Bouwbesluit Online 2012


Hoofdstuk 3 Gezondheid, energiezuinigheid en milieu (Stcrt. 2013, 16919 en Stcrt 2015. 17338)

De titel van hoofdstuk 3 middels Stcrt. 16919 is van ″duurzaam bouwen″ gewijzigd in ″energiezuinigheid en milieu″. Deze nieuwe titel is breder en dekt ook voorschriften met betrekking tot ingrijpende renovatie en systeemrendement.

In het opschrift van hoofdstuk 3 is middels Stcrt. 2015, 17338 nu “gezondheid” toegevoegd. Deze aanvulling is nodig omdat in dit hoofdstuk een nieuw artikel 3.5 is toegevoegd over de eisen die uit het oogpunt van gezondheid aan kooldioxidemeters worden gesteld.

Artikel 3.1

Bij Stcrt. 2017, 73470 is artikel 3.1 in zijn geheel vervangen door een nieuw artikel. In artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012 geldt met ingang van 1 januari 2018 een grenswaarde van 1.0 voor de milieuprestatie (Stb. 2017, 494). In het kader hiervan is de bepalingsmethode aangepast met een wijzigingsblad. In dit wijzigingsblad staat aangegeven welke constructies en installaties in beschouwing moeten worden genomen bij de bepaling van de grenswaarde. Het wijzigingsblad is verwerkt in de doorlopende tekst van de bepalingsmethode. Zowel het wijzigingsblad als de doorlopende tekst zijn te vinden op de website van de Nationale Milieudatabase (https://www.milieudatabase.nl/index.php?q=bepalingsmethode). Artikel 3.1 is hierop aangepast, zodat verwezen wordt naar de nieuwe bepalingsmethode voor de milieuprestatie. Daarnaast is een nieuw tweede lid van artikel 3.1 opgenomen op grond waarvan de uitkomst van de milieuprestatieberekening mag worden verlaagd met 0.4 wanneer er bij de berekening gebruik is gemaakt van de Nationale Milieudatabase (NMD) release 2.0 of hoger. Er wordt vanuit gegaan dat bij de milieuprestatieberekening gebruik is gemaakt van de meest recente release (uitgave) van de NMD. Gebleken is dat een berekening met de NMD release 2.0 tot hogere waarden kan leiden ten opzichte van een berekening met de vorige release (release 1.8). Met de bijstelling van 0.4 wordt zeker gesteld dat de milieuprestatiegrenswaarde van 1.0 in het Bouwbesluit 2012 eenvoudig haalbaar is. Wanneer bijvoorbeeld een milieuprestatie van 1.3 is berekend met gebruik van de NMD release 2.0, dan mag daar dus 0.4 van worden afgetrokken. Dit resulteert dan in een milieuprestatie van 0.9, waarmee wordt voldaan aan de milieuprestatiegrenswaarde van het Bouwbesluit 2012. Deze bijstelling is overigens bedoeld als een tijdelijke maatregel. De Stichting Bouwkwaliteit zal nog verder onderzoek (laten) uitvoeren naar de consequenties van de NMD release 2.0 teneinde de aftrekwaarde meer specifiek te onderbouwen. In overleg met het Overlegplatform bouwregelgeving zal vervolgens worden besloten of de bijstelling van 0.4 moet worden aangepast of kan komen te vervallen. Het onderzoek wordt medio 2018 verwacht.

Bij Stcrt. 2019, 36206 is artikel 3,1 geheel vervangen. Met de wijziging van artikel 3.1 is de laatste versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebou wen en GWW-werken aangewezen. Deze nieuwe versie van de bepalingsmethode MPG (versie 1 januari 2019 met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 juli 2019) is te raadplegen op de site over de Nationale Milieudatabase van Stichting Bouwkwaliteit: www.milieudatabase.nl. Met deze wijziging is de bepalingsmethode verder afgestemd op NEN-EN15804. Ook zijn in deze versie de databases voor de burgerlijke en utiliteitsbouw samengevoegd met die voor de grond-, weg- en waterbouw. De nieuwe versie van de bepalingsmethode MPG is voorafgaand aan de vaststelling door de Stichting Bouwkwaliteit getoetst bij gebruikers, deskundigen en andere belanghebbende partijen. Met de introductie van de nieuwe bepalingsmethode is de correctiefactor van 0.4 die eerder in het tweede lid van dit artikel was opgenomen vervallen. Op basis van artikel 3.1, tweede lid, mocht de uitkomst van de milieuprestatieberekening worden verlaagd met 0.4 wanneer er bij de berekening gebruik was gemaakt van de Nationale Milieudatabase (NMD) release 2.0 of hoger. Deze correctie was alleen bedoeld als een tijdelijke maatregel en vervalt nu. In het verlengde van de vaststelling van de nieuwe bepalingsmethode MPG zijn overigens diverse technische verbeteringen in de Nationale Milieudatabase doorgevoerd.

