorten gevoelig zijn voor spanningscorrosie, waardoor plotselinge breuk kan optreden. De atmosfeer in zwembaden is door het gebruik van desinfectiemiddelen op basis van chloor agressief voor de meest gebruikelijke soorten RVS. Andere RVS soorten zijn niet gevoelig voor (spannings)corrosie in de zwembadatmosfeer. Deze zogenoemde resistente soorten worden aangeduid met de typenamen 1.4529, 1.4547 en 1.4565. Op basis van NEN-EN 1993-1-4, die op basis van afdeling 2.2 van het Bouwbesluit 2012 van toepassing is, is alleen het gebruik van deze resistente soorten toegestaan bij zowel nieuwbouw als bij verbouw. De veiligheid van niet-resistent RVS in bestaande overdekte zwembaden kon tot 2013 worden aangetoond met jaarlijkse inspecties op basis van de NCC ‘Praktijkrichtlijn voor inspectie en onderhoud van ophangconstructies, bevestigingsmiddelen en voorzieningen in overdekte zwembaden’ uit 2004. Bij brief van 30 september 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 28 325, nr. 152) is het TNO-rapport ‘Deskundigenrapport toepassing en inspectie van roestvaststaal (RVS) in zwembaden’ aan de Kamer gezonden. Dit TNO-rapport geeft, uitgaande van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, een actualisering van de beoordeling van roestvaststalen ophangconstructies volgens de bovengenoemde NCC-praktijkrichtlijn uit 2004. TNO adviseert in lijn met genoemde NCC-praktijkrichtlijn om niet-resistent roestvaststalen ophangconstructies in bestaande zwembaden te vervangen. Indien niet wordt vervangen, stelde TNO dat deze constructies minimaal om de 6 maanden moeten worden gecontroleerd op roestvorming. Dit was een aanscherping van de frequentie van één keer per jaar die volgde uit de NCC-handreiking. Genoemd TNO-rapport is ook als uitgangspunt gehanteerd bij het opstellen van de Nederlandse praktijkrichtlijn (NPR) 9200:2015 ‘Metalen ophangconstructies en bevestigingsmiddelen in zwembaden’ die eind december 2015 is gepubliceerd door NEN. In deze NPR wordt echter niet meer uitgegaan van de mogelijkheid om niet-resistent RVS om de 6 maanden te controleren. Aanleiding voor deze wijziging is dat inmiddels duidelijk is dat, in tegenstelling tot hetgeen eerder in het TNO-rapport was aangenomen, het in de praktijk niet mogelijk is om de corrosievorming van het RVS voldoende nauwkeurig te beoordelen. Omdat het daarmee in de praktijk niet mogelijk is om de veiligheid van niet-resistent RVS voldoende te borgen met alleen periodieke inspecties, is het uitgangspunt van de nieuwe onderzoeksplicht dat moet worden aangetoond dat er in het zwembad geen niet-resistent RVS meer aanwezig is op plaatsen waar breuk kan leiden tot persoonlijk letsel.

Verder is met deze regeling een geringe redactionele wijziging aangebracht en zijn twee onvolkomenheden in verwijzingen hersteld.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

Met deze wijzigingsregeling worden nadere voorschriften voor de toepassing van een aantal normen gegeven en wordt van een aantal normen een nieuwe versie aangewezen.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een uitwerking gegeven aan de specifieke regelgeving voor drijvende bouwwerken. Verder is de bepalingsmethode voor de milieuprestatiegrenswaarde gewijzigd en is een invulling gegeven aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk ter uitwerking van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2018, betreffende drijvende bouwwerken, de milieuprestaties en enkele andere wijzigingen (Stb. 2017, 494). Tevens zijn van een aantal NEN-normen de aangestuurde versies gewijzigd.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging- Inspectie brandbeveiligingsysteem aangewezen. Deze versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging- Inspectie brandbeveiligingsysteem komt met ingang van 1 juli 2018 in de plaats van de versie van 1 juni 2015. Versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) is te raadplegen op de site van het CCV, Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. In onderdeel 1.6 van versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) is een schema opgenomen met de wijzigingen die zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere versie.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aange-stuurde NEN-normen en NEN-EN-normen nieuwe uitgaves van toepassing verklaard. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging - Inspectie brandbeveiligingsysteem aangewezen.

Voorts is voor de bepaling van de milieuprestatie zoals bedoeld in artikel 5.9 van het Besluit een nieuwe versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken aangewezen. Deze nieuwe versie met als datum 1 januari 2019 met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 juli 2019 is met ingang van 1 juli 2019 in de plaats gekomen van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken van november 2014 (met inbegrip van wijzigingsbladen). Met de introductie van deze nieuwe bepalingsmethode is de correctiefactor van 0.4 komen te vervallen.

Daarnaast zijn van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aangestuurde NEN-normen en NEN-EN-normen nieuwe uitgaves van toepassing verklaard of correcties van de aansturing doorgevoerd. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

1.Inleiding

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (hierna ook: besluit EPBD III). Met dit besluit EPBD III zijn de verplichtingen geïmplementeerd die voortvloeien uit richtlijn 2018/844/EU van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75) (hierna: tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen of EPBD III).In de voorliggende wijzigingsregeling zijn ter implementatie van het besluit EPBD III opgenomen:

  • de bepalingsmethode voor de energieprestatie van technische bouwsystemen;
  • eisen aan de documentatie van de energieprestatie van technische bouwsystemen;
  • een nadere uitwerking van de systeemeisen voor het adequaat dimensioneren, installeren, inregelen en de instelbaarheid van technische bouwsystemen;
  • een uitwerking van de keuring van verwarmingssystemen en airconditioningsystemen.
  • In paragraaf 2 van dit algemeen deel, hoofdlijnen van de wijzigingsregeling, en in de artikelsgewijze toelichting daarvan zijn deze onderwerpen verder toegelicht.
Met het besluit EPBD III is de verplichte keuring voor airconditioningsystemen van het Besluit energieprestatie gebouwen overgeheveld naar het Bouwbesluit 2012. Daarmee wordt ook de gemeente het bevoegd gezag voor het handhaven van deze keuringsverplichting. Zie voor een toelichting daarop het algemeen deel van de toelichting opgenoemd besluit EPBD III (Stb. 2020, 84). Ook bevat het besluit EPBD III eisen voor de keuring van verwarmingssystemen. Onder EPBD III verandert de keuringsplicht. De veranderingen in de keuring zijn echter niet geïmplementeerd via het Activiteitenbesluit milieubeheer, omdat de herziene keuring uit de EPBD III niet goed meer past in de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer over stookinstallaties. Dit komt met name door het toepassingsbereik van de keuringsplicht uit de EPBD III; het gaat daarbij voortaan niet alleen om stookinstallaties, maar om alle verwarmingssystemen. Deze herziene keuring is daarom opgenomen in bovengenoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012. Hiermee wordt vooruitgelopen op de situatie onder de Omgevingswet, waarin de keuring in de opvolger van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, is opgenomen. De keuring in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt in afwachting van de Omgevingswet vooralsnog niet aangepast. Dit betekent dat gebouwgebonden stookinstallaties met een vermogen van meer dan 100 kW onder zowel de keuring uit het Bouwbesluit 2012 als onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen. EPBD III moet uiterlijk 10 maart 2020 volledig geïmplementeerd zijn.

2.Hoofdlijnen van de regeling

2.1Bepalingsmethode energieprestatie technische bouwsystemen

Op grond van het besluit EPBD III moeten technische bouwsystemen die nieuw worden geïnstalleerd, vervangen of verbeterd voldoen aan minimum energieprestatie-eisen. Er gelden minimum energieprestatie-eisen voor systemen voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater en ingebouwde verlichting.

In deze regeling is voorgeschreven welke methoden gebruikt moeten worden om energieprestatie van systemen voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater en ingebouwde verlichting vast te stellen. Deze methoden zijn afgeleid van de bepalingsmethode voor energieprestatie van gebouwen, NTA 8800, en laten zien hoeveel primaire fossiele energie de technische bouwsystemen nodig hebben ten opzichte van de netto behoefte. Om de lasten voor installateurs zo beperkt mogelijk te houden, wordt een digitale tool ontwikkeld, waarmee de energieprestatie van technische bouwsystemen kan worden uitgerekend.

2.2Eisen documentatie energieprestatie technische bouwsystemen

Op grond van het besluit EPBD III moeten installateurs die de onder 2.1 bedoelde technische bouwsystemen installeren, vervangen of verbeteren de energieprestatie van deze systemen documenteren en deze stukken overhandigen aan de gebouweigenaar.

In deze regeling zijn de eisen gesteld waaraan deze documentatie tenminste moet voldoen. Het gaat hierbij onder meer om het verstrekken van gegevens over de opsteller van de documentatie en gegevens over het technisch bouwsysteem en het gebouw waartoe het technisch bouwsysteem behoort. De installateur is vrij om deze gegevens aan te vullen met andere informatie die hij of zij wil overhandigen aan de gebouweigenaar. Er zijn geen eisen gesteld aan het format of de vormgeving van de documentatie. Er wordt echter een standaardformat ontwikkeld dat installateurs desgewenst kunnen gebruiken. Dit standaardformat wordt ook opgenomen in de digitale tool die wordt ontwikkeld om installateurs te ontzorgen.

2.3Systeemeisen voor het dimensioneren, installeren, inregelen en de instelbaarheid van technische bouwsystemen

In artikel 6.55 van het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) is bepaald dat een technisch bouwsysteem adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar moet zijn. In deze regeling is per type technisch bouwsysteem nader uitgewerkt wat hiermee wordt bedoeld.

2.4Keuringen voor verwarmings- en airconditioningsystemen

In EPBD III is de keuringsverplichting voor verwarmings- en airconditioningsystemen herzien. Zo verschuift de grens waarboven deze verplichting geldt van een nominaal vermogen van respectievelijk 20 en 12 kW naar 70 kW. Ook valt de combinatie van verwarmings- en ventilatiesysteem en airconditioning- en ventilatiesysteem voortaan onder de keuringsverplichting.

De verwarmingskeuring is voortaan van toepassing op alle verwarmingssystemen en niet alleen op stookinstallaties. Het is daarnaast een keuring die niet is beperkt tot de opwekker, maar betreft het hele systeem. Het gaat daarbij om de prestatie onder typische (meest voorkomende) werkingsomstandigheden; een systeem zal in de praktijk vaker onder deellast functioneren dan onder vollast. In EPBD III is er een grotere nadruk op de prestatie in werkelijke situaties. Het is namelijk van belang dat een systeem efficiënt en effectief functioneert onder alle condities. De keuring moet evenals voorheen leiden tot een keuringsrapport met advies voor de kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het systeem, dat aan eigenaar of huurder wordt overhandigd. De uitwerking van de eisen aan de keuringen is in een nieuw hoofdstuk 3a opgenomen. In dit hoofdstuk zijn wat betreft het onderdeel keuring van airconditioningsystemen de eisen opgenomen die eerder in paragraaf 3 van de Regeling energieprestatie gebouwen waren te vinden.

3.Transponeringstabel

In de tabel hieronder is per artikel van EPBD III ofwel richtlijn 2010/31/EU van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU 2010, L 153/13), zoals gewijzigd door richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van de Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 2018, L 156/75), aangegeven hoe dit is geïmplementeerd.

Afbeelding
p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een onderzoeksplicht naar de constructieve veiligheid van breedplaatvloeren ingesteld. Aanleiding voor deze onderzoeksplicht was het in mei 2017 gedeeltelijk instorten van een verkeergarage bij Eindhoven Airport en de daarna door Hageman (in samenwerking met TNO) uitgevoerde onderzoeken naar de veiligheid van vergelijkbare vloeren. Naar aanleiding van de resultaten van deze onderzoeken, vastgelegd in het Hageman rapport 9780-1-0 ‘Voorstellen voor en achtergronden bij rekenregels voor de beoordeling van bestaande bouw’ van 20 mei 2019, 1 is een onderzoeksplicht zoals bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de Woningwet toegezegd (Kamerstukken II, 2018/19, 28 325, nr. 199). Gezien de te verwachten grote opgave voor het uitvoeren van de beoordelingen is besloten deze onderzoeksplicht voor bestaande gebouwen gefaseerd in te voeren. Daarbij wordt aangesloten op de gevolgklasse-indeling van gebouwen volgens NEN 8700. De onderzoeksplicht gaat vooralsnog alleen gelden voor gebouwen in de hoogste gevolgklasse (CC3). Uitbreiding van de onderzoeksplicht naar gebouwen in lagere gevolgklassen is voorzien na 1 april 2021. Dit betekent dat als een gebouw nu nog niet onder de onderzoeksplicht valt, niet uitgesloten is dat dit in de toekomst alsnog het geval kan zijn.

De voorliggende onderzoeksplicht houdt geen beperking in van de algemene zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet. Dit betekent dat een eigenaar nu al aanleiding kan hebben om onderzoek uit te voeren bij een gebouw dat niet valt in de hoogste gevolgklasse en ook dat een gemeente de gebouweigenaar nu al om een dergelijk onderzoek kan verzoeken. Dit ligt bijvoorbeeld in de rede bij een gebouw dat op basis van het informatiedocument Beoordeling veiligheid breedplaatvloeren uit 2017 2 eerder al als risicovol is gekwalificeerd.

De onderzoeksplicht is bedoeld om te worden ingezet als er sprake kan zijn van een evident veiligheidsprobleem bij specifieke gebouwen of constructies. Eerder is van de onderzoeksplicht gebruik gemaakt voor galerijvloeren (artikel 5.11 Regeling Bouwbesluit 2012) en voor roestvaststalen constructies in zwembaden (artikel 5.12 Regeling Bouwbesluit 2012).Met een dergelijke onderzoeksplicht wordt de bewijslast of een gebouw voldoende veilig is expliciet neergelegd bij de eigenaar en kan de gemeente direct handhaven als de onderzoeksplicht niet wordt nageleefd.De onderzoekplicht is daarmee primair bedoeld als ondersteuning van het gemeentelijke toezicht en handhaving.Tevens is met deze wijzigingsregeling een geringe correctie in de formule van de waarde van de energieprestatie van ventilatiesystemen (bijlage III bij artikel 3.3) opgenomen.

1) www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/05/20/rapport-voorstellen-voor-en-achtergronden-bij-rekenregels-voor-de-beoordeling-van-bestaande-bouw

2) www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/10/05/informatiedocument-beoordeling-veiligheid-breedplaatvloeren-bestaande-bouw

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

1.Inleiding

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een nadere invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het Besluit van 13 december 2019 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (hierna ook het BENG besluit) (Stb. 2019, 501). Dat besluit zal naar verwachting op 1 januari 2020 1 in werking treden. Zie ook de brief van 9 januari 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 30 196, nr. 695).

Opmerking BRIS

1 Bedoeld zal zijn 1 januari 2021

Met genoemd wijzigingsbesluit worden de verplichtingen die voortvloeien uit de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L 153/13)), hierna ook herziene EPBD of herziene richtlijn, geïmplementeerd. In 2015 is de verplichting om bijna energieneutraal te bouwen al in artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen (Stb. 2015, 425). Op dat moment werd een onderscheid aangebracht tussen de verplichting voor overheidsgebouwen en de verplichting voor overige gebouwen. Voor overheidsgebouwen was die verplichting in eerste instantie uitgewerkt in de Regeling Bouwbesluit 2012 en in werking getreden op 1 januari 2019. De verplichting voor overige gebouwen zoals geformuleerd in genoemd Staatsblad is niet in werking getreden, maar ingehaald door het BENG besluit. Met het BENG besluit geldt de eis om bijna energie-neutrale gebouwen te bouwen voor alle gebruiksfuncties. Omdat met dit wijzigingsbesluit alle BENG eisen op besluitniveau zijn opgenomen, vervallen de eisen aan overheidsgebouwen op regelingsniveau met de voorliggende wijzigingsregeling.

De BENG eisen komen daarmee definitief in de plaats van de eisen aan de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) zoals deze al voor 2003, het moment van invoering van het Bouwbesluit 2003 (de voorloper van het Bouwbesluit 2012), in de bouwregelgeving waren opgenomen. Dit betekent ook dat de bepalingsmethode NEN 7120 waarmee de EPC wordt berekend, met ingang van de inwerkingtreding van het BENG besluit is vervangen door NTA 8800, waarin in overeenstemming met de herziene EPBD onder meer de berekeningsmethode voor bijna energieneutraal bouwen is opgenomen.

Deze wijzigingsregeling bevat behalve een nadere invulling van de in het BENG besluit opgenomen BENG eisen, waaronder enkele overgangsbepalingen, ook specifieke eisen aan de waarde voor oververhitting. Verder is een correctie van het begrip ruimtethermostaat opgenomen en zijn de verwijzingen naar de normen in bijlage I bij de regeling geactualiseerd.

2.Hoofdlijnen van de regeling

2.1Waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en aandeel hernieuwbare energie

Met deze wijzigingsregeling is een invulling gegeven aan de berekening van de in artikel 5.2 van het besluit aangegeven we maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie.

2.2Waarde voor oververhitting

Bij toepassing van NTA 8800 moet rekening worden gehouden met een maximumwaarde voor oververhitting. Op die manier wordt het risico beperkt dat woningen 1 worden gebouwd die in steeds hetere zomers te warm worden. Deze waarde voor oververhitting (TOjuli) volgt rechtstreeks uit de berekening met NTA 8800. Wanneer sprake is van de aanwezigheid van een koelsysteem met als doel het koelen van de binnenlucht, wordt de waarde automatisch op nul gezet. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het koelsysteem voldoende capaciteit heeft om aan de koudebehoefte tegemoet te kunnen komen Als bij berekening van de hoogste waarde voor oververhitting de maximumwaarde wordt overschreden moet met een berekening worden aangetoond dat het totaal aantal gewogen overschrijdingsuren in alle verblijfsruimten niet boven een bepaald aantal uitkomt. Deze berekening moet voldoen aan het gestelde in bijlage VII. Zie hiervoor verder de artikelsgewijze toelichting.