Artikel 3.2

Met artikel 3.2, ingevoegd via Stcrt. 2013, 16919, is een uitwerking gegeven aan artikel 5.6, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012. In artikel 3.2 is bepaald dat van ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn energie prestatie gebouwen sprake is wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot én deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. Hiermee wordt bedoeld dat de uitwendige scheidingsconstructie volledig, dat wil zeggen met inbegrip van alle constructieonderdelen (binnenblad, spouwvulling, buitenblad) wordt gerenoveerd. Het voorschrift geldt alleen voor het deel van de gebouwschil dat wordt gerenoveerd en niet voor de gehele gebouwschil van het gebouw. Met deze keuze voor de oppervlakte van de gebouwschil als criterium voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ingrijpende renovatie is uitvoering gegeven aan de keuzemogelijkheid zoals deze in artikel 2 onderdeel 10 van de herziene richtlijn is gegeven. De berekening of er sprake is van 25% van de gebouwschil wordt uitgevoerd aan de hand van ISSO publicatie nr. 75.1, uitgave oktober 2011. De berekeningswijze in deze publicatie heeft weliswaar betrekking op utiliteitsgebouwen, maar is ook te gebruiken bij woningen. Bij de berekening van het percentage van de gebouwschil wordt niet gekeken naar de gebruiksfunctie, maar wordt uitgegaan van het gebouw. De gebouwschil kan bestaan uit gevels (inclusief ramen en deuren), daken en vloeren. Zie hiervoor paragraaf 6.6 in genoemde ISSO publicatie. De oppervlakte van de gevel wordt bepaald aan de hand van paragraaf 6.6.2.1 van de genoemde publicatie, waarin is aangegeven hoe de horizontale afmeting en de verticale afmeting van de gesloten gevel moet worden bepaald. De oppervlakte van ramen en deuren wordt niet van de totale oppervlakte afgetrokken. De oppervlakte van het dak wordt bepaald conform paragraaf 6.6.2.3. Dit dakvlak wordt binnenwerks gemeten tussen de beide aansluitingen met de gevel (bij een plat dak) of tussen de aansluiting met de gevel en de nok (bij een hellend dak).De oppervlakte van de vloer wordt bepaald conform paragraaf 6.6.2.4. Deze oppervlakte wordt binnenwerks gemeten tussen de opgaande wanden.

Er wordt op gewezen dat deze ISSO publicatie is te raadplegen via www.isso.nl.

Als op basis van het eerste deel van het voorschrift is bepaald dat er sprake is van een ingreep die betrekking heeft op meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil, moet daarna worden nagegaan of deze ingreep de integrale gebouwschil betreft. Alleen voor zover daar sprake van is, geldt op grond van het derde lid van artikel 5.6 voor de ingreep in kwestie het nieuwbouwniveau. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd, waardoor de mogelijkheid bestaat om tegelijkertijd de isolatie aan te brengen die voldoet aan de nieuwbouweis. Bij aanpassingen die geen betrekking hebben op de integrale bouwschil is, ook als het gaat om renovatie van meer dan 25% van de gebouwschil, geen sprake van ingrijpende renovatie. Voorbeelden van dergelijke niet ingrijpende renovaties zijn bijvoorbeeld: na-isolatie van een spouwmuur, na-isolatie van enkelsteens buitenmuren aan binnen- of buitenkant, na-isolatie onder dakpannen of tegen het dakbeschot. Bij aanpassingen waarbij geen werkzaamheden aan de integrale gebouwschil worden verricht, kan op grond van het eerste lid van artikel 5.6 met het rechtens verkregen niveau worden volstaan.

De verwijzing in artikel 3.2 naar ISSO 75.1 is bij Stcrt. 2014, 34076 geactualiseerd. Voortaan (vanaf 1 januari 2015) kan bij de berekening van de oppervlakte van de gebouwschil gebruik worden gemaakt van de versie van juli 2014.

Met de wijziging in Stcrt. 2016, 33491 van het derde lid in het vierde lid is de verwijzing in artikel 3.2 weer in overeenstemming met de nummering van artikel 5.6 in het Bouwbesluit 2012. Met ingang van 24 november 2015 is namelijk een extra lid ingevoegd in artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2015, 425).

Met de wijziging van artikel 3.2 bij Stcrt. 2020, 13004 is geregeld hoe bij toepassing van artikel 5.16, eerste lid, van het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) moet worden bepaald of er sprake is van ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen. Hiermee is evenals al eerder voor de ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 gekozen voor de optie van artikel 2, tiende lid, onderdeel b, van de richtlijn. Van een ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, is sprake wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil, bepaald volgens ISSO 75.1, uitgave juli 2014, wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft.

Artikel 3.3

Met het per Stcrt 2020, 13004 gewijzigde artikel 3.3 is invulling gegeven aan de artikelen 6.55 en 6.55a van het Bouwbesluit 2012, zoals die luiden na de wijziging gepubliceerd in Stb. 2020, 84. De waarde van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem wordt bepaald op basis van de als bijlage III bij de wijzigingsregeling Stcrt. 2020, 13004 opgenomen rekenmethodiek. Het begrip waarde van de energieprestatie is daarbij in de plaats gekomen van het begrip systeemrendement. Met deze rekenmethodiek kan worden berekend wat de waarde voor de energieprestatie van technische bouwsystemen is en of deze waarde voldoet aan de minimumeisen uit de artikelen 6.55 en 6.55a van het Bouwbesluit 2012. Deze rekenmethodiek kan worden toegepast met behulp van een digitale tool.