Opmerking BRIS

1 Bedoeld zal zijn woonfuncties

2.3BRL 9500-W, BRL 9500-U, BRL9501

De berekening van de waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie, vindt plaats door een op basis van BRL 9500-W of BRL 9500-U, gecertificeerd bedrijf waarbij gebruik wordt gemaakt van op basis van BRL 9501 geattesteerde software. Deze BRL 9500-W (voor woningbouw) en BRL 9500-U (voor overige bouwwerken) zijn opvolgers van BRL 9500. Ook van BRL 9501 is een nieuwe (2020) versie beschikbaar gekomen. De aanwijzing van BRL 9500 en van BRL 9501 is tot de inwerkingtreding van onderhavige wijzigingsregeling alleen in de Regeling energieprestatie gebouwen opgenomen. De Regeling energieprestatie gebouwen wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingsregeling aan deze laatste versies aangepast.

2.4Transponeringstabel

In de tabel hieronder is per artikel van Richtlijn nr. 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L153/13) aangegeven hoe het artikel is omgezet. Met een deel van de aangehaalde bepalingen van de regelgeving is ook Richtlijn 2018/844/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75) omgezet. Het betreft de wijzigingen die zijn opgenomen in het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84) en de daarbij behorende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (Stcrt. 2020,13004). Zie ook de transponeringstabellen in genoemde regelgeving.

Afbeelding
r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199
1.Inleiding

Deze ministeriële regeling betreft een nadere uitwerking van het besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Aanleiding voor dit stelsel zijn de bevindingen en aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor veiligheid (OvV) over het gevaar van koolmonoxidevergiftiging door gasverbrandingsinstallaties. 1 Met het certificeringsstelsel wordt beoogd het aantal koolmonoxideongevallen te reduceren door de kwaliteit van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te verbeteren. Op basis van het certificeringsstelsel mogen na het ingaan van de daarin opgenomen verbodsbepaling bepaalde werkzaamheden aan gebouwgebonden gasverbrandingsinstallaties alleen nog worden uitgevoerd door bedrijven die beschikken over een geldig certificaat. De reikwijdte van het verbod is bepaald in het Bouwbesluit 2012. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Minister van BZK) wijst de certificerende instellingen aan die deze certificaten mogen afgeven en wijst ook de certificatieschema’s aan die hierbij van toepassing zijn. De verbodsbepaling geldt zowel voor het uitvoeren als laten uitvoeren van bepaalde werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Na inwerkingtreding van de verbodsbepaling is het dus ook voor eigenaren, gebruikers, beheerders en bewoners verboden om niet-gecertificeerde bedrijven opdracht te verstrekken om bepaalde werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te laten verrichten.

Onderhavige ministeriële regeling en hiervoor genoemd besluit vormen de uitwerking van de (nieuwe) grondslagen in artikel 2, vierde lid, en 3, tweede lid, van de Woningwet, die in die wet zijn opgenomen met de Wet van 26 juni 2019 tot wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (Stb. 2019, 383). In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ten behoeve van de genoemde wijzigingswet zijn de overwegingen opgenomen die aan de basis liggen van het certificeringsstelsel voor gasverbrandingsinstallaties. 2 In die memorie van toelichting is ook ingegaan op de voorziene werking van het stelsel en de positie van de verschillende betrokken partijen. In het besluit (Stb. 2020. 348) zijn de reikwijdte van het stelsel, de accreditatie en aanwijzing van certificerende instellingen, de eisen aan certificatieschema’s, meldplicht en informatieverstrekking, de in het openbaar register op te nemen gegevens van aangewezen certificatieschema’s, certificerende instellingen en gecertificeerde bedrijven en de geldigheidsduur van certificaten na intrekking van de aanwijzing van een certificerende instelling uitgewerkt. In de nota van toelichting bij het besluit (Stb. 2020, 348) is een uitgebreide uiteenzetting van het stelsel opgenomen.

De beste manier om ongevallen met koolmonoxide te voorkomen is ervoor te zorgen dat de installaties die gebruikt worden veilig zijn. Het wettelijk certificeringsstelsel voorziet hierin. In haar rapport ‘Koolmonoxide Onderschat en Onbegrepen gevaar’, waarop het wettelijk certificeringsstelsel is gebaseerd, wijst de OvV ook op vrijwillige plaatsing van betrouwbare en effectieve koolmonoxidemelders en het stimuleren ervan in woningen en publieke gebouwen. Een koolmonoxidemelder kan immers vrijgekomen koolmonoxide detecteren. Een koolmonoxidemelder gaat echter pas af als er al koolmonoxide in de ruimte is vrijgekomen. Met het wettelijk certificeringsstelsel wordt er juist op ingezet die situatie te voorkomen. Koolmonoxidemelders kunnen daarom hooguit als een vrijwillige aanvulling op het wettelijk stelsel worden gezien. Klanten kunnen bijvoorbeeld de installateurs vragen of zij advies kunnen geven over de melders en over de werking en installatie ervan.

Onderhavige wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreft de nadere eisen die in het kader van het wettelijk stelsel ‘certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties’ worden gesteld. De volgende onderdelen zijn uitgewerkt:

  • Nadere eisen met betrekking tot de aanwijzing van certificerende instellingen en certificatieschema’s, waaronder ook de eisen die gesteld worden aan de vakbekwaamheid van de persoon die een installatie na verrichte werkzaamheden (opnieuw) in bedrijf stelt;
  • Nadere eisen aan de informatieverstrekking in het kader van dit wettelijk stelsel door de certificerende instelling aan de Minister van BZK;
  • De concentratie koolmonoxide (in ppm) in de opstellingsruimte van het toestel en in de verbrandingsgassen van het toestel is vastgesteld waarbij een installatie (opnieuw) in bedrijf mag worden gesteld. Ook is met deze wijziging de concentratie koolmonoxide (in ppm) vastgesteld waarbij de meldplicht van (bijna-)ongevallen van toepassing is.
  • Nadere eisen met betrekking tot de gegevens die in het openbaar register worden opgenomen;
  • Het in het kader van het stelsel te gebruiken beeldmerk is vastgesteld, inclusief de regels die aan het gebruik daarvan worden gesteld. Zo is het voor certificaathouders verplicht het beeldmerk te voeren op alle uitingen die met werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te maken hebben.

1 https://www.onderzoeksraad.nl/uploads/phase-docs/1079/b4a6d08bb6f4rapport-koolmonoxide-nl-interactief.pdf.

2 Kamerstukken II 2017/18, 35 022, nr. 3.

Om door de Minister van BZK te kunnen worden aangewezen voor het afgeven van certificaten aan installateurs die werkzaamheden uitvoeren aan gasverbrandingsinstallaties dient een certificerende instelling te zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (hierna: RvA). Dit is bepaald in artikel 1.36, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. Bij het verzoek om aanwijzing door de Minister van BZK dient de certificerende instelling, naast vestigingsplaats, het nummer van registratie bij de Kamer van Koophandel en de in artikel 1.36, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 genoemde gegevens en bescheiden, een bewijs over te leggen waaruit blijkt dat de instelling door de RvA geaccrediteerd is om een in het kader van dit wettelijk stelsel door de Minister van BZK aangewezen certificatieschema uit te voeren.

In artikel 1.37 van het Bouwbesluit 2012 zijn eisen gesteld aan certificatieschema’s. Het betreft hier eisen met betrekking tot de werkwijze van certificerende instellingen en eisen aan de werkzaamheden door en vakbekwaamheid van de installateur. Op grond van artikel 1.37, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2012 kunnen voor certificatieschema’s bij ministeriële regeling nadere regels gesteld worden. Deze nadere regels betreffen ten eerste het type gasverbrandingsinstallatie waarvoor het certificatieschema is bedoeld. Hiermee biedt het wettelijk stelsel de mogelijkheid voor specifieke (maatwerk)regelingen. De werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd kunnen immers per type installatie en per onderdeel van die installatie verschillen. Zo zullen de werkzaamheden die aan een cv-ketel moeten worden verricht anders zijn dan de werkzaamheden die aan een gashaard moeten worden verricht. Ook voor het plaatsen van nieuwe installaties en (regulier) onderhoud kan er verschil in certificatie schema’s zijn, evenals voor de verschillende typen bedrijven die in deze branche werkzaam zijn. Dit neemt niet weg dat alle aangewezen certificatieschema’s ten minste moeten voldoen aan de minimumeisen die het wettelijk stelsel stelt. Een installateur die zich wil laten certificeren zal het schema kiezen dat het beste past bij de werkzaamheden die hij uitvoert. Daarvoor is het belangrijk dat direct duidelijk is waarop een schema van toepassing is.

Het wettelijk stelsel voorziet erin dat een installatie na uitgevoerde werkzaamheden zo min mogelijk risico’s geeft op incidenten met koolmonoxide. Om deze veiligheid goed te borgen dient een installatie na uitgevoerde werkzaamheden door een daarvoor voldoende vakbekwaam persoon te worden gecontroleerd en in bedrijf te worden gesteld. Deze persoon werkt onder het certificaat van het gecertificeerde bedrijf. De inbedrijfstelling, inclusief de daaraan verbonden aantoonbare vakbekwaamheid van degene die de inbedrijfstelling uitvoert, is daarom onderdeel van een certificatieschema. Alleen voor werkzaamheden aan rookgasafvoeren of verbrandingsluchttoevoervoorzieningen is in artikel 1.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 een uitzondering opgenomen omdat het hier zeer specialistische werkzaamheden betreft die niet door elk bedrijf kunnen worden uitgevoerd. Deze uitzondering maakt het mogelijk dat er een certificatieschema voor rookgasafvoeren of verbrandingsluchttoevoervoorzieningen komt, zonder dat daarin de inbedrijfsstelling van de installatie is opgenomen. Voor bedrijven die voor een dergelijk schema worden gecertificeerd geldt dan wel dat deze bedrijven zelf niet de inbedrijfsstelling mogen verrichten. Het stelsel biedt gecertificeerde installatiebedrijven de mogelijkheid om voor werkzaamheden aan rookgasafvoeren en verbrandingsluchttoevoer voorzieningen een daarvoor gespecialiseerd bedrijf in te schakelen.

Om de veiligheid van een gasverbrandingsinstallatie op het gebied van koolmonoxide op locatie goed te kunnen beoordelen is het belangrijk dat een installateur zowel voorafgaand als na uitgevoerde werkzaamheden meet of er koolmonoxide vrijkomt in de opstellingsruimte van het toestel. Bij een meting vooraf kan bij een gevaarlijke situatie direct worden gealarmeerd en bij de meting achteraf kan worden gecontroleerd of de installatie veilig is om te gebruiken. Ook dient bij de werkzaamheden de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel te worden gemeten en gecontroleerd.

Een certificatieschema wordt op verzoek van een schemabeheerder aangewezen als het voldoet aan de wettelijk gestelde minimumeisen. Het staat schemabeheerders echter vrij om in het schema aanvullende eisen op te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan aanvullende vakbekwaamheidseisen voor specifieke werkzaamheden, waar het stelsel de vakbekwaamheidseisen beperkt tot de inbedrijfstelling. In een schema kunnen ook eisen met betrekking tot aanvullende werkzaamheden worden opgenomen die geen verband houden met risico’s op koolmonoxide, maar waarvan de schemabeheerder het wel belangrijk vindt daar eisen aan te stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van de brandveiligheid, de aanleg van gasleidingen of het waterzijdig inregelen van cv-installaties. Het wettelijk stelsel sluit de mogelijkheid voor aanvullende eisen niet uit, maar omdat die extra onderdelen en werkzaam heden geen risico vormen voor incidenten met koolmonoxide vallen die niet onder de wettelijke verplichting tot certificering. Voor de beoordeling van certificatieschema’s en goed inzicht hierin bij installateurs die zich willen laten certificeren, is het belangrijk dat het certificatieschema duidelijk onderscheid maakt tussen de vereisten naar aanleiding van het wettelijk stelsel en vanuit de sector gestelde aanvullende (private) eisen.

Om de veiligheid van de installatie te borgen is gekozen voor een stelsel van procescertificering waarbij de installatie na uitgevoerde werkzaamheden door een daarvoor gekwalificeerd medewerker van of namens het installatiebedrijf wordt gecontroleerd en vrijgegeven voor gebruik. Deze gekwalificeerde medewerker moet de vereiste metingen en controles uit kunnen voeren en de resultaten daarvan kunnen beoordelen. Voor het kunnen uitvoeren van de metingen en controles aan de installatie dient de desbetreffende medewerker in elk geval te weten welke metingen en controles hij dient uit te voeren. In onderhavige ministeriële regeling zijn hieraan eisen gesteld, alsmede aan de hiervoor vereiste kennis en vaardigheden van de hiervoor gekwalificeerde medewerker. Een vakbekwaam persoon dient verder op grond van deze regeling aantoonbaar in staat te zijn de ventilatievoorziening in de opstelruimte te beoordelen. Onder andere de normen NEN 1087 en NEN 8087 en enkele relevante praktijkrichtlijnen geven hier informatie over. Ook dient een vakbekwaam persoon de rookgasafvoerkanalen en leidingen te beoordelen en te beproeven, bijvoorbeeld op grond van de normen NEN 2757 en NEN 8757.

Door de branche zijn instrumenten beschikbaar gesteld om de vereiste vakbekwaamheid en competenties te toetsen en te behalen. Deze instrumenten zijn voor alle bedrijven en vakmensen beschikbaar. Door de vakbekwaamheidseisen te beperken tot de inbedrijfsstelling blijft het na inwerkingtreding van het stelsel ook voor bijvoorbeeld leerling monteurs en minder gekwalificeerde vaklieden mogelijk om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te voeren.

In aanvulling op artikel 1.39, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 is in onderhavige ministeriële regeling bepaald dat de certificerende instelling het verslag van de in het voorafgaande kalenderjaar uitgevoerde werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van die werkzaamheden en de meldingen van (bijna-)ongevallen jaarlijks voor 1 maart aan de Minister van BZK stuurt. In dit verslag wordt op grond van de regeling door de certificerende instelling daarnaast ingegaan op de uitgevoerde controles, de afgegeven, ingetrokken en geschorste certificaten, en de door de certificerende instelling ontvangen klachten, bezwaren en beroepen. Ook wordt ingegaan op veranderingen en knelpunten die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan. Deze informatie heeft de Minister van BZK nodig om de werking van het certificeringsstelsel te monitoren. Ook kan deze informatie gebruikt worden voor het toezicht op het stelsel. Dit toezicht is onder andere geconcretiseerd in de bevoegdheid van de Minister van BZK om certificerende instellingen aan te wijzen en om die aanwijzingen te schorsen of in te trekken wanneer de certificerende instelling zich niet houdt aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de aanwijzing of aan de regels zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling bouwbesluit 2012 middels de onderhavige ministeriële regeling.

In het verslag dat de certificerende instelling jaarlijks aan de Minister stuurt doet de certificerende instelling ook verslag van het aantal meldingen van (bijna-)ongevallen en de maatregelen die daarbij zijn getroffen om het gevaar weg te nemen. Dit is bepaald in artikel 1.39, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012. In de onderhavige regeling is aanvullend hierop bepaald dat over elke melding de gemeten concentratie koolmonoxide en een beschrijving van de ruimte waar deze is gemeten wordt gemeld. Hiermee wordt een betrouwbaar beeld verkregen van het aantal (bijna-)ongevallen en het effect van het wettelijk stelsel. De Minister informeert de Tweede Kamer over het aantal (bijna-)ongevallen en hoe daarmee is omgegaan. Uiteraard wordt daarbij gehandeld binnen de kaders van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

In artikel 1.38 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld vanaf welke concentratie koolmonoxide in een ruimte waarin zich personen kunnen bevinden sprake is van een verhoogde concentratie waarover terstond melding dient te worden gemaakt aan de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificerende instelling. Voor het vaststellen van de waarde is een analyse gemaakt van de waarden zoals in regelgeving en literatuur genoemd en in de praktijk toegepast. Het betreft hier de NEN 8025 van het Nederlands Normalisatie Instituut, de Europese richtlijn voor werknemers (2017/164), de Arbeidsomstandighedenregeling 3 , en waarden zoals genoemd en gehanteerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) 4 , de World Health Organisation (hierna: WHO) 5 en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) 6. NEN spreekt bij een gemeten waarde van 25 ppm over een verhoogde concentratie waarbij ernstig bezwaar bestaat tegen het in bedrijf stellen van een installatie dan wel waarbij een installatie buiten werking zou moeten worden gesteld. Ook de GGD en het RIVM geven aan dat bij een waarde van 25 ppm sprake is van een risicosituatie en dat snel ingrijpen noodzakelijk is. De WHO gaat uit van 26 ppm. In genoemde Europese richtlijn voor werknemers en de Arbeidsomstandighedenregeling ligt deze waarde lager. Daarin wordt uitgegaan van 20 ppm. Om de veiligheid van consumenten en andere gebruikers zo goed mogelijk te borgen is in onderhavige regeling aangesloten bij de concentratie van 20 ppm zoals gehanteerd in de Europese richtlijn voor werknemers (2017/164) en in de Arbeidsomstandighedenregeling.

Afbeelding

3 Implementatie van Richtlijn (EU) 2017/164.

4 Rapport 609300009/2009 met verwijzing naar waarden WHO en Gezondheidsraad.

5 Zie advies Gezondheidsraad ‘Gezondheidsrisico’s door lage concentraties koolmonoxide’ d.d. 10 juli 2019.

6 GGD-richtlijn medische milieukunde: koolmonoxide in woon- en verblijfsruimten (RIVM rapport 609330006/2008).

Op grond van artikel 1.37, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de inhoud van certificatieschema’s. Het betreft hier onder andere regels met betrekking tot de maximale hoeveelheid koolmonoxide die na uitgevoerde werkzaamheden in de opstellingsruimte van het toestel aanwezig mag zijn en regels met betrekking tot de concentratie koolmonoxide die in de verbrandingsgassen van het toestel aanwezig mag zijn

De Minister van BZK heeft de Tweede Kamer op 3 december 2019 7, in reactie op het advies van de Gezondheidsraad ‘Gezondheidsrisico’s door lage concentraties koolmonoxide’ van 10 juli 2019, aangegeven ook eisen te stellen aan de maximale hoeveelheid koolmonoxide die na uitgevoerde werkzaamheden in de opstellingsruimte van het toestel vrij mag komen en daarbij ook de advieswaar den van de WHO te zullen betrekken. De WHO geeft aan dat er al gezondheidsrisico’s ontstaan bij een concentratie koolmonoxide van 6 ppm (voor de duur van 24 uur). De in de praktijk bij de inspectie van technische installaties in woningen toegepaste norm NEN 8025 gaat uit van een waarde van 5 ppm. Voor de vaststelling van de waarde waarbij een installateur een gasverbrandingsinstallatie na uitgevoerde werkzaamheden (opnieuw) in bedrijf mag stellen is in de onderhavige regeling aangesloten bij de door NEN gehanteerde waarde van 5 ppm. Bij een waarde van 5 ppm en hoger mag de installateur de installatie niet in bedrijf stellen.