Met de wijziging in Stcrt. 2020, 21238 is een correctie in de formule voor de berekening van de waarde van de energieprestatie voor ventilatiesystemen in onderdeel 4 van bijlage III bij artikel 3.3 opgenomen. In de formule is ‘[kWh/(m3/s)]’ vervangen door ‘[kWh/(m3/u)]’. Bedoelde formule is een uitwerking van artikel 6.55 van het Bouwbesluit 2012. In de artikelsgewijze toelichting op dat artikel van het Bouwbesluit 2012, zoals gepubliceerd in Stb. 2020, 84, komt genoemde formule kort aan de orde. Aldaar is in de toelichting op hetzelfde onderdeel van de formule ook een onjuistheid opgenomen. Met voorliggende correctie in de Regeling Bouwbesluit 2012 kan er echter geen misverstand zijn over de invulling en toepassing van de formule voor de berekening van de energieprestatie voor ventilatiesystemen.

Artikel 3.3a(nieuw in Stcrt. 2020, 13004)

Met het nieuwe artikel 3.3a is invulling gegeven aan de eisen voor een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar technisch bouwsysteem zoals bedoeld in de artikelen 6.55, tweede lid, en 6.55a, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 op grond van Stb. 2020, 84. Deze invulling van de eisen aan technische bouwsystemen zijn per soort bouwsysteem opgenomen. Hierbij is de indeling in soorten bouwsystemen van tabel 6.55 van het Bouwbesluit 2012 aangehouden. Per soort technisch bouwsysteem is beschreven hoe het systeem zodanig moet worden gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar moet zijn, dat het systeem zo energiezuinig mogelijk kan functioneren.Bij de dimensionering van ruimteverwarmings-, ruimtekoelings-, ventilatie- en warm tapwatersystemen en systemen voor ingebouwde verlichting dient goed te worden gekeken naar de vraag naar ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater en verlichting van het gebouw. Bij ruimteverwarmingssystemen mag de capaciteit van het ruimteverwarmingssysteem niet groter zijn dan nodig voor de warmtevraag van het gebouw. Daarnaast moet de temperatuur in het warmtedistributie- en afgiftedeel op de laagst mogelijke temperatuur worden afgesteld, waarmee nog kan worden voorzien in de warmtevraag van het gebouw. Ook voor ruimtekoelingssystemen geldt dat de capaciteit niet groter mag zijn dan nodig voor de koudevraag van het gebouw. De temperatuur in het koudedistributie- en afgiftedeel van het systeem dient daarbij afgesteld te worden op de hoogst mogelijke temperatuur waarbij het ruimtekoelingssysteem kan voldoen aan de benodigde koudecapaciteit van het gebouw. Bij de installatie van alle hiervoor genoemde technische bouwsystemen geldt dat die systemen moeten worden geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van de onderdelen. Dit is voor de verschillende technische bouwsystemen telkens in het tweede lid opgenomen. Voor ruimteverwarmingssystemen geldt dat deze zodanig moeten worden ingeregeld dat er een energetisch optimale stooklijn is en dat het systeem hydraulisch in balans is. De inregeling mag niet ten koste gaan van het comfort en het systeem moet optimaal kunnen presteren bij typische (meest voorkomende) gebruiksomstandigheden. Bij ruimtekoelingssystemen is het systeem afgesteld op de energetisch optimale condensor- en verdampertemperaturen en is hydraulisch in balans (voor hydraulische systemen) of heeft geoptimaliseerde luchtstromen (voor lucht-distributiesystemen). Ook bij ruimtekoelingssystemen mag de inregeling geen afbreuk doen aan het comfort en moet het systeem optimaal presteren bij typische (meest voorkomende) gebruiksomstandigheden. Bij ventilatiesystemen is het ventilatiedebiet geoptimaliseerd voor laag energieverbruik met behoud van comfort en luchtkwaliteit. Bij warm tapwatersystemen is de tapwatertemperatuur zodanig ingeregeld dat het energieverbruik zo laag mogelijk is, maar er geen risico’s ontstaan ten aanzien van legionella-veiligheid.Ruimteverwarmings-, ruimtekoelings-, ventilatie- en warm tapwatersystemen en systemen voor ingebouwde verlichting moeten voldoende instelbaar te zijn. Ruimteverwarmingssystemen moeten daarbij zijn voorzien van een ruimtethermostaat van klasse 2 of hoger als bedoeld in verordening Nr. 1253/2014 van de Commissie van 7 juli 2014 tot uitvoering van Ecodesign richtlijn 2009/125/EC en van thermostatische radiatorkranen waaronder kranen voor vloerverwarming (PbEU 2014, L337/8). Bij vervanging of toevoeging van radiatoren binnen een ruimteverwarmingssysteem moeten deze radiatoren worden voorzien van thermostatische radiatorkranen met ingebouwde flowregeling of thermostatische radiatorkranen zonder flowregeling met een separaat voetventiel. Deze eisen zijn echter niet van toepassing als de ruimteverwarmingssystemen al worden aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd (onderdeel zes). Bij ruimtekoelingssystemen moet een centraal aangestuurd systeem een kamerthermostaat te hebben. Bij individueel geregelde units moeten de ruimtekoelingssystemen een door de gebruiker in te stellen thermostaat te hebben. Ook hier geldt dat deze vereisten niet van toepassing zijn als de ruimtekoelingssystemen aangestuurd worden door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd (onderdeel zes). Bij ventilatiesystemen moeten de systemen zijn voorzien van passende regelapparatuur waarmee het ventilatievolume in drie of meerdere standen of traploos aan te passen is aan de ventilatiebehoefte. Bij warm tapwatersystemen dient de watertemperatuur op toegankelijke wijze te kunnen worden ingesteld. Bij ingebouwde verlichting dient het systeem instelbaar te zijn door aan-uit schakelaars of aanwezigheidsdetectie. Gebouwautomatiserings- en controlesystemen (GACS) moeten worden ingesteld op een energetisch optimale prestatie onder typische (meest voorkomende) gebruiksomstandigheden en moeten voor oplevering te worden getest.

Met de wijziging in Stcrt. 2020, 37764 is de eerdere verwijzing voor de ruimtethermostaat in onderdeel a, subonderdeel 40 gecorrigeerd. Voortaan is verwezen naar de definitie van temperatuurregelaarklassen zoals opgenomen in artikel 6.1 van de Mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (2014/C 207/02). Deze mededeling is online te raadplegen via https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52014XC0703(01)&from=NL. In genoemd artikel worden verschillende soorten centrale thermostatische regelingen voor verwarmingssystemen beschreven. Regelingen van klasse I (aan/uit-kamerthermostaat) voldoen niet aan de gestelde eis; andere gedefinieerde regelingen (zoals diverse soorten weercompensatieregelingen, een TPI-kamerthermostaat, modulerende kamerthermostaat en een multisensor kamertemperatuurregelaar) voldoen wel.

Artikel 3.3b(nieuw in Stcrt. 2020, 13004)

Met het nieuwe artikel 3.3b is invulling gegeven aan artikel 6.55b (verslaglegging) van het Bouwbesluit 2012. In dat artikel staat dat de energieprestatie van de technische bouwsystemen moet worden beoordeeld en gedocumenteerd door de installateur en dat deze stukken daarna moet worden overhandigd aan de gebouweigenaar. In artikel 3.3b is een opsomming opgenomen van de gegevens die moeten zijn opgenomen. Het gaat hierbij niet alleen om gegevens zoals naam, adres en woonplaats van de opdrachtgever, maar bijvoorbeeld ook om de functie van gebouw. Hierbij moet worden aangegeven of het een woning of een ander soort gebouw is. Dit is relevant in verband met de minimumeisen die gelden voor de waarde van de energieprestatie als bedoeld in de artikelen 6.55 en 6.55a van het Bouwbesluit 2012.Ook moeten de stukken informatie bevatten over de opsteller van de documentatie. In het geval van een professionele installateur moet de naam en het registratienummer van de installateur te worden vermeld. In andere gevallen moet de documentatie de naam, het adres en de woonplaats van de opsteller te bevatten.Ook moet duidelijk vermeld worden om wat voor soort technisch bouwsysteem het gaat. Betreft het een systeem voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater of ingebouwde verlichting? Verder moet worden aangegeven om welk systeem het gaat door het type of serienummer van (componenten) van het technisch bouwsysteem te vermelden. Als dergelijke gegevens ontbreken, dan volstaat een nauwkeurige omschrijving van de plaats waar het technisch bouwsysteem zich in, aan, op of naast het gebouw bevindt.De stukken moeten daarnaast ook een beschrijving bevatten van de verrichte werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem en de berekende waarde voor de energieprestatie, zoals berekend volgens de rekenmethodiek in bijlage III van deze regeling. Tot slot dient de documentatie de datum van de werkzaamheden te bevatten en een ondertekening door de installateur, die het document opstelt. Dit kan bijvoorbeeld ook de gebouweigenaar zijn als deze zelf het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd.

Artikel 3.4

Met het nieuwe artikel 3.4, ingevoeg bij Stcrt 2014, 34076, is een formule gegeven om de gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) van ramen, deuren en kozijnen als bedoeld in artikel 5.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 te berekenen. Deze gemiddelde U-waarde van een bouwwerk wordt als volgt bepaald.

  • Bepaal van ieder raam, deur en kozijn de U-waarde en het geprojecteerde oppervlak volgens NEN 1068;
  • Bepaal daarna het gesommeerd geprojecteerd oppervlak van alle ramen, deuren en kozijnen;
  • Bereken van ieder raam, deur en kozijn het quotiënt van beide bovengenoemde berekeningen en vermenigvuldig deze uitkomst met de U-waarde. Dit is de gewogen U-waarde;
  • De op basis van bovenstaande gesommeerde gewogen U-waarde is het in het zesde lid bedoelde getal;
  • Dit getal mag dus niet hoger zijn dan 1,65 W/m2.K om aan de in het Bouwbesluit 2012 gestelde eis te voldoen.

Artikel 3.5

(Stcrt. 2015, 17338) In artikel 7.23 van het Bouwbesluit is bepaald dat de verblijfsruimten van de onderwijsfunctie voor het basisonderwijs een kooldioxidemeter moeten hebben en dat daaraan bij ministeriële regeling eisen kunnen worden gesteld. Artikel 3.5 bevat deze eisen. In onderdeel e wordt gesproken over de drie signaalniveaus met een eigen kleurcode. Op grond van een advies van Rijksbouwmeester over scholenbouw, getiteld “Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie” uit 2009 is de vereiste capaciteit van de voorziening voor de luchtverversing in een onderwijsfunctie aangescherpt. Op basis van de ISSO-publicatie nr. 89 – 2008 Binnenklimaat scholen, komt dit overeen met een CO2-concentratie van ten hoogste 1000 ppm. In een recent advies van de Gezondheidsraad over de binnenluchtkwaliteit in basisscholen (Binnenluchtkwaliteit in basisscholen, 2010, publicatienr. 2010/06) is de raad van mening dat er in verreweg de meeste onderzoeken geen aanwijzingen zijn dat gezondheidsklachten ontstaan bij gemiddelde CO2-concentraties onder 1200 ppm. De indeling in drie signaalniveaus met drie signaalkleuren is aan deze twee waarden gerelateerd. Gebruikelijk is het signaalniveau van de laagste concentratie groen te maken, de middelste oranje en de hoogste rood.