Afbeelding

7 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/12/03/kamerbrief-inzake-advies- gezondheidsraad-gezondheidsrisicos-door-lage-concentraties-koolmonoxide.

Vanuit de sector is aangegeven dat behalve de hoeveelheid koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel ook de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel een belangrijke en betrouwbare indicatie is voor de veilige werking van het toestel. Meting van de hoeveelheid koolmonoxide in de verbrandingsgassen vindt plaats in de verbrandingsgasafvoer en in geval van open toestellen zonder afvoer direct boven het toestel. Voor het bepalen van de kritische concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel is aangesloten bij de typen toestellen en waarden die hiervoor in de norm NEN 8025 zijn opgenomen. Deze zijn ontleend aan NEN-EN 1749.

Onderstaande tabel is ter informatie overgenomen uit NEN 8025

Afbeelding

Woningen in appartementencomplexen of flatgebouwen met meerdere eigenaren zijn vaak voorzien van een gemeenschappelijke rookgasafvoer waarop per appartement een cv-ketel of andere gasverbrandingstoestel is aangesloten. De gemeenschappelijke rookgasafvoer is dan gemeenschappelijk eigendom van de eigenaren en het individuele gasverbrandingstoestel is in eigendom bij de individuele VvE-leden zelf. Dit ’gescheiden’ eigendom vraagt extra aandacht van de individuele eigenaren en de VvE bij opdrachten aan installateurs voor het plaatsen en onderhouden van gasverbrandingsinstallaties en afstemming hierover in de VvE. Om het bewustzijn hierover binnen de VvE te vergroten is door het Ministerie van BZK voor eigenaar-bewoners van appartementen een infoblad opgesteld en voor VvE-besturen, VvE-beheerders en woningverhuurders een uitgebreidere handreiking. 8

8 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2017/02/02/handreiking-en-infoblad-gemeenschappelijke-rookgasafvoeren.

In artikel 1.40 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die in het openbaar register worden opgenomen. Op grond van voornoemd artikel bevat het register de aangewezen certificerende instellingen en certificatieschema’s en informatie over certificaathouders. De informatie over de aangewezen certificerende instellingen is van belang zodat het voor (installatie)bedrijven duidelijk is bij welke certificerende instelling zij een certificaat kunnen aanvragen. De informatie over gecertificeerde (installatie)bedrijven is voor particulieren, bedrijven en overheden van belang om snel en eenvoudig te kunnen vaststellen welke bedrijven beschikken over een geldig certificaat om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te voeren. In het register zullen alleen de noodzakelijke gegevens worden opgenomen. Van gecertificeerde bedrijven wordt geregistreerd voor welk certificatieschema en welke werkzaamheden ze zijn gecertificeerd, onder welk nummer het bedrijf is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en wanneer het certificaat is verleend, ingetrokken of geschorst. Ook de geldigheidsduur van het certificaat wordt opgenomen. In het geval van schorsing wordt ook de termijn van schorsing opgenomen. Op basis van vrijwilligheid kan ook de vestigingsplaats worden opgenomen.

In artikel 1.41 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat gecertificeerde bedrijven verplicht zijn een bij ministeriële regeling vastgesteld beeldmerk te voeren en dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over het gebruik van het beeldmerk. Het voor het wettelijk stelsel in afstemming met de sector ontwikkelde beeldmerk betreft een doorontwikkeling van het beeldmerk zoals dat eerder door de sector voor OK CV is ontwikkeld. Omwille van de herkenbaarheid in de markt moeten alle in het kader van het wettelijk stelsel gecertificeerde bedrijven dit beeldmerk voeren. Met dit beeldmerk kunnen zij zich als gecertificeerd bedrijf legitimeren bij hun klanten. Dit beeldmerk dient door deze bedrijven op alle uitingen van het bedrijf die betrekking hebben op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te worden gevoerd, zoals op briefpapier, offertes, website, de bedrijfswagen en andere vormen waarmee het bedrijf zich als in het kader van dit wettelijk stelsel gecertificeerd bedrijf legitimeert.

De Staat kan, als merkhouder, optreden tegen misbruik van het beeldmerk, bijvoorbeeld wanneer een niet gecertificeerd bedrijf het beeldmerk voert.

2.Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving

In het bovenliggende wijzigingsbesluit (Stb. 2020 348) zijn de wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 eveneens verwerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit. Deze drie besluiten zijn de opvolgers van het Bouwbesluit 2012 onder het stelsel van de Omgevingswet. De wijzigingen in die drie besluiten treden in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. De wijzigingen die met de onderhavige regeling worden aangebracht in de Regeling Bouwbesluit 2012, worden onder het stelsel van de Omgevingswet in de Omgevingsregeling opgenomen. De wijzigingen in de Omgevingsregeling worden niet in de onderhavige regeling, maar in een aparte wijzigingsregeling verwerkt. Hierbij is het uitgangspunt dat de wijzigingen uit de onderhavige regeling neutraal en technisch worden omgezet en opgenomen in de Omgevingsregeling.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, Stcrt. 2020, 62676, worden nadere voorschriften gesteld voor de bepalingsmethode van het geluidsniveau van buiten opgestelde installaties voor warmte- en koudeopwekking. Deze wijzigingen houden verband met de wijziging van het Bouwbesluit 2012 1, waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen voor nieuw te plaatsen installaties voor warmte-en koudeopwekking in de buitenruimte. In het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) is het geluidsniveau bepaald waarvan sprake mag zijn op de perceelgrens met een ander (bouwwerk)perceel of op de te openen deuren of ramen op hetzelfde perceel. In de Regeling Bouwbesluit 2012 is vervolgens opgenomen hoe het geluidsniveau van de installaties bepaald moet worden.

1 Stb. 2020, 189 (Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbe-teren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen)

Het vaststellen van het geluidsniveau gebeurt aan de hand van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (hierna: HMRI), genoemd in artikel 3.8, tweede lid, en artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Hierbij wordt uitgegaan van de HMRI 1999 (internetuitgave 2004) en de afwijkende of aanvullende de bepalingsvoorschriften opgenomen in deze wijziging.

Bij het opstellen van de bepalingsmethode is gebruik gemaakt van het LBPsight-rapport ‘Meetmethode geluid van buiten opgestelde installatie voor warmte- of koudeopwekking’ 2.

2 Te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/09/23/meetmethode-geluid-van-buiten-opgestelde-installaties-voor-warmte--of-koudeopwekking

De wettelijke bepalingsmethode is een meting op locatie, zoals gebruikelijk is bij geluidseisen in de bouw- en milieuregelgeving. Dat de wettelijke bepalingsmethode een meetmethode op locatie is, betekent overigens niet dat bij buiten opgestelde installaties daadwerkelijk moet worden gemeten. In de praktijk kan namelijk op basis van akoestische berekeningen of praktijkrichtlijnen aannemelijk worden gemaakt dat voldaan zal worden aan de geluidseis. Dit wordt nu ook al gedaan bij andere geluidseisen uit het Bouwbesluit 2012 en de milieuregelgeving. Naast de wettelijke meetmethode laat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) in overleg met de installatie-sector een praktische rekentool hiervoor maken. Deze rekentool zal aansluiten bij de rekentool die thans al in Duitsland wordt gehanteerd en waarvoor de leveranciers van installaties al de benodigde productinformatie hebben.

Verhouding tot ander recht

Deze wijzigingsregeling houdt verband met de bovenliggende wijziging van het Bouwbesluit 2012 3. Qua inhoud en voorziene inwerkingtreding zijn de wijzigingen daarom op elkaar afgestemd. Daarnaast zal onderhavige wijzigingsregeling ook effect hebben op de Omgevingsregeling 4; de regeling op basis van de Omgevingswet die de Regeling Bouwbesluit 2012 in de toekomst zal vervangen. De bepalingsmethode voor het geluidniveau van installaties voor warmte- en koudeopwekking zal ook worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Dit wordt gedaan door middel van een losse wijzigingsregeling waarin ook andere wijzigingen van de Omgevingsregeling, gerelateerd aan de bouwregelgeving, zijn opgenomen.

3 Stb. 2020, 189 (Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen)

4 Stb. 2019, 56288

Uitvoering en handhaving

De geluidseisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 gelden als er buitenshuis een nieuwe installatie voor warmte- of koudeopwekking wordt geplaatst. Het vervangen van een bestaande installatie valt daar ook onder. Deze regels in het Bouwbesluit 2012, en dus de regels over het bepalen van het geluidsniveau, gelden voor een ieder die de installatie wil (laten) plaatsen. De bestuursrechtelijke handhaving van de regels is belegd bij de gemeente. Het is primair aan de initiatiefnemer om zich er van te vergewissen dat voldaan wordt aan geluidseisen voorafgaande aan de ingebruikneming. Als de installatie (of het bouwwerk waarvan de installatie deel uit maakt) bouwvergunningplichtig is, zal richting bevoegd gezag aannemelijk moeten worden gemaakt dat voldaan wordt aan de geluidseisen. Zoals in paragaaf 1 van de toelichting van de wijzigingsregeling is aangegeven kan dit met de in deze wijzigingsregeling gegeven bepalingsmethode (die een meetmethode op locatie is) of met akoestische berekeningen of praktijkrichtlijnen. Bij vergunning- plichtige bouw is daarmee altijd sprake van een rapportage die ter beoordeling wordt voorgelegd aan de gemeente. Hoewel het publiekrechtelijk niet verplicht is, ligt in de rede dat initiatiefnemers ook bij niet-vergunningplichtige installaties een rapportage (laten) opstellen om zich er zelf van te verzekeren dat wordt voldaan aan de geluidseisen. Bij toezicht of handhaving achteraf door de gemeente, kan zo’n rapportage door de initiatiefnemer worden ingebracht. Ook kan de gemeente zelf achteraf metingen of berekeningen uitvoeren. Het is aan gemeenten invulling te geven aan dit toezicht en handhaving. Dit geldt ook voor de behandeling van klachten of verzoeken tot handhaven van bijvoorbeeld buren. De gemeente (College van Burgemeester en Wethouders) kan bij overtreding van de regels handhaven door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

Sinds de publicatie van de NTA 8800 in juli 2020 en de vaststelling van de BRL’en 9500 en 9501 in november 2019 is er bij de verdere uitwerking en testen van de rekensoftware, en bij de ervaringen met de praktijktest en eerste ervaringen met rekenen vanuit de markt, nog een aantal kleine omissies en interpretatiezaken aan het licht gekomen die verwerkt zijn in interpretatie- en wijzigingsdocumenten. Deze zaken zijn volgens een vooraf overeengekomen procedure en in afstemming met de Projectgroep NTA 8800 en Programmaraad stelsel energieprestatie nu verwerkt in een wijzigingsblad A1 bij de NTA 8800 en wijzigingsbladen van 15 december 2020 bij de BRL’en 9500 en 9501. Zoals al aangegeven betreft het slechts kleine omissies en interpretaties die geen wezenlijk effect hebben op het in juli 2020 vastgestelde stelsel, maar zijn gerepareerd om enkele geconstateerde onduidelijkheden en kleine omissies weg te nemen.

Het betreft bijvoorbeeld het verduidelijken van de term actieve koeling, het eenduidiger vastleggen van allocatieregels bij warmtenetten met meerdere warmteleveranciers en een nuancering bij de bepaling van de zontoetreding bij toepassing van binnenzonwering. Bij de BRL’en 9500-U en 9500-W gaat het met name om het verwijzen naar de meest actuele versie van de opnameprotocollen en NTA 8800 en het verduidelijken van de definities woning en utiliteitsgebouw, alsmede het opnemen van enkele verduidelijkingen bij bijvoorbeeld de projectregistratie en het invoegen van een extra paragraaf onder de kop ‘externe kwaliteitsborging’ in verband met de door de Raad van Accreditatie vereiste aansluiting van de gebruikte terminologie bij ISO17000:2020. Ook bij de BRL 9501 gaat voornamelijk om enkele wijzigingen in verband met de door de Raad van Accreditatie vereiste aansluiting van de gebruikte terminologie bij ISO17000:2020, namelijk een toegevoegde paragraaf bij de procedure voor het verkrijgen van het attest alsmede een toegevoegde paragraaf onder de kop ‘externe kwaliteitsborging’.

De onderhavige regeling wijst nieuwe wijzigingsbladen aan bij de al eerder in de regelgeving opgenomen bepalingsmethode en beoordelingsrichtlijnen 5. De beoordelingsrichtlijnen van 15 april 2020 betreffen dezelfde beoordelingsrichtlijnen die eerder aangeduid werden als de beoordelingsrichtlijnen van 28 november 2019. Voortaan wordt niet langer de datum van vaststelling door het Centraal College van Deskundigen van stichting InstallQ genoemd in de verwijzing, maar de datum van bindendverklaring. Tussen de datum van vaststelling en de datum van bindendverklaring kunnen nog wijzigingen in de beoordelingsrichtlijnen plaatsvinden. Dat verklaart de nieuwe datum in de verwijzingen. Voor de wijzigingsbladen geldt dat deze de wijzigingsbladen van 1 juli 2020 vervangen.

5 Zie daarvoor Stcrt. 2020, 57490 en Stcrt. 2020, 37764

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, Stcrt.2020 66974, is van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aangestuurde NEN-normen en NEN-EN-normen een nieuwe versie van toepassing verklaard of is een correctie van de aansturing doorgevoerd. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie. Ook is een enkele norm die niet meer in het Bouwbesluit 2012 wordt aangestuurd, vervallen. Verder is artikel 2.3 over het zelfsluitend zijn van deuren vervallen omdat dit onderwerp voortaan in artikel 6.26 van het Bouwbesluit 2012 is geregeld [Stb. 2020, 189]. Voorts zijn de nadere voorschriften bij NEN EN 1997-1 bij verbouw en bestaande bouw vervallen. Met deze regeling vindt ook een beperkte aanpassing plaats in de voorschriften voor certificatieschema’s bij het stelsel voor certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Daarnaast is een verduidelijking aangebracht in bijlage VII bij de Regeling Bouwbesluit 2012 en is het ten onrechte vervallen van een zinsnede in artikel 3.3a van de Regeling bouwbesluit 2012 hersteld.

2Notificatie

De ontwerpregeling is op 20 september 2011 gemeld aan de Commissie van de Europese Unie (notificatienummer 2011/0110/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). De meeste bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie hiervoor artikel 1.3 van het besluit). Door de Commissie zijn geen opmerkingen gemaakt.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemme-ringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De ontwerpregeling is op 21 maart 2012 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2012/ 0182/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). De commissie heeft geen opmerkingen gemaakt die tot wijziging moeten leiden.Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

De ontwerpregeling is op 5 november 2012 gemeld aan de Europese Commissie (notificatienummer 2012/618/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). De commissie heeft geen opmerkingen gemaakt die tot wijziging moeten leiden. Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

De ontwerpregeling is op 28 januari 2013 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2013/ 0053/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Er zijn geen opmerkingen van de Commissie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden, nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

De ontwerpregeling, met uitzondering van artikel I, onderdelen A en B, is op 28 oktober 2013 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2013/ 0592/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). De wijzigingen van artikel I, onderdelen A en B, zijn op 9 juli 2013 gemeld gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2013/0380/NL).

Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie hiervoor artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Er zijn geen opmerkingen van de Commissie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regelingen

De ontwerpregeling is op 22 juli 2014 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2014/0356/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

De regeling is niet genotificeerd

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.

Deze ontwerpregeling is op 11 maart 2015 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2015/0116/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Onderdeel H en een deel van onderdeel G van deze ontwerpregeling zijn al op 23 september 2014 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2014/0460/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van is goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen. Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

Artikel I van deze ontwerpregeling is op 7 augustus 2015 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2015/0471/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Artikel I van deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

Artikel I van deze ontwerpregeling is op 9 maart 2016 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2016/0118/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Deze regeling bevat mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).

Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

De ontwerpregeling is op 21 september 2016 gemeld aan de Europese Commissie (notificatienummer 2016/503/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).Deze regeling bevat technische voorschriften in de zin van deze richtlijn (notificatierichtlijn). Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012).Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

De ontwerpregeling is op 7 september 2017 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2017/0426/NL). De meeste bepalingen van dit besluit bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). Van de Commissie is geen reactie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

De ontwerpregeling is op 5 maart 2018 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2018/0090/NL). De bepaling van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepaling is verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij is evenredig en voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012). Van de Commissie is geen reactie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

De ontwerpregeling is op 13 september 2018 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2018/0456/NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. Van de Commissie is geen reactie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

De ontwerpregeling is op 14 maart 2019 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2019/0114/ NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning.

Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012.

Van de Europese Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significantie voor de handel.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

De ontwerpregeling is op 28 november 2019 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2019/0596 /NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. Van de Europese Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significantie voor de handel.

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

De ontwerpregeling is op 26 november 2019 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2019 /0591/NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Van de Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

De ontwerpregeling is op 9 april 2020 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2020/0214/NL). De bepalingen van deze regeling bevatten mogelijk technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012.

Van de Europese Commissie is geen reactie ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significantie voor de handel.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

De normen betreffende de aanwijzing door de Minister van BZK van CBI’s en certificatieschema’s moeten worden beschouwd als vergunningstelsels in de zin van artikel 1 van de Dienstenwet. In dit kader dient de onderhavige regeling op grond van de Dienstenrichtlijn onverwijld na vaststelling te worden voorgelegd aan de Europese Commissie. Deze notificatie kent geen standstill periode.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

Deze regeling is genotificeerd bij de Europese Commissie van 8 september tot en met 8 december 2020 (nr. 2020/0552/NL). De notificatie heeft niet geleid tot opmerkingen of wijzigingen.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

De regeling in niet genotificeerd.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

De ontwerpregeling is op 8 september 2020 ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (notificatienummer 2020/555/NL). De bepalingen van deze regeling bevatten technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Zie voor deze gelijkwaardigheidsbepaling artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. Van de Europese Commissie zijn geen opmerkingen ontvangen.