Artikel 3.6(Stcrt. 2017, 73470) <zal vervallen na inwerkingtreding Stcrt 2020, 37764>

In artikel 5.2, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 is opgenomen dat per 1 januari 2019 nieuwe gebouwen waarvan de overheid eigenaar is en waarin overheidsinstanties zijn gevestigd bijna energieneutraal moeten zijn. Deze bepaling is ter omzetting van artikel 9, eerste lid, van de herziene EPBD. Tevens is ter omzetting van artikel 9, eerste lid, van de herziene EPBD in artikel 5.2, zevende lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen dat alle overige gebouwen bijna energieneutraal moeten zijn met ingang van 31 december 2020. In het achtste lid van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven over (onder andere) deze beide leden. Met artikel 3.6 dat invulling geeft aan genoemd artikel 5.2, zesde lid, is uitgewerkt aan welke voorwaarden nieuwe overheidsgebouwen moeten voldoen om bijna energieneutraal te zijn. De energieprestatie is hiervoor in drie indicatoren uitgewerkt: de maximale energiebehoefte, het maximale primaire fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. In de brief aan de Tweede Kamer van 2 juli 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 30196, nr. 352) zijn de voorlopige eisen voor de drie waarden opgenomen. Volgens het methodologisch kader van de herziene EPBD moet vervolgens de kostenoptimaliteit (van het primair fossiel energiegebruik) en de kosteneffectiviteit (van de energiebehoefte en het aandeel hernieuwbare energie) worden bepaald. Hiertoe is een kostenoptimaliteitsstudie uitgevoerd, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uit de kostenoptimaliteitsstudie is gebleken dat de voorgenomen eisen voor kantoren kostenoptimaal (primair fossiel energiegebruik) en kosteneffectief (energiebehoefte en aandeel hernieuwbare energie) zijn. Dit geldt ook voor de kostenoptimaliteit (primair fossiel energiegebruik) en kosteneffectiviteit (aandeel hernieuwbare energie) van de bijeenkomstgebouwen en de kosteneffectiviteit (aandeel hernieuwbare energie) van de celgebouwen. De voorgenomen eisen voor de energiebehoefte voor de bijeenkomstgebouwen en de celgebouwen en de voorgenomen eis voor primair fossiel energiegebruik voor de celgebouwen bleken te ambitieus, omdat de maatregelenpakketten niet kosteneffectief dan wel kostenoptimaal bleken te zijn. Deze eisen zijn, vergeleken met de voorlopige eisen, aangepast conform de procedures die de Europese Commissie voorschrijft. In de kostenoptimaliteitsstudie is gekeken naar de meest voorkomende soorten overheidsgebouwen: de kantoorgebouwen, bijeenkomstgebouwen en celgebouwen. Uitzonderlijke soorten gebouwen zijn vanwege de beperkte doorlooptijd van deze studie niet meegenomen. Deze gebouwen worden meegenomen bij het kostenoptimaliteitsonderzoek in 2018. Voor nieuwe overheidsgebouwen, anders dan de kantoor-, bijeenkomst- of celgebouwen, blijven in de periode van 1 januari 2019 tot het moment waarop de BENG-eisen voor alle nieuwbouw gaan gelden (1 januari 2020) de huidige EPC-eisen van kracht. Bovenstaande eis voor kantoorgebouwen geldt niet voor zeer kleine kantoorgebouwen met een vloeroppervlakte kleiner dan 100 m2 . Daarvoor blijven voorlopig de huidige EPC-eisen gelden. Het derde lid geeft de bepalingsmethode waarmee de waarden uit het eerste lid bepaald moeten worden. Deze bepalingsmethode is te vinden in de Handreiking BENG van 28 augustus 2017 (www.rijksoverheid.nl). Er wordt op gewezen dat in de Handreiking BENG nieuwe versies van NEN 1068, NEN 7120 en NVN 7125 zijn aangewezen. Bijlage I, waarin is aangegeven welke versie van een bepaalde norm van toepassing is, is overeenkomstig aangepast. Zie de toelichting bij artikel 1.2.

Artikel 3.6[na inwerkingtreding Stcrt. 2020, 37764]

Voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, Stcrt. 2020, 37764, bevatte artikel 3.6 de eisen aan bijna energieneutrale overheidsgebouwen. Deze eisen zijn vanaf de inwerkingtreding van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw op besluitniveau opgenomen (artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012). Met artikel 3.6 zijn voortaan eisen gesteld aan de wijze van berekening van de waarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie.

Op grond van het eerste lid van artikel 3.6 moeten deze waarden worden berekend door een op basis van BRL 9500-W of BRL 9500-U, in beide gevallen, subdeelgebied detailopname, gecertificeerd bedrijf. Bij woningbouw wordt dus gebruik gemaakt van BRL 9500-W. In alle andere gevallen geldt BRL 9500-U. Uit de beide BRLen volgt dat daarbij gebruik moet worden gemaakt van vakbekwame en onafhankelijke adviseurs met een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in paragraaf 4.1 van BRL 9500-W of BRL 9500-U. Het bedrijf dat de berekening uitvoert moet daarbij gebruikmaken van op basis van BRL 9501 geattesteerde software. Uit de waarden die uit de hier bedoelde berekening volgen kan worden afgeleid of de onderhavige bouwactiviteit wel voldoet aan de eisen van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012. Als dat niet het geval mocht zijn, dan zal het ontwerp zo moeten worden aangepast dat de vergunning voor het bouwen alsnog kan worden verleend.

Het tweede lid bevat een overgangsbepaling. Tot 1 januari 2022 wordt met een gecertificeerd bedrijf gelijkgesteld een bedrijf dat certificering heeft aangevraagd en dat voor de berekening gebruikmaakt van vakbekwame en onafhankelijke adviseurs met een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in paragraaf 4.1 van BRL 9500-W of BRL 9500-U. Zowel bedrijven die al eerder gecertificeerd waren onder de vorige versie van de BRL als nieuwe toetreders op de markt mogen gebruikmaken van deze overgangsregeling. Voorwaarde is alleen dat de certificering is aangevraagd of dat het bestaande (oude) certificaat in overeenstemming met de afspraken met de certificatie-instelling zullen worden omgezet naar een nieuw certificaat, dat er al wordt gewerkt conform de BRL 9500-W of BRL 9500-U én daarbij gebruik wordt gemaakt van adviseurs die aan de gestelde eisen voldoen.

Artikel 3.7[na inwerkingtreding Stcrt. 2020, 37764] (Nieuw in Strct. 2020, 37764)

Met de in artikel 3.7 opgenomen overgangsbepaling is het mogelijk gebruik te maken van een zogenoemde geattesteerde voorversie van de in artikel 3.6 bedoelde definitieve versie van de geattesteerde software. Waar hierna van definitieve versie van de geattesteerde software wordt gesproken, gaat het om de versie die geldt op 1 januari 2021. Dit is ook de versie die in BRL 9501, in ieder geval tenminste tot 1 juli 2021, wordt bedoeld met ‘meest geactualiseerde attestversie’.

De geattesteerde voorversie wordt in de tweede helft van 2020 verder uitgewerkt ter zake van de in- en uitvoermogelijkheden en aanvullend getest en zal dan uiteindelijk resulteren in de hierboven bedoelde definitieve ofwel ‘meest geactualiseerde attestversie’. Wanneer voor inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling al berekeningen zijn gemaakt op basis van de voorversie die geldt op 1 juli 2020 van de conform BRL 9501 geattesteerde software, en de ontwikkelende partijen op basis daarvan hun voorontwerpen tussentijds hebben getoetst op bijna-energieneutraliteit, dan mag van die berekeningen desgewenst gebruik worden gemaakt tot 1 juli 2021. Voor deze mogelijkheid is gekozen overeenkomstig het expliciete verzoek van genoemde partijen om hen al voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Besluit van 13 december 2019, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501), ook wel het BENG besluit genoemd, in de gelegenheid te stellen zich voldoende voor te kunnen bereiden op de nieuwe systematiek en de nieuwe eisen.

Hoewel niet verwacht wordt dat er sprake is van grote verschillen tussen de voorversie en de definitieve versie van de geattesteerde software is niet volledig uit te sluiten dat bij berekening op grond van de voorversie een gering verschil optreedt vergeleken met de berekening op grond van de definitieve versie. Om partijen die voorafgaande aan de inwerkingtreding van het BENG besluit al berekeningen hebben uitgevoerd en hun ontwerp daarop hebben gebaseerd niet in een nadelige positie te brengen als gevolg van mogelijke wijzigingen in de periode tussen 1 juli 2020 en het moment van vaststelling van de definitieve versie van de geattesteerde software, mogen beide versies tot 1 juli 2021 naast elkaar worden gebruikt.

Met het eerste lid is bepaald dat vanaf het moment van inwerkingtreding van het BENG besluit (naar verwachting 1 januari 2021) tot 1 juli 2021 naast een berekening op grond van de definitieve geattesteerde software (dus de versie die op 1 januari 2021 geldt) een tweede berekening op basis van de voorversie mag worden gemaakt.

Het is dus altijd nodig om een berekening te maken op grond van de definitieve geattesteerde versie. Alleen de berekening op grond van deze versie kan namelijk conform de BRL 9500 worden geregistreerd.

Op grond van het tweede lid moeten bij beide berekeningen dezelfde invoergegevens worden gehanteerd. Hiermee kunnen de resultaten van beide berekeningen goed met elkaar worden vergeleken. Ook overigens moeten de berekeningen worden uitgevoerd door een bedrijf of organisatie dat voldoet aan artikel 3.6, eerste of tweede lid.

Op grond van het derde lid mag bij een verschil tussen beide berekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor het bouwen van de meest gunstige berekening worden uitgegaan. Dit betekent dat tot 1 juli 2021 de aanvrager mag kiezen om bij de vergunningaanvraag een berekening in te dienen op basis van de geattesteerde voorversie. Mocht in een specifiek geval berekening op grond van de definitieve geattesteerde software betekenen dat niet aan BENG-eisen wordt voldaan, of de berekening op grond van de voorversie gunstiger zijn, dan volstaat bij de vergunningaanvraag de berekening op grond van de voorversie om aan te tonen dat men wél aan de BENG-eisen voldoet. In dat geval wordt bij de registratie aangegeven dat met de attestversie van 1 juli 2020 is aangetoond dat aan de BENG-eisen wordt voldaan.