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significantie voor de handel.

3Gevolgde procedure en inspraak

De ontwerpregeling is aan een groot aantal betrokken organisaties voorgelegd. Ook is het ontwerp voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving. Waar nodig is de regeling naar aanleiding van de ontvangen reacties aangepast.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Het concept is voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving. Er is geen commentaar op het concept ontvangen.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

De conceptregeling is aan een aantal betrokken organisaties voorgelegd. Ook is het concept voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving. De regeling is naar aanleiding van de ontvangen reacties vereenvoudigd.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Het concept is voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving. Er is geen commentaar op het concept ontvangen.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regelingen

De inhoud van deze regeling is besproken met het Overlegplatform bouwregelgeving(OPB).

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

De regeling is niet voorgelegd aan de JTC en het OPB.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.

De inhoud van deze regeling is besproken met de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB).

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

De inhoud van artikel I van deze regeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Dit leidde niet tot wijzigingen.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

De inhoud van deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Deze commissie stemt in met het instellen van een onderzoeksverplichting naar de staat van roestvaststalen constructies in zwembaden.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

De in deze wijzigingsregeling opgenomen normen zijn voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Deze commissie stemt hiermee in.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

De in deze wijzigingsregeling opgenomen onderdelen zijn voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Naar aanleiding van de in de JTC gemaakte opmerkingen over de drijvende bouwwerken zijn enkele relatief ondergeschikte wijzigingen doorgevoerd.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

Deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Het JTC heeft geen opmerkingen.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). Het JTC stemt met deze regeling in.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplat- form bouwregelgeving (OPB). Dit heeft niet tot wijzigingen geleid.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

Juridisch-Technische Commissie en het Overlegplatform Bouwregelgeving

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. Het JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken. Door de JTC zijn vragen gesteld over het inregelen van verwarmingssystemen, de digitale tool voor het berekenen van de energieprestatie van technische bouwsystemen en de documentatie van de energieprestatie van technische bouwsystemen. Naar aanleiding van deze vragen is de artikelsgewijze toelichting verduidelijkt.

Internetconsultatie

De conceptregeling is voorgelegd in een internetconsultatie. Hierop zijn twaalf reacties van acht verschillende partijen binnengekomen. Hierna is één reactie ingetrokken. Alle reacties zijn inhoudelijk beoordeeld en conceptregeling is op enkele punten aangepast.

In artikel 3a.2 is bij de keuring van airconditioningsystemen de grenswaarde van 70 kW toegevoegd. Ook is de verwijzing naar de Ecodesign richtlijn met daarin een klasse-indeling van thermostaten aangepast en zijn enkele omschrijvingen van eisen aan technische bouwsystemen anders geformuleerd om onduidelijkheden weg te nemen. Mede naar aanleiding van opmerkingen over de keuringen, is onderzocht in hoeverre verduidelijking van de bijlagen bij dat onderdeel mogelijk is. Dit heeft geleid tot redactionele aanpassing van de bijlagen, waarbij het aantal bijlagen over de keuring van airconditioningsystemen is teruggebracht tot drie. Zie hiervoor ook de artikelsgewijze toelichting.Ook is de toelichting op een aantal onderdelen verduidelijkt.

MKB-toets

Bij de totstandkoming van de ontwerpregeling is evenals bij het ontwerpbesluit in alle stadia overleg gepleegd met het MKB teneinde het inhoudelijke doel van de MKB-toets, het midden- en kleinbedrijf beter betrekken bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving, te realiseren. Het was in dit geval niet mogelijk om alle processtappen van de MKB-toets zoals die zijn beschreven in de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 18 april 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 32 637, nr. 360) uit te voeren, omdat de MKB-toets ten tijde van de onderhandelingen over EPBD III nog niet was ingevoerd. De MKB-toets moet vanaf 1 mei 2019 voor nieuwe wetgeving worden toegepast. De ontwerpregeling was toen al in een vergevorderd stadium, waardoor het niet mogelijk was om alle processtappen uit te voeren. Omdat het Europese regelgeving betreft, geldt er een strikte implementatietermijn. EPBD III moet uiterlijk op 10 maart 2020 in Nederland zijn geïmplementeerd.

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

De inhoud van deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. De JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken.

De JTC stemt in met het instellen van deze onderzoeksplicht naar de staat van gebouwen met breedplaatvloeren.

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. De JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken. De consultering in de JTC heeft niet tot wijzigingen geleid.

Internetconsultatie

Het concept is gepubliceerd in het kader van de internetconsultatie. Deze consultatie vond plaats van 20 december 2019 tot en met 19 januari 2020. Deze consultatie leidde tot twee openbare reacties. Er zijn geen niet openbare reacties ontvangen. De eerste reactie is afkomstig van de Vewin, de Vereniging van waterbedrijven in Nederland. Deze vereniging vraagt zich af of de risico’s voor opwarming van waterleidingen als gevolg van de BENG eisen voldoende zijn afgedekt. Dit om mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van dergelijke opwarming te voorkomen. Reactie hierop: bij een correcte toepassing van NEN 1006 kan van een dergelijk risico geen sprake zijn. Er is dan ook geen aanleiding om deze wijzigingsregeling hierop aan te passen.

De tweede reactie is afkomstig van een groep organisaties en bedrijven, die zich zorgen maken over de toepassing van TOjulibij houtskeletbouw en andere lichte bouwwijzen. In hun bezwaren gaven zij aan dat BZK bij het vaststellen van de grenswaarde voor oververhitting te weinig rekening zou hebben gehouden met de lichte tot middellichte bouwwijzen zoals te doen gebruikelijk bij hout- en staalskeletbouw. Hierdoor zou deze bouwwijze geconfronteerd worden met ofwel extra dynamische berekeningen, ofwel met dure maatregelen om aan de TOjuli eis te kunnen voldoen, en zou er sprake zijn van een ongelijk speelveld. Reactie hierop: Na uitgebreid overleg is geconcludeerd dat bij het uitgevoerde onderzoek en de gestelde eisen om het risico op oververhitting te beperken in voldoende mate rekening is gehouden met de consequenties voor lichte bouwmethoden.

MKB-toets

Bij de totstandkoming van de ontwerpregeling is evenals bij het ontwerpbesluit in alle stadia overleg gepleegd met het MKB teneinde het inhoudelijke doel van de MKB-toets, het midden- en kleinbedrijf beter betrekken bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving, te realiseren. Het was in dit geval niet mogelijk om alle processtappen van de MKB-toets zoals die zijn beschreven in de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 18 april 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 32 637, nr. 360) uit te voeren, omdat de MKB-toets ten tijde van de onderhandelingen over EPBD III nog niet was ingevoerd. De MKB-toets moet vanaf 1 mei 2019 voor nieuwe wetgeving worden toegepast. De ontwerpregeling was toen al in een gevorderd stadium. Omdat het Europese regelgeving betreft geldt er een strikte implementatietermijn.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

De conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties is voorgelegd aan de leden van het Overlegplatform Bouwregelgeving (hierna: OPB) en in het kader van de Code interbestuurlijke verhoudingen aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast is de conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 gepubliceerd in het kader van de internetconsultatie op www.internetconsultatie.nl. Deze consultatie vond plaats van 1 mei 2020 tot en met 29 mei 2020. De reacties op de internetconsultatie zijn geanalyseerd en er is een rapport gemaakt dat op www.internetconsultatie.nl is geplaatst. Ook is de conceptwijziging voor advies voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR).

De reacties en adviezen hebben op onderdelen geleid tot aanvullingen, verduidelijkingen en/of verbeteringen van de conceptregeling en de toelichting daarbij. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste opmerkingen.

Juridisch Technische Commissie

De conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is op 4 mei 2020 in een schriftelijke ronde voorgelegd aan de leden van het OPB. In deze schriftelijke ronde is door 7 leden gereageerd. Drie van deze leden hebben dezelfde reactie gestuurd als in het kader van de internetconsultatie. Dat zijn Techniek Nederland, Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw (hierna: ERB) en Kiwa. Daarnaast hebben de ondernemersorganisatie voor de technologische industrie (FME) en de Brancheorganisaties Zorg een reactie gestuurd. Stichting KOMO en Bouwend Nederland hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben. Op de inhoudelijke punten van de hiervoor genoemde partijen wordt ingegaan bij de reacties op de internetconsultatie (paragraaf 4.3). Aan het verzoek van Techniek Nederland om bij de implementatie, monitoring en evaluatie van het wettelijk stelsel nauw betrokken te blijven wordt uiteraard invulling gegeven.

Over de verplichting om bij een in de opstellingsruimte van het toestel gemeten concentratie koolmonoxide tussen de 0 en 5 ppm de gebruiker of bewoner en eigenaar te infomeren zijn bij de internetconsultatie meerdere vragen gesteld. Omdat een concentratie tussen de 0 en 5 ppm niet leidt tot risico’s voor de gezondheid heb ik (zoals nader toegelicht in paragraaf 4.3) besloten deze verplichting niet meer in de regeling op te nemen. Hiermee geef ik invulling aan de bij de internetconsultatie gemaakte opmerkingen en het door de VNG geuite zorgpunt dat bij deze lage concentratie door burgers mogelijk snel een beroep op de gemeente zal worden gedaan. Met betrekking tot het door de VNG verzochte evaluatiemoment merk ik op dat het stelsel hierin voorziet. Dit evaluatiemoment is voorzien drie jaar na inwerkingtreding van het stelsel en daarmee anderhalf jaar na inwerkingtreding van de in het stelsel opgenomen verbodsbepaling.

Internetconsultatie

Internetconsultatie algemeen

In het kader van de internetconsultatie zijn 13 reacties De conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties is voorgelegd aan de leden van het Overlegplatform Bouwregelgeving (hierna: OPB) en in het kader van de Code interbestuurlijke verhoudingen aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast is de conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 gepubliceerd in het kader van de internetconsultatie op www.internetconsultatie.nl. Deze consultatie vond plaats van 1 mei 2020 tot en met 29 mei 2020. De reacties op de internetconsultatie zijn geanalyseerd en er is een rapport gemaakt dat op www.internetconsultatie.nl is geplaatst. Ook is de conceptwijziging voor advies voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR).

De reacties en adviezen hebben op onderdelen geleid tot aanvullingen, verduidelijkingen en/of verbeteringen van de conceptregeling en de toelichting daarbij. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste opmerkingen.

Handhaving

Bij de internetconsultatie is een aantal vragen gesteld met betrekking tot de werking en handhaving van de verbodsbepaling. Techniek Nederland vraagt bij de meldingsplicht voor (bijna-)ongevallen om een overzicht van de bevoegde gezagen, een uitwerking van de eisen van de melding en een handelingsprotocol.

In reactie hierop geef ik aan dat het na het ingaan van de verbodsbepaling voor zowel opdrachtgevers als bedrijven strafbaar is om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te (laten) voeren wanneer het bedrijf hiervoor niet gecertificeerd is. Beiden kunnen dan ook worden gesanctioneerd.

Dat geldt ook voor een consument die werkzaamheden aan zijn eigen ketel of gaskachel uitvoert. Om het bewustzijn hierover te vergroten zullen vanuit de sector en BZK voorlichtingscampagnes worden gevoerd, gericht op zowel installatiebedrijven als opdrachtgevers en consumenten. Ook zal een register worden opgezet waarin alle gecertificeerde bedrijven worden opgenomen. Opdrachtgevers en consumenten kunnen via dit register eenvoudig een gecertificeerd bedrijf vinden. Ten slotte wordt een beeldmerk ontwikkeld waarmee een bedrijf zich bij de klant kan legitimeren als gecertificeerd bedrijf. Bij de wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van dit stelsel en de uitwerking van het stelsel in het Bouwbesluit 2012 is hierover al opgemerkt dat het stelsel veel prikkels bevat om overtreding van de verbodsbepaling te ontmoedigen. De gemeente is het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving van de eisen in het Bouwbesluit. Het gemeentelijk toezicht om tegen niet gecertificeerde bedrijven op te treden is aanvullend op de hiervoor genoemde prikkels.

Met betrekking tot de vraag van Techniek Nederland over bevoegde gezagen merk ik op dat dat veelal de gemeente is. De gemeente is – op enkele specifieke inrichtingen na – het bevoegd gezag voor handhaving van het Bouwbesluit 2012. In het kader van het onderhavige wettelijk stelsel is dit niet anders, aangezien het stelsel werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties betreft die onder het Bouwbesluit 2012 vallen. In bepaalde gevallen kunnen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de Provincie of het Rijk het bevoegd gezag zijn. De door Techniek Nederland genoemde uitwerking van de eisen en wijze van handelen bij de melding zullen in het kader van de implementatie van het stelsel met betrokken partijen worden afgestemd.

Kosten van het stelsel

In twee reacties wordt aangegeven dat het stelsel een dure oplossing is voor een probleem dat maar beperkt voorkomt. Zoals uiteengezet in de memorie van toelichting bij bovenliggende wetswijziging, vormt de aanleiding voor dit stelsel het rapport ‘Koolmonoxide, onderschat en onbegrepen gevaar’ van de Onderzoekraad voor veiligheid (hierna: OvV) van 18 november 2015. De verwachting van de OvV is dat het werkelijke aantal incidenten met koolmonoxide als gevolg van verkeerd of niet handelen van installateurs veel hoger is dan tot nu aangenomen. In dit rapport doet de OvV dan ook de aanbeveling aan het kabinet om een wettelijk stelsel te introduceren om het aantal incidenten met koolmonoxide terug te brengen. Ook de Gezondheidsraad wijst in haar rapport ’Gezondheidsrisico’s door lage concentraties koolmonoxide’ van 10 juli 2019 op de gevaren van koolmonoxide. Met dit wettelijk stelsel geeft het kabinet invulling aan de aanbevelingen van de OvV en de door de Gezondheidsraad geuite zorgen met betrekking tot lage concentraties koolmonoxide.

Om extra kosten als gevolg van het stelsel voor zowel grote als kleine bedrijven en zzp’ers zo laag mogelijk te houden, heeft het kabinet het stelsel zo beperkt mogelijk vormgegeven. Daarbij zijn de kosten van het stelsel door Sira Consulting BV berekend. 1 Deze kosten zijn in de memorie van toelichting bij de bovenliggende wetswijziging en de nota van toelichting bij het besluit (Stb. 2020, 348) uiteengezet en doorvertaald naar de extra kosten die de consument na inwerkingtreding van het stelsel gemiddeld voor installatie en onderhoud betaalt. Hieruit komt naar voren dat de gemiddelde prijsstijging voor de consument als gevolg van het wettelijk stelsel in het tarief dat aan de installateur wordt betaald beperkt zal blijven.

1 Sira Consulting (december 2017), Erkenningsregeling Installateurs gasverbrandingsinstallaties, Onderzoek naar de lasten van de wettelijke verplichting voor Installateurs van gasverbrandingsinstallaties. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ bouwregelgeving/documenten/rapporten/2018/03/15/erkenningsregeling-installateurs-gasverbrandingsinstallaties. Sira Consulting (2019), Aanvullend onderzoek certificeringsregeling Installateurs gasverbrandingsinstallaties. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/12/13/nader-onderzoek-naar-regeldrukeffecten-installatiebedrijven.

Vakbekwaamheid

Opgemerkt is dat vanwege de gestelde vakbekwaamheidseisen in het stelsel schaarste aan personeel groter zal worden. Daarbij is ook gevraagd welke onderlegger gebruikt wordt voor het aantoonbaar maken van de vakbekwaamheid.

In reactie hierop merk ik op dat alleen de in verband met koolmonoxide noodzakelijke vakbekwaamheidseisen in onderhavige regeling zijn vastgelegd. Aan de sector wordt hiermee ruimte gegeven om bestaande opleidingen aan te passen of nieuwe opleidingen te ontwikkelen. Daarvoor zijn binnen de sector inmiddels de nodige stappen gezet. Techniek Nederland heeft een toets ontwikkeld waarmee de huidige vakbekwaamheid – zowel theorie als praktijk – van monteurs kan worden beoordeeld en de benodigde bijscholing kan worden vastgesteld. Hiervoor heeft Techniek Nederland ook een examen opgesteld. Door Techniek Nederland is ook een opleidingstraject voor monteurs opgezet om vooraf gaand aan dit examen het vereiste kennisniveau te verkrijgen. Het examen en opleidingstraject is voor alle monteurs en bedrijven beschikbaar. Het kabinet verwacht dat koolmonoxidepreventie standaard onderdeel zal worden van het curriculum in de reguliere opleidingen van de sector en dat daar op termijn na het behalen van een diploma geen extra toets meer voor nodig is. In combinatie met de beschikbare opleidingscapaciteit is de verwachting dat er tijdig voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar zal zijn om uitvoering te geven aan het stelsel.

Geldigheid van eerder behaalde diploma’s

In een aantal reacties wordt gevraagd of in het verleden behaalde diploma’s geldig blijven. Daarbij wordt specifiek gevraagd naar door SCIOS gecertificeerde monteurs (Stichting Certificering Inspectie en Onderhoud van Stookinstallaties; uitvoerder van het Activiteitenbesluit Milieubeheer).

In reactie op deze vraag merk ik op dat na inwerkingtreding van de verbodsbepaling de vakbekwaamheid van de personen die werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uitvoeren bepalend is. Indien personen volledig voldoen aan de in het kader van dit stelsel gestelde eisen is aanvullende bijscholing niet aan de orde. Dit zal in veel gevallen echter niet het geval zijn omdat de vereiste kwalificaties op het gebied van koolmonoxide tot nu toe ontbreken in de reguliere opleidingen. Om incidenten met koolmonoxide te beperken wordt met het wettelijk stelsel juist deze component toegevoegd aan de vereiste vakbekwaamheid om een gasverbrandingsinstallaties na uitgevoerde werkzaamheden in bedrijf te mogen stellen en vrij te geven voor gebruik. Hiermee wordt op een zo goed mogelijke wijze geborgd dat deze installaties na uitgevoerde werkzaamheden veilig zijn om te gebruiken (procescertificering). Voor elk diploma geldt dat wanneer daarmee kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de vakbekwaamheidseisen die de regeling stelt, dan geen (aanvullend) examen hoeft te worden afgelegd.

Concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel (ppm)

Grenswaarde 5 ppm

Uit de reacties op de internetconsultatie blijkt enerzijds dat de gehanteerde grenswaarde van 5 ppm in de opstellingsruimte van het toestel als laag wordt beschouwd. Techniek Nederland, Stichting NHK, Kiwa en ERB merken dit op. Daarbij wordt aangegeven dat hoogwaardige meetinstrumenten nodig zijn om deze waarde te kunnen meten en dat vanwege roken of een drukke naastgelegen weg al achtergrondconcentraties van 5 ppm aanwezig kunnen zijn. Stichting NHK wijst daarbij op het RIVM dat uitgaat van 10 ppm als niet gevaarlijke waarde. In een aantal andere reacties wordt opgemerkt dat een waarde van 5 ppm tot veel meldingen kan leiden en wordt gevraagd wie bij geconstateerde afwijkingen beslist of de installatie in bedrijf mag worden genomen. Anderzijds blijkt uit de reacties dat 5 ppm als een goede grenswaarde wordt gezien. Zo adviseert Kiwa de norm NEN 8025 te volgen. Deze norm geeft aan dat er tot 5 ppm geen bezwaar is om een installatie in bedrijf te stellen, dat er bij een waarde daarboven ‘enig bezwaar’ is en dat de eigenaar/gebruiker van de installatie daarover moet worden geadviseerd, en dat er bij een waarde van 25 ppm en meer ‘ernstig bezwaar’ is om een installatie in bedrijf te stellen. Daarbij geeft Kiwa aan dat bij de norm NEN 8025 rekening wordt gehouden met andere oorzaken voor aanwezigheid van koolmonoxide, zoals roken en verkeer. Techniek Nederland adviseert om koolmonoxidewaarden en uit te voeren acties net zoals bij de NEN 8025 op te nemen in een tabel, maar daarbij in plaats van 25 ppm de in het kader van het stelsel opgenomen 20 ppm aan te houden. Met betrekking tot geconstateerde concentraties tussen de 0 en 5 ppm vraagt het ERB wat de noodzaak is van het informeren van de gebruiker of bewoner en eigenaar, aangezien dat een veilige waarde is. Kiwa vraagt in dat verband bij wie een deze melding moet worden gedaan.

Ik constateer dat er verdeeld is gereageerd op de in onderhavige regeling opgenomen grenswaarde van 5 ppm. Deze grenswaarde wordt enerzijds als laag beschouwd, terwijl anderzijds geadviseerd wordt deze te volgen. Hierbij wordt dan door Techniek Nederland en Kiwa de norm NEN 8025 genoemd. Zoals in de toelichting bij onderhavige regeling aangegeven heb ik mij bij het bepalen van deze grenswaarde mede gebaseerd op de norm NEN 8025 die als onderste grenswaarde uitgaat van 5 ppm. Deze grenswaarde wordt als een veilige ondergrens voor langdurige blootstelling aan koolmonoxide beschouwd. NEN geeft in dat verband ook aan dat de hiervoor benodigde meetapparatuur in voldoende mate in de handel beschikbaar is. Ik houd daarom vast aan de grenswaarde van 5 ppm.

Met betrekking tot de opmerking dat een waarde van 5 ppm tot veel meldingen kan leiden, merk ik op dat er alleen sprake is van meldingen in het geval van (bijna-)ongevallen. Dit betreft situaties waarbij een koolmonoxideconcentratie wordt gemeten van meer dan 20 ppm. Bij een waarde van 20 ppm of lager geldt geen meldplicht.

Bij een waarde tussen de 0 en 5 ppm was in artikel 1.19, onderdeel c, van de consultatieversie van de regeling wel de verplichting opgenomen dat de installateur de klant hierover informeert. Naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen bij deze verplichting in de consultatieversie heb ik besloten deze verplichting niet in de regeling op te nemen. Een concentratie koolmonoxide tussen de 0 en 5 ppm leidt immers niet tot risico’s voor de gezondheid.

Het voorstel van Techniek Nederland om koolmonoxidewaarden en uit te voeren acties net zoals bij de NEN 8025 op te nemen in een tabel, heb ik overgenomen.

Meetmethode en meetonzekerheid

In een aantal reacties wordt ook opgemerkt dat de grenswaarde van 5 ppm er snel toe leidt dat open gasverbrandingstoestellen buiten bedrijf moeten worden gesteld en dat het goed is om in de artikelsgewijze toelichting te verwijzen naar de diverse meetmethoden die er zijn afhankelijk van het toestel. Ook wordt gevraagd naar de tijdsduur en de ventilatiecondities die bij een koolmonoxidemeting in acht moeten worden gehouden. En wordt gevraagd met welke apparatuur de metingen moeten worden uitgevoerd. Daarbij geeft Techniek Nederland aan dat ook gebruik zou moeten kunnen worden gemaakt van op de markt beschikbare fabrieksmatig afgestelde veiligheidsmonitoren die niet gekalibreerd kunnen worden en die een beperkte levensduur hebben (meest 24 maanden). De RvA wijst bij te gebruiken meetapparatuur op de meetonzekerheid, ofwel de nauwkeurigheid van de gemeten concentratie. De RvA geeft aan dat het goed is om bij de wettelijk voorgeschreven concentraties rekening te houden met deze meetonzekerheid.

Met betrekking tot de opmerking dat de grenswaarde van 5 ppm er snel toe leidt dat open gasverbrandingstoestellen buiten bedrijf moeten worden gesteld merk ik op dat het belangrijk is om rekening te houden met de diverse meetmethoden die gelden voor de verschillende toestellen en je als installateur niet te baseren op alleen een momentopname. Techniek Nederland wijst hierbij op de fabrikant specificaties van de verschillende toestellen waarin de meetmethode is vermeld. In de artikelsgewijze toelichting heb ik hierover een aanvulling opgenomen.

Ook wijs ik hierbij op de meetstrategieën zoals beschreven door het RIVM in de GGD-richtlijn inzake koolmonoxide in woon en verblijfsruimten. 2 Ook daarin wordt ingegaan op de wijze waarop bij de verschillende typen toestellen metingen moeten worden uitgevoerd om tot een zorgvuldig oordeel te komen.

Bij de meer praktische vragen die zijn gesteld (tijdsduur en ventilatiecondities bij het meten) merk ik op dat de eisen die hieraan worden gesteld door de sector zelf kunnen worden ingevuld in de op te stellen certificatieschema’s. Binnen de sector is de kennis aanwezig om daar op een betrouwbare wijze invulling aan te geven. Met betrekking tot de te gebruiken meetapparatuur en de meetonzekerheid waarop wordt gewezen merk ik op dat het aan de sector is om gebruik te maken van apparatuur die geschikt is voor het uitvoeren van de in het kader van dit stelsel vereiste metingen en controles. In certificatieschema’s kunnen hier ook eisen aan worden gesteld. Daarbij wordt onderkend dat de in de handel beschikbare meetapparatuur een meetonzekerheid hebben. Aanbevolen wordt gebruik te maken van meetapparatuur met een meetonnauwkeurigheid van maximaal 5 ppm. De op het apparaat aangegeven concentratie koolmonoxide is leidend voor de in het kader van onderhavig stelsel te zetten stappen

2 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/609330006.pdf en https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-mmk-koolmonoxide.

Concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel

Zowel Kiwa als Techniek Nederland wijzen erop dat, naast het belang van het meten van de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel, het ook van belang is om de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel te meten en controleren. Daarbij wordt aangegeven dat de samenstelling van deze gassen een betrouwbare indicatie is voor de veilige werking van de installatie. Gevraagd wordt deze meting en controle toe te voegen aan artikel 1.19 van de consultatieversie van de regeling of aan de artikelsgewijze toelichting daarbij. Daarnaast vraagt Kiwa ook bij de meldplicht (bijna-)ongevallen een waarde op te nemen die betrekking heeft op de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel.

Het voorstel om ook het meten en controleren van de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel (veelal gemeten in de verbrandingsgasafvoer) te verplichten heb ik overgenomen. Hierbij heb ik mij gebaseerd op de waarden zoals die voor specifieke toestellen zijn opgenomen in de norm NEN 8025.

Het voorstel van Kiwa om hiervoor ook bij de meldplicht (bijna-)ongevallen een waarde op te nemen heb ik niet overgenomen. De aanwezige concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel geeft weliswaar een indicatie voor de veilige werking van het toestel maar vormt zolang deze concentratie niet vrijkomt in ruimten waarin zich personen kunnen bevinden geen risico voor de gezondheid. De meldplicht (bijna-)ongevallen heeft betrekking op koolmonoxide die vrijkomt in ruimten waarin zich personen kunnen bevinden.

Periodiek onderhoud

In twee reacties wordt gepleit voor verplicht periodiek onderhoud aan gasverbrandingstoestellen. Techniek Nederland geeft daarnaast aan dat het belangrijk is dat de certificaathouder de klant wijst op het belang van regelmatig onderhoud.

In reactie op vragen bij de internetconsultatie van de bovenliggende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en eerder in de memorie van toelichting bij de wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van dit stelsel, heb ik aangegeven dat ik er in overeenstemming met de aanbeveling van de OvV voor heb gekozen om periodiek onderhoud aan gasverbrandingstoestellen niet te verplichten. Uit het onderzoek van de OvV blijkt namelijk dat een dergelijke verplichting grote praktische implicaties met zich brengt en een aanzienlijke lastenverzwaring. Daarbij is het zo dat veel bewoners en eigenaren hun verantwoordelijkheid nu al nemen door regelmatig onderhoud te laten plegen aan hun gasverbrandingsinstallatie. Daarnaast, zo geeft de OvV in haar onderzoeksrapport aan, zal door onderhavig stelsel de veiligheid van gasverbrandingsinstallaties al sterk toenemen.

Omdat ik het wel belangrijk vind om consumenten te (blijven) wijzen op het belang van periodiek en goed onderhoud door een gecertificeerd bedrijf heb ik de voorzitter en leden van de Tweede Kamer in het kader van de voorhangprocedure van het ontwerpbesluit laten weten hieraan in de voorlichtingscampagne van het stelsel nadrukkelijk aandacht te zullen besteden.

Verkoop toestellen aan particulieren

Techniek Nederland geeft aan van mening te zijn dat de wettelijke certificeringsregeling moet samengaan met een verbod op de vrije verkoop van cv-ketels en dat uitsluitend gecertificeerde bedrijven (of zzp’ers) in de gelegenheid moeten zijn om cv-ketels aan te schaffen. Hiermee kan worden voorkomen dat niet-gecertificeerde bedrijven of personen alsnog cv-ketels installeren waarmee de kans op koolmonoxideongevallen zou blijven bestaan. Ook in een andere reactie wordt dit opgemerkt.

Net zoals bij de internetconsulatie van onderliggende wijzing van de Woningwet en van de bijbehorende wijziging van het Bouwbesluit 2012merk ik hierover op dat verkoop van gasverbrandingstoestellen aan alleen gecertificeerde bedrijven de mogelijkheid belemmert om als particulier of anderszins een toestel te kopen en een gecertificeerd bedrijf in te huren om dit toestel te laten plaatsen en in bedrijf te stellen. Deze belemmering is niet redelijk en gaat ook verder dan nodig is om het beoogde doel, dat gasverbrandingsinstallaties zodanig worden geplaatst en onderhouden dat deze veilig kunnen worden gebruikt, te bereiken.

Rol verzekeraars

Techniek Nederland pleit er in haar reactie voor de mogelijkheid te bekijken om verzekeraars bij het stelsel te betrekken. Techniek Nederland denkt dat wanneer verzekeraars uitsluitend eventuele schade vergoeden wanneer een gecertificeerd bedrijf is ingeschakeld, niet-gecertificeerde installateurs eerder van de markt zullen worden geweerd. Hierbij merk ik op dat het verzekeraars vrij staat om een dergelijke verplichting in de polisvoorwaarden van een inboedelverzekering op te nemen. Het is echter aan de markt zelf om hier het gesprek over aan te gaan en om hier invulling aan te geven.

Melding (bijna-)ongevallen

Bij de meldplicht voor (bijna-)ongevallen wordt gevraagd wie de te hoge waarde moeten hebben vastgesteld, de inbedrijfsteller of de certificerende instelling. In dat verband wordt ook opgemerkt dat een certificerende instelling zich niet zou moeten bezighouden met registratie en melding van (bijna-)ongevallen. Ook wordt gevraagd of een melding nodig is wanneer de oorzaak is weggenomen en waarom met 20 ppm gekozen is voor een strengere waarde dan NEN 8025, die uitgaat van 25 ppm.

Hierbij merk ik op dat wanneer sprake is van een (bijna-)ongeval (koolmonoxideconcentratie hoger dan 20 ppm) de monteur of inbedrijfsteller dit moet melden aan de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificerende instelling. De certificerende instelling vermeldt deze meldingen in het verslag dat zij jaarlijks aan de minister stuurt. Op grond daarvan ontstaat een goed landelijk beeld van het aantal (bijna )ongevallen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de aanbeveling van de OvV om het aantal (bijna-)ongevallen te monitoren. Daarbij is het belangrijk dat alle (bijna-)ongevallen worden gemeld en geregistreerd, dus ook wanneer de oorzaak is of wordt weggenomen. Zoals in de toelichting bij onderhavige regeling aangegeven, volgt de waarde van 20 ppm uit de Europese richtlijn voor werknemers uit 2017 3 en de daarop gebaseerde Arbeidsomstandighedenregeling. Het kabinet is van mening dat met deze waarde de veiligheid van consumenten en andere gebruikers goed wordt geborgd.

3 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32017L0164&from=NL.

Koolmonoxidemelders

Met betrekking tot de in de consultatieversie van de regeling opgenomen verplichting om ook een koolmonoxidemelder te controleren wanneer deze in of nabij de opstellingsruimte van het gasverbrandingstoestel aanwezig is, wordt een aantal suggesties voor aanvullingen gedaan. Ook wordt opgemerkt dat een koolmonoxidemelder een goedkopere en eenvoudiger te realiseren oplossing is dan het wettelijk stelsel.

De verplichting om ook een koolmonoxidemelder te controleren is op verzoek van de sector in de consultatieversie opgenomen. Door ATR is over deze verplichting opgemerkt dat het een nieuwe verplichting betreft die niet eerder is opgenomen. In de definitieve regeling is deze verplichting niet opgenomen omdat de grondslag hiervoor in het wettelijk stelsel onvoldoende is. Het stelsel richt zich namelijk op het borgen van de veiligheid van de installatie zelf, door het stellen van eisen aan de uit te voeren werkzaamheden. De in het kader van de internetconsultatie gedane suggesties voor aanvullingen op dit punt zijn daarom niet overgenomen. Verder merk ik met betrekking tot koolmonoxidemelders op dat deze niet verplicht zijn omdat ze in veel gevallen onvoldoende betrouwbaar zijn en ze in de praktijk vaak niet juist worden gebruikt. In haar hiervoor genoemde rapport heeft de OvV hier aandacht aan besteed. De beste manier om ongevallen met koolmonoxide te voorkomen is ervoor te zorgen dat de installaties die gebruikt worden veilig zijn. Het wettelijk stelsel voorziet hierin. Koolmonoxidemelders kunnen hier hooguit een aanvulling op zijn. Dat neemt niet weg dat koolmonoxidemelders vrijgekomen koolmonoxide kunnen detecteren. Het kabinet stimuleert daarom wel de vrijwillige plaatsing van betrouwbare en effectieve koolmonoxidemelders, onder andere via de landelijke publiekscampagne ’Stop CO-vergiftiging’ van Brandweer Nederland, de Veiligheidsregio’s en de Nederlandse Brandwonden Stichting.

Beeldmerk

Stichting NHK merkt op dat het in het kader van het wettelijk stelsel voorgeschreven beeldmerk passend dient te zijn voor de diverse sectoren en daarmee neutraal voor alle typen gastoestellen. Techniek Nederland geeft aan verheugd te zijn dat hiervoor het beeldmerk ‘OK CV’ is doorontwikkeld. Daarbij geeft Techniek Nederland aan dat het belangrijk is dat er een streng regime komt om misbruik van het beeldmerk te voorkomen.

Bij het ontwikkelen van het beeldmerk is er rekening mee gehouden dat het toepasbaar is voor alle typen gasverbrandingsinstallaties en voor alle in de sector werkzame bedrijven. De Staat is eigenaar van het beeldmerk en kan optreden tegen misbruik van het beeldmerk, bijvoorbeeld wanneer een niet gecertificeerd bedrijf het beeldmerk voert.

Openbaar register

Gevraagd wordt of het openbaar register een administratieve verplichting betreft of dat het kabinet hiermee een consumentgerichte ontsluiting van gecertificeerde bedrijven beoogt. Techniek Nederland wijst op het belang van goede ontsluiting van deze informatie naar de consument en pleit ervoor hiervoor aan te sluiten bij een zoekfunctie van Qbis.

Het wettelijk stelsel voorziet in een openbaar register met certificerende instellingen en certificatie schema’s die zijn aangewezen, en met bedrijven die zijn gecertificeerd om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te voeren (certificaathouders). Dit register ondersteunt consumenten en andere opdrachtgevers bij het zoeken naar een gecertificeerd bedrijf om werkzaamheden te laten uitvoeren. Bij het opzetten van dit register wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid daarvan en het gebruiksgemak.

Afmelden werkzaamheden

In twee reacties wordt ingegaan op de registratie van door het gecertificeerde bedrijf uitgevoerde werkzaamheden. Wat opvalt is dat de ene reactie pleit voor het centraal registreren van deze informatie en de andere reactie er juist voor pleit deze informatie niet centraal te registreren.

Met het wettelijk stelsel wordt erin voorzien dat uitgevoerde werkzaamheden bij de afzonderlijke certificerende instellingen worden geregistreerd. Op basis hiervan kunnen certificerende instellingen steekproeven doen bij de door hen gecertificeerde bedrijven om de uitgevoerde werkzaamheden te controleren. Een centrale landelijke registratie is niet nodig om het beoogde doel van de wettelijke verplichting te bereiken. Wanneer daar in de sector behoefte aan is, dan staat het de sector vrij om – binnen de wettelijke grenzen van de privacywetgeving – zelf een centrale registratie van installaties en uitgevoerde werkzaamheden op te zetten.