Als gezegd, het is dus altijd nodig om ook een berekening op grond van de definitieve software te maken. Zoals in artikel 3.10, vierde lid, is geregeld, is de softwarekeuze die op grond van artikel 3.7 wordt gemaakt ook bepalend voor de berekening van de waarde voor oververhitting.

De overgang van het stelsel NEN 7120 (EPC) naar het stelsel NTA 8800 (BENG) is voor de praktijk als volgt samen te vatten: In de periode van 1 juli tot 1 januari 2021 geldt ten behoeve van de tijdens die periode nog voorgeschreven EPC-berekeningen de BRL 9501 geattesteerde rekensoftware op basis van de NEN 7120. Deze wordt gebruikt om aan te tonen dat men aan de nieuwbouw-eisen (EPC-eisen) voldoet. Deze rekensoftware is ook nog in de periode ná 1 januari 2021 beschikbaar om bij oplevering van een gebouw onder het oude regime aan te kunnen tonen dat het gerede product aan de EPC-eisen voldoet.Verder is in de periode vanaf 1 juli 2020 tot 1 januari 2021 ook de geattesteerde voorversie van 1 juli 2020 van de NTA 8800 beschikbaar, met als doel dat de ontwikkelende nieuwbouwpartijen zich tijdig kunnen voorbereiden op de nieuwe BENG-eisen en de nieuwe bepalingsmethode (NTA 8800). Het gebruik van de voorversie van de geattesteerde rekensoftware vindt plaats op eigen initiatief: het rekenen moet hoe dan ook worden gedaan conform de spelregels van de BRL 9500-W en 9500-U (detailopname) die gaan gelden vanaf 2021. Dit is het geval waarin een beroep kan worden gedaan op artikel 3.7.Vanaf 1 januari 2021 worden de nieuwbouw BENG berekeningen conform BRL 9500 (W en U) uitgevoerd en geregistreerd volgens de definitieve geattesteerde rekensoftware. De registratie vindt daarbij altijd plaats op basis van deze definitieve geattesteerde software.

Artikel 3.8[na inwerkingtreding Stcrt. 2020, 37764] (Nieuw in Stcrt. 2020, 37764)

Met artikel 3.8 is geregeld dat bij het bepalen van het aandeel hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het BENG besluit rekening mag worden gehouden met de restwarmte en restkoude. Met restwarmte en -koude wordt respectievelijk warmte en koude bedoeld waarvoor geen extra brandstofinzet nodig is en die anders zou worden geloosd. Bij toepassing van dit artikel gaat het alleen om de restwarmte en restkoude zoals die gewaardeerd wordt bij toepassing van NTA 8800. Met dit voorschrift is vooruitgelopen op de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L328/82).

Artikel 3.9[na inwerkingtreding Stcrt. 2020, 37764] (Nieuw in Stcrt. 2020, 37764)

Met dit artikel is een nadere invulling gegeven aan artikel 5.2, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Artikel 5.2, derde lid, biedt de mogelijkheid om bij woongebouwen niet te voldoen aan de voorgeschreven minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie, voor zover het als gevolg van locatiegebonden omstandigheden niet mogelijk is aan de eis te voldoen. In artikel 3.9 is aangegeven hoe beoordeeld moet worden of het daadwerkelijk mogelijk is gebruik te maken van de beschreven uitzonderingsmogelijkheid. Met deze nadere voorschriften worden mogelijk onjuiste interpretaties van de uitzonderingsmogelijkheid voorkomen. Bij de beoordeling moet gebruik worden gemaakt van het stappenplan dat is opgenomen in de Leidraad afwijking eis hernieuwbare energie woongebouwen (nieuwbouw) van 7 juli 2020 zoals gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/12/17/kostenoptimaliteitsstudie-beng-eisen. In dit stappenplan zijn de randvoorwaarden opgenomen waaraan voor een beroep op de uitzondering moet worden voldaan. Hierbij wordt opgemerkt dat de uiteindelijke beslissing of gebruik mag worden gemaakt van de uitzondering door het bevoegd gezag wordt genomen. De beoordeling van de kosteneffectiviteit in dat specifieke geval speelt daarbij geen rol. Zoals is beschreven in het algemeen deel van de toelichting op het Besluit van 13 december 2019 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501) is de kostenoptimaliteit en kosteneffectiviteit van de verschillende mogelijke maatregelen onderzocht.

Artikel 3.10[na inwerkingtreding Stcrt. 2020, 37764] (Nieuw in Stcrt. 2020, 37764)

Artikel 3.10 stelt een expliciete eis aan de waarde voor oververhitting. De afgelopen jaren is gebleken dat als gevolg van de steeds scherpere eisen aan de energieprestatie voor nieuwe woningen niet altijd voldoende aandacht aan het binnenklimaat in de zomer werd gegeven. Dit heeft in recente jaren, met enkele bijzonder warme zomers, in een aantal gevallen geleid tot ongewenste oververhitting bij nieuwe woningen. In zulke gevallen moest er alsnog een – veelal mobiele en daarmee inefficiënte – airco in de woning worden geplaatst om deze oververhitting weg te koelen. Om dergelijke ongewenste situaties voortaan zoveel mogelijk te voorkomen wordt een eis aan de maximale waarde voor oververhitting gesteld. Om te berekenen of aan de BENG eisen is voldaan, wordt gebruik gemaakt van NTA 8800. Als onderdeel van deze berekeningen wordt ook een indicator voor de oververhitting berekend. Dit is de waarde voor oververhitting, ofwel de zogenoemde TOjuli. In artikel 3.10 is bepaald dat deze waarde voor woningen ten hoogste 1,20 mag zijn.