Campagne

Techniek Nederland vraagt of in de communicatiecampagne of los daarvan nogmaals aandacht kan worden geschonken aan het infoblad en de handreiking voor collectieve rookgasafvoeren bij VvE’s. 4 Daarbij wijst Techniek Nederland ook op de mogelijkheid van het instellen van een onderzoeksplicht wanneer VvE’s onvoldoende doen aan de veiligheid van hun gasverbrandingsinstallaties.

Met betrekking tot het verzoek van Techniek Nederland merk ik op dat er in de communicatiecampagne specifieke aandacht zal zijn voor VvE’s. Bij VvE’s met individuele verbrandingstoestellen is sprake van een bijzondere situatie vanwege het gedeelde eigendom van de gasverbrandingsinstallatie. De verbrandingstoestellen zijn dan eigendom van de individuele eigenaren en de collectieve rookgasafvoer is gemeenschappelijk eigendom van de gezamenlijke eigenaren. Het is daarom belangrijk dat er binnen de VvE goede afspraken worden gemaakt over het onderhoud en vervanging van verbrandingstoestellen door de individuele eigenaren en het onderhoud en de vervanging van de collectieve rookgasafvoer. Daarbij is het belangrijk dat een specialist voor de VvE in kaart brengt welke rookgasafvoer in het gebouw aanwezig is en welk gasverbrandingstoestel daarop kan worden aangesloten. De individuele eigenaren dienen op hun beurt de VvE op de hoogte te brengen wanneer aanpassing of vervanging van een bestaand verbrandingstoestel aan de orde is.

De op 1 januari 2018 inwerking getreden wet Verbetering functioneren verenigingen van eigenaars (Stb 2017, 241) verplicht VvE’s voldoende middelen voor groot onderhoud, zoals collectieve rookgasafvoeren, te reserveren.14 In aanvulling op de hiervoor genoemde wet is het van belang dat de kennis en het bewustzijn binnen VvE’s over de gevaren van koolmonoxide en het risico van verspreiding van koolmonoxide binnen het gebouw door niet goed aangelegde of onderhouden installaties waaronder de collectieve rookgasafvoer wordt vergroot. Met de communicatiecampagne wordt hierin voorzien. Daarbij worden ook het eerder opgestelde infoblad en de handreiking voor VvE’s geactualiseerd. Een onderzoekplicht zoals door Techniek Nederland genoemd is niet aan de orde.

4 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huis-kopen/geld-reserveren-voor-groot-onderhoud-appartementengebouw.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

Juridisch-Technische Commissie en het Overlegplatform Bouwregelgeving

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. Het JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken. Door twee organisaties binnen de JTC zijn beperkt vragen gesteld over de bepalingsmethode. Dit heeft geleid tot enige aanvulling in de artikelsgewijze toelichting.

Internetconsultatie

De conceptregeling is voorgelegd in een internetconsultatie. Hierop zijn reacties van 27 particulieren en 18 bedrijven of organisaties ontvangen.

De meeste reacties hadden betrekking op de geluidseisen zelf. In reactie hierop wordt opgemerkt dat de geluidseisen geen onderwerp zijn van de wijzigingsregeling. De geluidseisen zijn vastgelegd in het bovenliggende wijzigingsbesluit 5 en zijn daarin toegelicht en onderbouwd. Verder zijn de geluidseisen nader toegelicht in reactie op vragen van de Tweede Kamer in het kader van de voorhang van dat besluit 6.

5 Stb. 2020, 189

6 Tweede Kamer, Vergaderjaar 2018–2019, 32 757, nr.155

De reacties die betrekking hadden op de bepalingsmethode hebben geleid tot aanpassingen in de artikelteksten. Het gaat hierbij met name om de volgende zaken.

  • Toegevoegd is dat bij installaties voor tapwaterproductie en ruimteverwarming die bij het ontdooien geen gebruik maken van de aanwezige warmte in de woning of een speciaal warmtebuffer, de metingen ook worden uitgevoerd bij het ontdooien.
  • De correctie met - 5 dB van het gemeten geluidsniveau bij een gemeenschappelijke, geheel gesloten erfafscheiding is beperkt tot situaties waarbij de bescherming van de buitenruimte maatgevend is.
  • De correctie voor de reflectie tegen een achterliggende constructie (gevel) is aangepast en beperkt tot situatie waarbij geen sprake is van een buitenruimte.

Daarnaast hebben de reacties geleid tot aanvullingen in de toelichting bij de wijzigingsregeling.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

De aanpassingen zijn met name doorgevoerd conform een verzoek vanuit de Programmaraad Gebouwenergieprestatie om eventuele fouten tijdens de doorontwikkeling te repareren en deze zijn conform een vooraf afgestemde procedure in afstemming met de projectgroep en Programmaraad doorgevoerd (zie boven). JTC en OPB zijn hierin niet gekend. Het concept van de regeling is niet gepubliceerd in het kader van internetconsultatie omdat het hier om ondergeschikte technische en redactionele wijzigingen gaat.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Juridisch Technische Commissie (JTC) van het Overlegplatform bouwregelgeving (OPB). In het OPB zijn op bestuurlijk niveau de organisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van gebouwen en organisaties van toezichthouders vertegenwoordigd. Het JTC bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties die deel uitmaken van het OPB, die zich vooral bezighouden met de meer juridisch/technische vraagstukken. Dit heeft geleid tot enige aanpassingen.

Het concept van de regeling is niet gepubliceerd in het kader van internetconsultatie omdat het hier vooral om ondergeschikte technische wijzigingen in normen gaat, waarbij de belanghebbende partijen zijn geconsulteerd in het kader van de JTC.

4Code Interbestuurlijke Verhoudingen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code Interbestuurlijke Verhoudingen.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De VNG maakt geen gebruik van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. Zij heeft ambtelijk aangegeven geen opmerkingen op het ontwerp van deze regeling te hebben.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven ten aanzien van het ontwerp van dit besluit geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven ten aanzien van het ontwerp van deze regeling geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven ten aanzien van het ontwerp van deze regeling geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regelingen

De VNG maakt geen gebruik van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. Zij heeft ambtelijk aangegeven geen opmerkingen op het ontwerp van deze regeling te hebben

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

De regeling is niet aan de VNG voorgelegd voor de wijziging van onderhavige regeling.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.

De Vereniging van Nederlandse gemeenten heeft aangegeven ten aanzien van het ontwerp van deze regeling geen gebruik te willen maken van haar formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met het ontwerp van artikel I.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met de inhoud van deze wijzigingsregeling.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met de inhoud van deze wijzigingsregeling.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met de inhoud van deze wijzigingsregeling.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven in te stemmen met de inhoud van deze wijzigingsregeling

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG stemt met deze regeling in.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG heeft geen opmerkingen gemaakt.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. Door de VNG is aandacht gevraagd voor een aantal aspecten met betrekking tot toezicht en handhaving van de bepalingen door gemeenten en omgevingsdiensten, waaronder de toegang van bevoegd gezag tot gegevens in het afmeldregister voor keuringen. Hier zal samen met de VNG nader naar worden gekeken in het kader van het opstellen van een handhavingsprotocol. De reactie van de VNG op de ontwerpregeling heeft overigens niet geleid tot aanpassing van de regeling.

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven zich te kunnen vinden in deze wijzigingsregeling.

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG heeft geen opmerkingen gemaakt.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

De VNG merkt in haar reactie met name op dat bij een gemeten concentratie koolmonoxide van tussen de 0 en 5 ppm de kans bestaat dat burgers, en dan in het bijzonder huurders en leden van een Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE), een beroep op de gemeente zouden kunnen gaan doen als ze zich hierover zorgen maken. Deze verzoeken tot handhaving zouden dan leiden tot extra activiteiten aan de kant van de gemeenten. Daarnaast wijst de VNG op het groeiend aantal ‘toezicht en handhavingsopdrachten’ dat bij gemeenten komt te liggen en dat de uitvoeringscapaciteit van gemeenten hier niet goed bij aansluit waardoor gemeenten ook prioriteiten in de handhaving zullen moeten stellen. De VNG vraagt daarom in het stelsel een evaluatiemoment op te nemen zodat goed inzichtelijk wordt hoe groot de impact van het stelsel voor gemeenten is en om – indien nodig – te bezien of er aanleiding is om gemeenten hiervoor te compenseren.

Over de verplichting om bij een in de opstellingsruimte van het toestel gemeten concentratie koolmonoxide tussen de 0 en 5 ppm de gebruiker of bewoner en eigenaar te infomeren zijn bij de internetconsultatie meerdere vragen gesteld. Omdat een concentratie tussen de 0 en 5 ppm niet leidt tot risico’s voor de gezondheid heb ik (zoals nader toegelicht in paragraaf 4.3) besloten deze verplichting niet meer in de regeling op te nemen. Hiermee geef ik invulling aan de bij de internetconsultatie gemaakte opmerkingen en het door de VNG geuite zorgpunt dat bij deze lage concentratie door burgers mogelijk snel een beroep op de gemeente zal worden gedaan. Met betrekking tot het door de VNG verzochte evaluatiemoment merk ik op dat het stelsel hierin voorziet. Dit evaluatiemoment is voorzien drie jaar na inwerkingtreding van het stelsel en daarmee anderhalf jaar na inwerkingtreding van de in het stelsel opgenomen verbodsbepaling ingediend.

Naast de hiervoor genoemde leden van het OPB (Techniek Nederland, ERB en Kiwa) zijn dat de Stichting Nederlandse Haarden en Kachelbranche (hierna: Stichting NHK), de Raad voor Accreditatie (hierna: RvA), ATR, een installatiebedrijf, de Nederlandse Verwarmingsindustrie en 5 anonieme reacties. De meeste reacties bij de conceptwijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 hebben betrekking op de koolmonoxideconcentraties (ppm’s) waarop in het kader van het stelsel moet worden getoetst. Daarnaast is het voorstel gedaan om een verplichting in de regeling op te nemen om de concentratie koolmonoxide ook in de verbrandingsgassen van het toestelzelf te meten. Andere reacties betreffen opmerkingen die veelal eerder zijn gemaakt bij de totstandkoming van de Wet van 26 juni 2019 tot wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (Stb. 2019, 383) en bij het besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties Stb. 2020, 348), waarin het wettelijk stelsel is uitgewerkt. Het betreft hier opmerkingen met betrekking tot handhaving van het stelsel, de kosten van het stelsel, de vakbekwaamheid van de installateur, de geldigheid van eerder behaalde diploma’s, periodiek onderhoud, verkoop van toestellen aan particulieren, de rol van verzekeraars, koolmonoxidemelders, het te gebruiken beeldmerk en het openbaar register, de in het kader van het stelsel te voeren campagne en het afmelden van uitgevoerde werkzaamheden. Ook zijn een aantal opmerkingen van regelingtechnische aard gemaakt. Hier is zoveel mogelijk rekening mee gehouden.

Verder merk ik naar aanleiding van de internetconsultatie op dat het wettelijk stelsel een vergunningstelsel is in de zin van artikel 1 van de Dienstenwet. De Dienstenwet betreft de implementatie van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376). Dit is nader toegelicht in de memorie van toelichting bij de wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van dit wettelijk stelsel. 1

Voor de uitoefening van haar taken in het kader van dit stelsel wordt een certificerende instelling aangemerkt als Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO).

1 Kamerstukken II 2017/18, 35 022, nr.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG vindt dat de geluidseisen onvoldoende bescherming geven en vraagt om lokaal maatwerk voor gemeenten. In reactie hierop wordt opgemerkt dat de geluidseisen zelf geen onderwerp zijn van de wijzigingsregeling maar alleen de bepalingsmethode. De geluidseisen zijn vastgelegd in het bovenliggende wijzigingsbesluit en zijn daarin toegelicht en onderbouwd. Verder zijn de geluidseisen nader toegelicht in reactie op vragen van de Tweede Kamer in het kader van de voorhang van het wijzigingsbesluit 2. Bij de geluidseisen is in het wijzigingsbesluit geen maatwerk mogelijk voor gemeenten. Dit betreft zowel voor het Bouwbesluit 2012 als het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl). Beide besluiten gaan namelijk uit van landelijke uniforme bouwvoorschriften. Dit principe van landelijke uniforme bouwvoorschriften is geen onderwerp van de onderhavige internetconsultatie die namelijk alleen gaat over bepalingsmethode. Ten aanzien van de bepalingsmethode zelf maakt de VNG een opmerking betreffende de tonaliteitsbepaling die afwijkend is van de HMRI. In reactie hierop wordt opgemerkt de HMRI voor de bepaling van tonaal geluid niet aansluit bij de meest actuele norm NEN-ISO 1996-2. Daarnaast sluit deze HMRI-methode niet aan op de productinformatie die de meeste leveranciers van installaties hebben over tonaal geluid. Deze productinformatie is al beschikbaar voor de Duitse markt en is gebaseerd op de Zwitserse norm DIS47315/150257. De meeste leveranciers opereren internationaal en hebben een groot aantal installatietypen. Het voorschrijven van de Nederlandse HMRI-methode voor de bepaling van tonaliteit, zou betekenen dat de leveranciers op korte termijn veel laboratoriumonderzoeken (opnieuw) moeten laten uitvoeren. Om invoeringsproblemen te voorkomen is daarom gekozen toe te staan dat deze Duitse methode tot 1 januari 2024 gebruik kan worden voor de bepaling van de tonaliteit. Daarnaast is voor de tonaliteitsbepaling de NEN-ISO 1996-2 aangewezen. Tot 1 januari 2024 kan men zowel deze norm gebruiken als de methode die gebaseerd is op de genoemde Zwitserse norm.

2 Stb. 2020, 189 en Kamerstukken II, 2018–2019, 32 757, nr.155

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

De ontwerpregeling is niet voorgelegd.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

De ontwerpregeling is voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het kader van de formele adviesbevoegdheid als bedoeld in de Code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG heeft geen opmerkingen gemaakt

5Toetsing administratieve lasten

De ontwerpregeling is niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten. Het gaat in deze regeling alleen om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat er geen reeds bestaande of nieuwe eisen worden aangescherpt, zodat geen sprake is van nieuwe of extra administratieve lasten.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen
1.Administratieve lasten

Het gaat in deze wijzigingsregeling alleen om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat er in principe geen sprake is van nieuwe of extra administratieve lasten als gevolg van deze regeling. Er is wel sprake van een lastenverhoging als uitvloeisel van de inwerkingtreding van de afdelingen 6.12 (per 1 juli 2012) en 5.2 (per 1 januari 2013) van het Bouwbesluit 2012. Op basis van het rapport ‘Administratieve lastentoets indieningsvereisten wijzigingsregeling Mor’ (SIRA, oktober 2011) kan worden vastgesteld dat de bepalingen over veilig onderhoud gebouwen leiden tot een verhoging van de administratieve lasten per jaar van € 547.000 voor bedrijven en 1.900 uur voor burgers. De administratieve lasten die voortvloeien uit de voorschriften over de milieubelasting van het gebouw als gevolg van de toe te passen materialen zullen op basis van datzelfde onderzoek jaarlijks naar verwachting ongeveer € 14.500.000 voor bedrijven bedragen.

2.Bestuurlijke lasten

De gevolgen van het Bouwbesluit 2012 voor de bestuurlijke lasten zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit. De onderhavige wijzigingsregeling heeft geen nieuwe gevolgen voor die lasten.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht
1.Algemeen

Deze regeling leidt niet tot een wijziging van de regeldruk. De voorschriften hebben met name betrekking op verbetering van bestaande artikelen, en wat betreft de wijziging van de Regeling omgevingsrecht, uitwerking van een voorschrift uit het Bouwbesluit 2012.

2.Administratieve lasten

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en van de Regeling omgevingsrecht leidt tot eenmalige administratieve lasten voor die bedrijven en overheden die kennis moeten nemen van de inhoud van deze regeling. Het gaat om circa 600 partijen, te weten gemeenten, grote adviesbureaus, installateurs en aannemers. Deze partijen zullen gemiddeld eenmaal een uur besteden ter waarde van gemiddeld € 50. De totale lasten bedragen hiermee circa € 30.000. De vraag of er voldoende aandacht is besteed aan alternatieven die mogelijk minder lasten met zich meebrengen is hier niet relevant. Het gaat in deze wijzigingsregeling met name om de consequenties van het wijzigen van normen, het aanwijzen van nieuwe normen en een BRL en het uitwerken van normen die in het Bouwbesluit 2012 zijn aangewezen. De administratieve lasten van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

3.Bestuurlijke lasten

Deze wijzigingsregeling leidt, omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012, niet tot bestuurlijke lasten. De bestuurlijke lasten van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen
1.Algemeen

Deze regeling leidt niet tot een wijziging van de regeldruk. De voorschriften zijn met name een uitwerking van de artikelen 5.6, derde lid, en 6.55 van het Bouwbesluit 2012.

2.Administratieve lasten

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en van de Regeling omgevingsrecht leidt tot eenmalige administratieve lasten voor die bedrijven en overheden die kennis moeten nemen van de inhoud van deze regeling. Het gaat om circa 600 partijen, te weten gemeenten, grote adviesbureaus, installateurs en aannemers. Deze partijen zullen gemiddeld eenmaal een uur besteden ter waarde van gemiddeld € 50. De totale lasten bedragen hiermee circa € 30.000. De vraag of er voldoende aandacht is besteed aan alternatieven die mogelijk minder lasten met zich meebrengen is hier niet relevant. Het gaat in deze wijzigingsregeling met name om uitwerking van voorschriften in het Bouwbesluit. De administratieve lasten van de desbetreffende wijziging van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

3.Bestuurlijke lasten

Deze wijzigingsregeling leidt, omdat het alleen gaat om uitwerking van de artikelen 5.6, derde lid, en 6.55 van het Bouwbesluit 2012, niet tot bestuurlijke lasten. De bestuurlijke lasten van de desbetreffende wijziging van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht
1. Algemeen

Deze regeling leidt niet tot een significante wijziging van de regeldruk. Dit blijkt uit het rapport ‘Effectmeting wijziging bouwregelgeving, Doorrekening van de effecten van de wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 op de administratieve lasten en nalevingskosten voor bedrijven en burgers en de bestuurlijke lasten van de overheid’ (SIRA, juli 2013). Met uitzondering van de in de onderdelen E en G opgenomen voorschriften zijn de regeldrukeffecten van deze wijzigingsregeling neutraal. Daarbij wordt opgemerkt dat de voorschriften in deze wijzigingsregeling, met uitzondering van de onderdelen A en B uitsluitend zijn ter uitwerking van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. De onderdelen A en B betreffen het vervallen van begripsbepalingen en aanpassing van een artikel als gevolg van de inwerkingtreding van de verordening bouwproducten.

2. Nalevingskosten

Het voorschrift met betrekking tot het opnemen van een zelfsluitende deur bij nieuwbouw portiekwoningen (onderdeel E), leidt, uitgaande van 10.000 nieuwe portiekwoningen per jaar, tot nalevingskosten van € 8.000.000 op jaarbasis.

Uit bovengenoemd Sira-rapport blijkt tevens dat het voorschrift dat verplicht tot het verder scheiden van afvalstoffen (onderdeel G) wellicht tot een toename van de nalevingskosten leidt. Het is echter niet mogelijk gebleken die te kwantificeren.

3. Administratieve lasten

Het gaat in deze regeling om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat er geen reeds bestaande of nieuwe eisen worden aangescherpt, zodat er geen sprake is van nieuwe of extra administratieve lasten.

4. Bestuurlijke lasten

Deze wijzigingsregeling leidt, omdat het gaat om uitwerking van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012, niet of nauwelijks tot bestuurlijke lasten. De bestuurlijke lasten van het Bouwbesluit 2012 zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regelingen
1. Algemeen

De gevolgen van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 per 1 januari 2015 voor de bestuurlijke lasten zijn reeds in beeld gebracht in de nota van toelichting bij dat besluit. De onderhavige wijzigingsregeling heeft geen nieuwe gevolgen voor die lasten

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)
1. Algemeen De onderhavige wijzigingsregeling heeft geen gevolgen voor de bestuurlijke lasten.
g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.
1. Algemeen Het gaat in deze wijzigingsregeling voornamelijk om het aanwijzen van nieuwe versies van in het Bouwbesluit 2012 aangewezen normen en van het CCV- inspectieschema Brandbeveiliging. Ook de andere onderwerpen in de regeling, zoals de eisen aan de kooldioxidemeter zijn ter uitwerking van wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 Dit betekent dat er in principe geen sprake kan zijn van nieuwe of extra administratieve lasten als gevolg van deze regeling.
2. Bestuurlijke lasten Omdat hier met name sprake is van het aanwijzen van nieuwe versies van in het Bouwbesluit 2012 aangewezen normen en van de uitwerking van wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 heeft de onderhavige wijzigingsregeling geen gevolgen voor die lasten.
h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

De regeldrukeffecten van de onderzoeksverplichting (artikel I, onderdeel B) zijn in kaart gebracht in het onderzoek ‘Regeldrukeffecten wijziging Regeling Bouwbesluit 2012, Veiligheid van betonnen galerijvloeren’ (Sira 27 november 2015). De nieuwe verplichting heeft geen structureel effect op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven, noch op de nalevingskosten voor bedrijven.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

De regeldrukeffecten van de onderzoeksverplichting (Artikel I, onderdeel B) zijn in kaart gebracht in het onderzoek “Effectmeting wijziging Regeling Bouwbesluit 2012 Roestvaststalen (RVS) constructies in zwembaden” (Sira 10 mei 2016).

De onderzoeksverplichting naar de staat van roestvaststalen onderdelen in bestaande zwembaden heeft wel een eenmalig effect op de administratieve lasten. Deze nemen namelijk eenmalig toe met een bedrag tussen de € 1,6 miljoen en de € 2,3 miljoen. Hierbij is uitgegaan van 692-1033 zwembaden en onderzoekskosten ten bedrage van € 2.250 per zwembad.

De wijziging heeft geen effect op de structurele administratieve lasten noch op de (eenmalige en structurele) inhoudelijke nalevingskosten.

Voor het bedrijfsleven zijn er geen inhoudelijke nalevingskosten, omdat de wijziging geen nieuwe structurele inhoudelijke verplichtingen schept.

Hoewel uit het onderzoeksrapport niet mag blijken dat niet-resistent RVS resteert in het zwembad, volgen eventuele nalevingskosten die worden gemaakt om gevaarlijke niet-resistente RVS-delen te vervangen of te verwijderen niet uit de voorliggende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012. Dergelijke nalevingskosten zijn een gevolg van het eerder niet of niet volledig voldoen aan al bestaande regelgeving.

De invoering van de onderzoeksverplichting verandert niets aan de taken en verplichte handelingen voor het bevoegd gezag (de gemeente). Daardoor zijn er geen gevolgen voor de bestuurlijke lasten, aldus bovengenoemd Sira rapport.

De wijzigingen in de onderdelen A, C en D van deze wijziging hebben geen effect op de lasten.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

De onderdelen A, B en C van artikel I over de artikelen 5.1 (NEN 1006) en 5.1a (NEN 1010) en 5.8a (NEN 5086) hebben geen regeldrukeffecten. De onderdelen D en E van artikel I betreffen het aansturen van nieuwe versies van normen. Vanuit NEN is aangegeven dat het gebruiken van deze nieuwe versies in principe niet leidt tot lastenverzwaring. Een uitzondering hierop betreft de aansturing van de nieuwe NEN-EN 1997-1. In deze norm wordt de puntdraagkracht van funderingspalen met 30% gereduceerd ten opzichte van de eerdere norm. Uit onderzoek is gebleken dat voorgestane veiligheidsniveau van het Bouwbesluit 2012 niet aantoonbaar gehaald kan worden met de paaldraagkrachtfactoren die volgen uit de eerdere versie van de norm. Vergelijking met buitenlandse normen bevestigt dit. Aansturing van deze nieuwe norm leidt naar schatting tot een kostenstijging voor de bouwsector van 20 tot 30 miljoen euro per jaar (nalevingskosten). Deze extra kosten worden veroorzaakt door de noodzaak van het installeren van meer palen, of langere palen, of palen met een grotere diameter, en de bijbehorende installatiekosten per bouwwerk om de paalpuntreductie van 30% ten opzichte van het verleden te overbruggen. Deze wijziging geldt alleen voor nieuwbouw.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

Voor de regeldrukaspecten van de onderdelen drijvende bouwwerken en de milieugrenswaarde van deze regeling wordt verwezen naar het onderzoeksrapport “Effectmeting wijzigingen Bouwbesluit 2012, Drijvende Bouwwerken, milieuprestatiegrenswaarden en de label-C plicht voor kantoren” (Sira, 16 mei 2017). In dit rapport wordt ingegaan op de gevolgen voor de regeldruk van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2018, betreffende drijvende bouwwerken, de milieuprestaties en enkele andere wijzigingen (Stb. 2017, 494). Omdat de eisen met betrekking tot drijvende bouwwerken en de milieugrenswaarde in deze regeling een uitwerking zijn van de eisen in de hiervoor genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012, heeft deze wijzigingsregeling wat betreft deze onderdelen geen zelfstandige effecten op de regeldruk. Zie ook onderdeel 5 van het algemeen deel van de toelichting bij genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012.

Ook de eisen aan bijna energieneutrale overheidsgebouwen zijn een invulling van reeds eerder in het Bouwbesluit 2012 opgenomen eisen op grond van de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (herziene EPBD). De energieprestatie van Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) is in Nederland uitgewerkt in de volgende drie BENG indicatoren:

  • Maximale energiebehoefte (BENG 1);
  • Maximale primaire fossiel energiegebruik (BENG 2);
  • Minimale aandeel hernieuwbare energie (BENG 3).

Uit artikel 5 van de herziene EPBD volgt dat het niveau van eisen waaraan een bijna energieneutraal gebouw moet voldoen, kostenoptimaal moet zijn. Deze analyse is vastgelegd in het DGMR-rapport “Kostenoptimaliteit BENG-eisen overheidsgebouwen” van 6 juli 2017. Conform het raamwerk dat voor kostenoptimaliteitsberekeningen in de herziene EPBD is voorgeschreven, is in dit rapport voor de BENG-indicator 2 (primaire fossiele energiegebruik) de kostenoptimaliteit beschouwd, en voor BENG1 (energiebehoefte) en BENG3 (aandeel hernieuwbare energie) de kosteneffectiviteit.

De aansturing van een aantal nieuwe versies van NEN-normen brengt geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versies om verduidelijkingen, aanvullingen en correcties van bestaande normen.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

De aanwijzing van deze nieuwe versie van het CCV-inspectieschema brengt geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versie vergeleken met de eerdere versie om enkele verduidelijkingen, aanvullingen en relatief ondergeschikte correcties. Deze beperkte wijzigingen betreffen zogenoemde bedrijfseigen kosten. Zie voor een overzicht van deze wijzigingen onderdeel 1.6 van versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018).

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

De aanwijzing van de laatste versies van een aantal normen brengt in principe geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versies vergeleken met de eerdere versies slechts om enkele verduidelijkingengevolgen, aanvullingen en relatief ondergeschikte wijzigingen.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

De aanwijzing van deze nieuwe versie van het CCV-inspectieschema brengt geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versie vergeleken met de eerdere versie om enkele verduidelijkingen, aanvullingen en relatief ondergeschikte correcties. Deze beperkte wijzigingen betreffen zogenoemde bedrijfseigen kosten. Zie voor een overzicht van deze wijzigingen paragraaf 1.5 van versie 12.0 (1 januari 2019) van het CCV-inspectieschema.

Wat betreft de wijzigingen ten aanzien van de Bepalingsmethode van de Milieuprestatie heeft Stichting Bouwkwaliteit in februari 2019 een impact-analyse laten uitvoeren door LBP|Sight en SGS Search. De rapporten zijn te raadplegen op de site over de Nationale Milieudatabase van de Stichting Bouwkwaliteit www.milieudatabase.nl. Op basis van deze rapporten kan worden geconcludeerd dat de nieuwe bepalingsmethode alsmede het vervallen van de correctiefactor in de Regeling Bouwbesluit niet leidt tot een lastenverzwaring. Er is evenmin sprake van extra administratieve lasten of regeldruk, omdat het een reguliere actualisatie betreft van een al bestaande bepalingsmethode.

De aanwijzing van de laatste versies van een aantal normen (artikel I, onderdelen D en E) brengt in principe geen lastenverzwaring mee. Het gaat bij deze nieuwe versies vergeleken met de eerdere versies slechts om enkele verduidelijkingen, aanvullingen en relatief ondergeschikte wijzigingen.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) deelt de analyse dat deze wijzigingsregeling geen omvangrijke gevolgen heeft voor de regeldruk. De ATR heeft om die reden geen formeel advies uitgebracht.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft geen formeel advies uitgebracht bij deze wijzigingsregeling omdat deze vergeleken met wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen praktisch geen nieuwe regeldrukgevolgen bevat. De regeldrukeffecten van genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 zijn door de ATR getoetst. Zie ook paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting bij genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2020, 84).

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

Op 12 december 2019 heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) advies uitgebracht over deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012. Hieronder is puntsgewijs op de aanbevelingen van de ATR ingegaan.

2.1 Het college verzoekt om toekomstige regelgeving omtrent de voorgenomen uitbreiding van de onderzoeksplicht naar gebouwen in lagere gevolgklassen te zijner tijd ter beoordeling aan de ATR voor te leggen. Reactie: Dit zal gebeuren.
2.2 Het college adviseert om in de toelichting expliciet te benoemen wat de verplichtingen zijn die voortvloeien uit de onderzoeksplicht voor eigenaren van CC3 gebouwen waarvan niet zeker gesteld kan worden of gebruik is gemaakt van breedplaatconstructies. Reactie: Dit is in de artikelsgewijze toelichting bij het eerste lid van artikel 5.13 verduidelijkt.
2.3 Het college adviseert om te verduidelijken welke alternatieven voor het vaststellen van de aan-dan wel afwezigheid van breedplaatvloeren in CC3 gebouwen zijn overwogen en daarbij expliciet in te gaan op de mogelijkheid om uit bouwtekeningen de relevante informatie te halen. Reactie: In de artikelsgewijze toelichting bij het eerste lid van artikel 5.13 is beschreven hoe een gebouweigenaar kan nagaan of in zijn gebouw breedplaatvloeren zijn toegepast.
2.4 Het college adviseert om de regeling alsnog in internetconsultatie te brengen om de werkbaarheid en eventuele knelpunten van de onderzoeksplicht voor (individuele) gebouweigenaren vast te kunnen stellen. Reactie: Dit advies is niet overgenomen. De eigenaren van CC3 gebouwen zijn geconsulteerd via de JTC. Zie hierboven onderdeel 2 van de toelichting van Stcrt. 2020, 21238. Verder is de onderzoeksplicht afgestemd met een brede klankbordgroep waarvan ook het Rijksvastgoedbedrijf en Aedes lid zijn. In dit specifieke geval zou internetconsultatie niets hebben toegevoegd.
q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft geen formeel advies uitgebracht bij deze wijzigingsregeling omdat deze vergeleken met Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw praktisch geen nieuwe regeldrukgevolgen bevat. De regeldrukeffecten van genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 zijn door de ATR getoetst. Zie hiervoor ook de hoofdstukken 2 en 5 van het algemeen deel van de toelichting bij genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

Het ATR heeft op 28 mei 2020 advies uitgebracht. In haar advies merkt het college op dat bij de uitwerking van de wet, de AMvB en de regeling veelvuldig is overlegd met de belangrijkste stakeholders en dat in het voorbereidend traject aandacht is besteed aan de werkbaarheid en uitvoerbaarheid van het nieuwe stelsel. Het college constateert ook dat in de regeling een verplichte activiteit voor gecertificeerde installateurs/monteurs is opgenomen die eerder nog niet in de wet of AMvB was opgenomen. Het betreft hier de bepaling dat een gecertificeerd installateur/monteur ook de plaatsing en werking van een aanwezige koolmonoxidemelder moet controleren. Daarbij wijst het college op de eerdere keuze om koolmonoxidemelders niet verplicht te stellen. Het college geeft aan dat voor de beoordeling van de proportionaliteit van de voorgenomen nieuwe verplichting nut en noodzaak en de kosten nadere inhoudelijke onderbouwing behoeven. Daarnaast constateert het college dat in de toelichting bij de regeling wordt verwezen naar een aantal NEN-normen. Het college adviseert te verduidelijken of deze normen juridisch (dwingend) worden voorgeschreven en wanneer dat het geval is de omvang van de regeldrukeffecten te berekenen en toe te lichten waarom niet voor een minder belastend alternatief zoals vrijwillige toepassing van de norm is gekozen. Het college adviseert ook normen kosteloos ter beschikking te stellen, indien kennis van de inhoud ervan volgens de bindende regelgeving vereist is en in de regeling de versie van deze normen aan te geven.

De constatering van ATR dat in de regeling met de verplichting een koolmonoxidemelder te controleren een nieuwe niet eerdergenoemde activiteit is opgenomen is juist. Zoals hiervoor (paragraaf 4.3.12) aangegeven is deze verplichting op verzoek van de sector in de consultatieversie opgenomen. In de definitieve regeling heb ik deze verplichting niet meer opgenomen omdat de grondslag hiervoor in het wettelijk stelsel onvoldoende is. Er is daarmee geen aanleiding meer om uitvoering te geven aan het advies van ATR om nut, noodzaak en kosten van deze activiteit te onderbouwen.

Zoals ATR aangeeft wordt in de toelichting bij de regeling verwezen naar NEN-normen. Aangezien de regeling zelf niet naar deze normen verwijst gaat het hier niet om een verplichting. Om dit te verduidelijken is de tekst van de toelichting aangepast. Daar wordt nu niet meer gesproken over vereiste normen maar worden deze normen alleen nog als voorbeeld genoemd. Wanneer de verwijzing naar een norm niet dwingend is, is er ook geen sprake van dat de norm kosteloos beschikbaar moet zijn en door het Rijk moet worden afgekocht. Uitgangspunt in de bouwregelgeving is dat bij een niet dwingende verwijzing ook voor een gelijkwaardige oplossing kan worden gekozen. Het advies van ATR op dit punt staat niet op zichzelf. Ook bij andere aanpassingen in de bouwregelgeving heeft ATR hierop gewezen. In de afgelopen jaren is de bouwregelgeving hierop getoetst en in een aantal gevallen zijn artikelen aangepast zodat duidelijk is dat ook voor een gelijkwaardige oplossing kan worden gekozen. Bij toekomstige nieuw in de bouwregelgeving aan te wijzen normen zal hier uiteraard ook op worden toegezien. De bouwsector (bedrijfsleven, handhavers, consumentenpartijen) is betrokken in dit proces via het OPB. Met betrekking tot de versies van de in de in de toelichting bij de regeling genoemde NEN-normen merk ik tenslotte op dat deze in bijlage I van de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn aangegeven.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

De regeldrukeffecten van de invoering van de geluidseisen voor buiten opgestelde installaties voor warmte- en koudeopwekking zijn in kaart gebracht in het onderzoeksrapport ‘Effectmeting wijzigingen Bouwbesluit 2012, Zelfsluitendheid deuren, installatiegeluid warmtepompen, veiligheidsafstanden’ (Sira Consulting, 12 april 2019) 2. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de nota van toelichting bij het bovenliggende Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen 3. Hierbij zijn ook de kosten voor de bepaling van de geluidseisen opgenomen. In haar rapport gaat Sira uit van 50 tot 300 euro voor het maken van een berekening. Sira gaat er verder vanuit dat bij 1% van de gevallen sprake kan zijn van daadwerkelijk meten van het geluid op locatie. Dit is dan werk voor een gespecialiseerd bureau en zal gemiddeld 1.150 euro kosten. Deze kosten worden gemaakt door diegene die de installatie voor warmte- of koudeopwekking wil plaatsen.

2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/01/31/effectmeting-wijziging-Bouwbesluit-2012

3 Stb. 2020, 189 (Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen

De bestuurlijke lasten van de invoering van de geluidseisen zijn naar verwachting in totaal eenmalig 176.000 euro. Dit zijn kosten voor gemeenten die kennis moeten nemen van de nieuwe regels. Voor het overige wordt verwezen naar het hierboven genoemde rapport van Sira Consulting en paragraaf 4.3 van de voormelde nota van toelichting.

De regels in de onderhavige regeling zijn de uitwerking van de geluidseisen die met het bovengenoemde besluit worden opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Omdat het een uitwerking betreft leidt deze regeling op zichzelf niet tot (extra) administratieve of bestuurlijke lasten.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft geen formeel advies uitgebracht. Dit omdat regeldrukgevolgen van de wijzigingen in de regeling bij het bovenliggende wijzigingsbesluit middels het Sira onderzoek naar de lasteneffecten in beeld zijn gebracht en daar door ATR advies over is uitgebracht.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

De beoordelingsrichtlijnen van 28 november 2019 worden voortaan aangeduid als de beoordelings- richtlijnen van 15 april 2020. Deze verandering betreft dus geen inhoudelijke wijziging en brengt daarom geen lasten met zich mee. De aanpassingen aan de wijzigingsbladen en NTA 8800 hebben ten opzichte van de gepubliceerde versies van juli 2020 geen enkel effect op de eisen ten aanzien van rekenen (dus de kwalificaties van de adviseurs) en nauwelijks effect op eindresultaten van de energieprestatie-rekenresultaten. Het betreft voornamelijk interpretatiekwesties en enkele mineure omissies die in een enkel geval kunnen resulteren in marginale verschillen in de einduitkomst van een berekening, maar zeker geen wezenlijk effect hebben. Samengevat leiden de wijzigingen niet tot extra regeldruk.

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft deze regeling niet geselecteerd voor een formeel advies. Dit gelet op de analyse dat er geen regeldrukeffecten voor bedrijven aan de orde zijn als gevolg van de wijzigingen.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

De nieuw aangewezen norm NEN 8707 is een zogenoemde tweedelijns norm van NEN 8700. Een tweedelijns norm is niet direct in het Bouwbesluit 2012 opgenomen, maar de norm waarin naar deze tweedelijns norm wordt verwezen, in dit geval NEN 8700, is wel in het Bouwbesluit 2012 opgenomen. Op grond van artikel 1.2, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een dergelijke tweedelijns norm alleen van toepassing als die norm in bijlage I of bijlage II is opgenomen. NEN 8707 regelt de beoordeling van geotechnische constructies van bestaande bouwwerken en bij verbouw daarvan. Voorheen volgde deze beoordeling uit NEN 8700 met een doorverwijzing naar de nieuwbouwnorm NEN-EN 1997-1. Met het aanwijzen van NEN 8707 is de doorverwijzing naar de NEN-EN 1997 vervangen door een beoordelingskader dat specifiek bedoeld is voor bestaande bouw. Deze omzetting is in principe beleidsneutraal uitgevoerd. Uitzondering daarop is het onderdeel beoordeling van paalfunderingen bij verbouw. In de NEN 8707 wordt voor verbouw aangesloten op de in 2017 doorgevoerde gereduceerde puntdraagkracht van funderingspalen met 30% zoals deze voor nieuwbouw is opgenomen in NEN-EN 1997-1. Dit is gedaan omdat uit onderzoek was gebleken dat het voorgestane veiligheidsniveau van het Bouwbesluit 2012 niet aantoonbaar gehaald kan worden met de paaldraagkrachtfactoren die volgen uit de eerdere versie van de NEN-EN 19971-1. Deze aanpassing is nu ook overgenomen in NEN 8707 als bij verbouw nieuwe funderingspalen worden aangebracht of bestaande palen substantieel zwaarder worden belast. Binnen de funderingsmarkt is het aandeel van de verbouwmarkt geschat op 40 miljoen euro per jaar. Van deze 40 miljoen euro wordt naar schatting circa € 10.000.000 besteed aan nieuwe funderingspalen die moeten worden bijgeplaatst. Paalfunderingen zullen als gevolg van de aanwijzing van NEN 8707 gemiddeld circa 10% duurder worden. Dit betekent op jaarbasis een kostenstijging van circa € 1.000.000. De overige wijzigingen in de bijlagen I en II betreffen met een uitzondering de aanwijzing van de laatste versies van een aantal NEN-normen. Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting voor de gevolgen. Het gaat bij deze nieuwe versies vergeleken met de eerdere versies om verduidelijkingen, aanvullingen en relatief ondergeschikte wijzigingen. Deze aanpassingen brengen in principe geen lastenverzwaring mee.

Op 11 november 2020 heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) advies uitgebracht over deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012. Hieronder is puntsgewijs op de aanbevelingen van de ATR ingegaan.

1.Het college adviseert in de toelichting te verduidelijken welke inhoudelijke wijzigingen optreden als gevolg van de geactualiseerde normdocumenten en daarbij nut en noodzaak inhoudelijk te onderbouwen. Reactie: In de toelichting is per norm informatie gegeven over de wijzigingen.
2.Het college adviseert aangewezen nationale normdocumenten in het Bouwbesluit 2012 die van belang zijn om een gelijkwaardige oplossing te kunnen aantonen, kosteloos toegankelijk te maken. Reactie: zie bij aanbeveling 3.
3.Het college adviseert voor het omgevingsrecht uniforme uitgangspunten en een eenduidige definitie te hanteren voor het ‘dwingend verwijzen’ naar externe normen en de (kosteloze) beschikbaarheid van aangewezen normen. Reactie: Het kosteloos toegankelijk maken van normen is nu niet aan de orde omdat in het Bouwbesluit 2012 gelijkwaardigheid mogelijk is met gebruik- making van de functionele eis waarin geen normen worden gebruikt. Deze systematiek is doorgezet onder de Omgevingswet en meest recent toegelicht in de Omgevingsregeling Stcrt. 2019, 56288 (Algemeen deel toelichting paragraaf 2.3.3) en het Invoeringsbesluit Stb. 2020, 400 (Algemeen deel toelichting onderdeel 9.3.2).
4.Het college adviseert de regeldrukparagraaf compleet te maken, conform de Rijksbrede methodiek, en daarbij de aandachtspunten te verwerken. Reactie: in de lastenparagraaf is nu alleen de te verwachte stijging van de nalevingskosten voor het bouwen gegeven. Bij toekomstige wijzigingen van NEN-normen in de bouwregelgeving, wordt toepassing van de Rijksbrede methodiek nader bezien.

6Bedrijfs- en milieueffectentoets

Omdat het in deze regeling alleen gaat om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen aanvullend onderzoek gedaan. Zie voor de bedrijfs- en milieueffecten onderdeel 14 van het algemeen deel van de nota van toelichting op het Bouwbesluit 2012.7

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

Omdat het in deze wijzigingsregeling alleen gaat om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbe sluit 2012 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen aanvullend onderzoek gedaan. Zie voor de bedrijfs- en milieueffecten onderdeel 14 van het algemeen deel van de nota van toelichting op het Bouwbesluit 2012.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 gaat, is geen onderzoek gedaan naar de milieu- en bedrijfseffecten van deze regeling.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is de ontwerpregeling niet beoordeeld aan de hand van de standaardtoets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets).

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

Omdat het alleen gaat om uitwerking van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is geen onderzoek gedaan naar de milieu- en bedrijfseffecten van deze regeling.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is de ontwerpregeling niet beoordeeld aan de hand van de standaardtoets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets).

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is geen onderzoek gedaan naar de milieu- en bedrijfseffecten van deze regeling. Er wordt op gewezen dat de verdere indeling van de scheiding van afvalstromen, zoals opgenomen in onderdeel G van deze regeling gunstig is voor het milieu.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Omdat het alleen gaat om uitwerking van de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is voor deze ontwerpregeling geen onderzoek uitgevoerd naar de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets).

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regeling

Omdat het in deze wijzigingsregeling met name gaat om het uitwerken van voorschriften uit de wijziging van het Bouwbesluit 2012 per 1 januari 2015 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen aanvullend onderzoek gedaan. Zie voor de bedrijfs- en milieueffecten onderdeel 4 van het algemeen deel van de nota van toelichting van genoemd wijzigingsbesluit.

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

Naar de bedrjfs- en milieueffecten is geen onderzoek gedaan.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen.

Omdat het in deze wijzigingsregeling met name gaat om het aanwijzen van nieuwe versies van in het Bouwbesluit 2012 aangewezen normen en om de uitwerking van wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen specifiek onderzoek gedaan. Op basis van de informatie die van NEN is ontvangen ter zake van het aanwijzen van nieuwe versies van normen wordt aangenomen dat er geen sprake is van negatieve bedrijfseffecten.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

Omdat deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 niet voorziet in wijzigingen van informatieverplichtingen richting de overheid, heeft het nieuwe voorschrift ook geen eenmalig effect op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Wel is er sprake van eenmalige inhoudelijke nalevingskosten voor burgers van minimaal € 892.500 en maximaal € 1.260.000. De eenmalige inhoudelijke nalevingskosten voor bedrijven zijn minimaal € 5.057.500 en maximaal € 7.140.000.

Artikel II heeft geen effecten op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

In de wijzigingsregeling is dit aspect niet toegelicht.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

Financiële gevolgen voor burgers en bedrijven

Regeldruk

In het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen ofwel het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) is in paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting een uitgebreid overzicht opgenomen van de verwachte regeldruk voor burgers en bedrijven. De regeldruk is berekend door onderzoeksbureau SIRA Consulting (Sira Consulting, Lastenmeting implementatie van de herziene EPBD, Eindrapport 9 juli 2019). Voor het onderzoek zijn interviews gehouden met Techniek Nederland, FME, Alfen, Sources Trading, W/E adviseurs, VNG, SCIOS en EnergiePartners. De totale eenmalige regeldruk zal naar verwachting stijgen met een bedrag tussen de € 35 en € 135 miljoen voor burgers en met een bedrag tussen € 432,7 en € 513,3 miljoen voor bedrijven. De totale structurele regeldruk zal naar verwachting stijgen met een bedrag tussen € 35,9 en € 47,9 miljoen per jaar voor burgers en dalen met een bedrag tussen € 18,7 en € 23 miljoen per jaar voor bedrijven.

In het onderzoek van Sira is al rekening gehouden met de gevolgen van de voorliggende wijzigingsregeling. Dit betekent dat er een uitzondering daargelaten geen sprake is van extra financiële gevolgen. Deze uitzondering betreft de regeldruk die voortkomt uit de verplichte afmelding van keuringen van airconditioningsystemen in een keuringsregister. Reden hiervoor is dat deze afmeldingsverplichting pas na het uitvoeren van het lastenonderzoek is toegevoegd. Uit nader overleg met gemeenten en de installatiesector is namelijk gebleken dat een afmeldsysteem voor keuringen, zoals al bestond voor verwarmingssystemen, ook voor airconditioningsystemen een belangrijk element is voor effectieve en efficiënte controle op naleving van eisen.

De regeldruk die uit deze nieuwe afmeldplicht voorkomt is naar verwachting beperkt. Voor de circa 15.000-30.000 airconditioningssystemen die gekeurd moeten worden is de verplichting om daarna af te melden dus nog niet opgenomen in het eerdergenoemde lastenonderzoek. Deze afmelding moet eens in de vijf jaar plaatsvinden en zal naar verwachting dan maximaal vijf minuten tijd vergen. Het tarief van de keurder bedraagt volgens het lastenonderzoek van SIRA Consulting € 54 per uur. Daarnaast moet rekening worden gehouden met administratieve kosten van € 5 per afmelding.

De verwachte extra regeldruk als gevolg van het afmeldregister komt daarmee op: 15.000 tot 30.000 systemen x € 5 met een keuring eens per 5 jaar = op jaarbasis € 15.000 tot € 30.000 5 min x € 54 per uur x 15.000 tot 30.000 systemen met een keuring eens per 5 jaar = op jaarbasis € 13.500 tot € 27.000.

Dit betekent dat de extra regeldruk als gevolg van de afmelding van de keuring van airconditioningsystemen naar verwachting € 28.500 tot € 57.000 op jaarbasis zal bedragen.

Hiermee zal de in het rapport van 9 juli 2019 berekende totale structurele regeldruk voor bedrijven minder zal dalen. In plaats van € 18,7 tot € 23 miljoen per jaar zullen de totale structurele lasten voor bedrijven dalen met een bedrag tussen € 18,7 en € 22,9 miljoen per jaar.

Besparingen

In het besluit EPBD III is ook een voorzichtige inschatting opgenomen van de verwachte energiebesparingen en CO2-reductie. De verwachte besparingen en CO2-reductie voor zover deze direct zouden zijn toe te rekenen aan deze wijzigingsregeling zijn hier al in meegenomen.

Bestuurlijke lasten en financiële gevolgen voor de rijksoverheid

Uitvoering van de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn Energieprestatie van Gebouwen kan voor gemeenten extra kosten meebrengen. Door SIRA Consulting zijn de bestuurlijke lasten in beeld gebracht. De eenmalige kosten voor kennisname van regelgeving bedragen € 17.000 en de structurele handhavingskosten € 1,8 miljoen per jaar. De bestuurlijke lasten als gevolg van de voorliggende regeling zijn hier al in meegenomen. De verplichting om keuringen af te melden die na het lastenonderzoek van SIRA Consulting is toegevoegd, heeft naar verwachting geen effect op de bestuurlijke lasten. Door het afmeldregister blijft de verwachte werklast gelijk, maar kan de handhaving gerichter worden ingezet op gebouweigenaren die niet aan de keuringsverplichting hebben voldaan.

p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

De regeldrukeffecten van de onderzoeksplicht zijn in kaart gebracht in het onderzoek ‘Regeldrukeffecten verplicht onderzoek Breedplaatvloeren’ (Sira, 17 oktober 2019).

Uit dit onderzoek volgt dat er alleen sprake is van eenmalige administratieve lasten voor bedrijven en eenmalige lasten voor de overheid voor zover zij gebouwen in bezit hebben uit categorie CC3 van de NEN 8700. Het gaat om circa 50 tot 300 gebouwen met breedplaatvloeren waarvan 10% overheidsgebouwen zijn. De kosten van het onderzoek bedragen afhankelijk van de grootte van het gebouw in kwestie circa € 2.500 tot € 12.500.

Op basis van bovenstaande zijn de totale kosten:

Voor bedrijven tussen minimaal € 588.240 en maximaal € 3.032.460.

Voor overheden tussen minimaal € 65.360 en maximaal € 336.940.

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

Regeldruk

In het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw is in onderdeel 5 van het algemeen deel van de toelichting een uitgebreid overzicht opgenomen van de verwachte regeldruk voor burgers en bedrijven. De regeldruk is berekend door onderzoeksbureau SIRA Consulting (onderzoeksrapport 11 februari 2019 ‘Effectmeting wijziging Bouwbesluit 2012, financiële effecten van bijna energieneutraal bouwen (BENG)’).

In het bovengenoemde onderzoek van SIRA is al rekening gehouden met de gevolgen van de voorliggende wijzigingsregeling. Dit betekent dat er een uitzondering daargelaten geen sprake is van extra financiële gevolgen. Deze uitzondering betreft de regeldruk die voortkomt uit de eisen ter voorkoming van oververhitting.

SIRA heeft in opdracht van BZK de eenmalige en structurele financiële effecten van toepassing van dergelijke dynamische berekeningen voor bedrijven en gemeenten in kaart gebracht. Dit aanvullende onderzoek is het rapport ‘Effectentoets dynamische berekening TOjuli van december 2019’. Uit deze rapportage blijkt dat de initiële eenmalige administratieve lasten voor bedrijven moeten worden ingeschat op in totaal minimaal € 197.500 en maximaal € 745.000. De structurele jaarlijkse administratieve lasten zijn begroot op minimaal € 39.500 en maximaal € 149.000.

Bestuurlijke lasten en financiële gevolgen voor de Rijksoverheid

Uitvoering van de hierboven genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 kan voor gemeenten extra kosten meebrengen. Door SIRA Consulting zijn in hierboven eerstgenoemde rapportage de bestuurlijke lasten in beeld gebracht. De eenmalige kosten voor kennisname van regelgeving bedragen € 17.000 en de structurele handhavingskosten € 1,8 miljoen per jaar. De bestuurlijke lasten als gevolg van de voorliggende wijzigingsregeling zijn hier al in meegenomen. Uit het aanvullende onderzoek van SIRA blijkt dat de verwachting is dat de effecten voor gemeenten verwaarloosbaar zijn. Dit komt omdat gemeenten alleen behoeven te controleren of aan de TOjuli-eis of GTO-eis is voldaan en of de benodigde berekeningen aanwezig zijn. Bovendien is de verwachting dat er slechts een beperkt aantal dynamische berekeningen zal worden gemaakt.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn de gevolgen voor burgers, bedrijven, decentrale overheden en de Rijksoverheid in verband met het wettelijk stelsel door Sira Consulting in kaart gebracht. Hierbij heeft Sira Consulting onderscheid gemaakt tussen eenmalige en structurele effecten en regeldrukeffecten die deels al bedrijfseigen zijn omdat ze ook worden gemaakt zonder verplichting uit wet- en regelgeving. Naar aanleiding van de motie Koerhuis/Ronnes 1 van 22 mei 2019, waarin de regering is verzocht een MKB-toets uit te voeren om de regeldruk en kosten van het stelsel nader te toetsen, zijn in het kader van het bovenliggende besluit (Stb. 2020, 348) de regeldrukeffecten voor installatiebedrijven nader gespecificeerd naar type en grootte van het bedrijf en deze effecten doorberekend naar gevolgen voor de kosten van installatie en onderhoud voor de burger. Bij deze doorrekening heeft Sira Consulting in afstemming met de sector ook een aantal aannames en uitgangspunten geactualiseerd (onder andere met betrekking tot opleiding en uurtarief van monteurs).

Deze voor de regeldrukeffecten uitgevoerde berekeningen zijn uitgebreid toegelicht in de nota van toelichting bij het besluit (Stb. 2020, 348). Onderhavige ministeriële regeling brengt geen aanvullende regeldrukeffecten met zich mee.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 35 022, nr. 12.

r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676

Omdat het in deze wijzigingsregeling alleen gaat om het uitwerken van voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 is er bij de totstandkoming van deze regeling geen aanvullend onderzoek gedaan.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

Er is geen onderzoek naar de effecten op de regeldruk uitgevoerd.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

Er is geen onderzoek naar de effecten op de regeldruk uitgevoerd.

7Voorlichting en kennisoverdracht

De Regeling Bouwbesluit 2012 zal betrokken worden in de voorlichtingsactiviteiten omtrent het Bouwbesluit 2012. Zie voor deze voorlichtingsactiviteiten onderdeel 17 van het algemeen deel van de nota van toelichting op het Bouwbesluit 2012.

Uw gekozen filters:

Type

Gebruiksfuncties