Omdat NTA 8800 een methode is die op basis van maandgemiddelde gegevens de energieprestatie bepaalt, en het temperatuurverloop bij warme dagen een meer dynamisch gedrag vertoont dan op basis van maandgemiddelde situaties en aannames, geeft de indicator TOjuli slechts een globaal beeld. Op basis van analyses van berekeningsresultaten voor TOjuli met NTA 8800 te vergelijken met berekeningen met een dynamisch rekenmodel op basis van gegevens per uur en gewogen temperatuuroverschrijdingen is vastgesteld dat, indien de TOjuli een waarde geeft van 1,20 of minder, het risico op ongewenste oververhitting beperkt kan blijven. De indicator TOjuli is echter te globaal om hiermee te concluderen dat bij waarden boven 1,20 het aantal overschrijdingen per definitie onacceptabel is. Om die reden wordt de mogelijkheid geboden om – indien voor bepaalde rekenzones en oriëntaties de grenswaarde wordt overschreden en men toch de veronderstelling heeft dat het thermisch binnenklimaat in de zomer aanvaardbaar is – met een dynamische berekening aan te tonen dat onder de als acceptabel veronderstelde 450 gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO1 ) wordt gebleven. Wanneer bij de aanvraag van een vergunning een BENG-berekening wordt ingediend waarin TOjuligroter dan 1,20 is, moet worden aangetoond dat het aantal gewogen overschrijdingsuren ten hoogste 450 is.

Het eerste lid geeft deze maximale grenswaarde voor de indicator voor oververhitting. Indien men onder deze waarde blijft wordt het risico op oververhitting als acceptabel klein verondersteld.

Het tweede lid geeft de mogelijkheid om, indien de berekende indicator voor oververhitting de in het eerste lid aangegeven grenswaarde overstijgt, op basis van een berekening aan te tonen dat het aantal gewogen temperatuuroverschrijdingen maximaal het acceptatieniveau van 450 gewogen temperatuuroverschrijdingen (GTO) bedraagt.

Het derde lid beschrijft de werkwijze hoe bij woongebouwen waarin binnen een of meerdere woningen de grenswaarde voor oververhitting wordt overschreden. In dat geval moet voor de maatgevende woning met de absoluut hoogst berekende waarde voor oververhitting met een dynamisch rekenmodel worden aangetoond dat binnen die woning het aantal gewogen temperatuuroverschrijdingen maximaal het acceptatieniveau van 450 temperatuuroverschrijdingen (GTO) bedraagt. De veronderstelling daarbij is dat in dat geval ook bij de overige woningen binnen dat woongebouw het aantal overschrijdingsuren acceptabel is.

Het vierde lid bepaalt dat de berekening van de waarde voor oververhitting met dezelfde versie van de software moet plaatsvinden als de versie die wordt gebruikt voor de vergunningaanvraag. Zie ook hierboven de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.7.

Het vijfde lid bepaalt dat de in dit artikel bedoelde berekeningen moeten voldoen aan de in de bijlage VII opgenomen ‘uitgangspunten dynamische rekenmethodiek oververhitting in de zomerperiode’. Toepassing van deze uitgangspunten betekent dat er gebruik moet worden gemaakt van een dynamisch rekenmodel dat is getest conform BESTEST of ASHRAE 140. BESTEST en ASHRAE 140 zijn internationale testmethoden die de betrouwbaarheid van het rekenmodel garanderen. Praktisch alle in Nederland beschikbare dynamische rekenmodellen zijn met genoemde testmethoden getest. Dit betekent niet dat er op grond van deze testmethoden specifieke eisen aan het rekenmodel worden gesteld, maar dat met de test eventuele fouten uit het rekenprogramma zijn gehaald.Over de uitgangspunten zoals opgenomen in bijlage VII wordt voorts nog het volgende opgemerkt:

Parameters PMV

De PMV is de index die de mate van thermisch comfort aangeeft. In de bijlage zijn de belangrijkste parameters opgenomen. De bij parameter 1 gehanteerde waarde komt overeen met licht huishoudelijk werk. De kledingweerstand van 0,5 clo bij parameter 2 is te vergelijken met lichte zomerkleding.

Weegfactor uren

Sommige (voornamelijk Nederlandse) dynamische rekenmodellen berekenen zelf de gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO), er zijn echter internationale programma’s op de markt die wél de PMV berekenen, maar niet de GTO-uren. In die gevallen moeten de uren met 0,5 ≤ PMV <2,5 worden gewogen volgens de formule: 0,47+0,22*PMV+1,3*PMV2+0,97*PMV3-0,39*PMV4. Uren met een PMV van 2,5 of hoger krijgen een factor van 10. Dit komt er op neer dat een uur met een PMV van 0,5 met een factor 1 wordt vermenigvuldigd en dus 1 GTO-uur betreft. Een uur met een PMV van 1 daarentegen krijgt een weegfactor van 2,5.

Zonering van de woning2

De zonering is gebaseerd op de indeling van de woning bij de vergunningaanvraag. Dit betekent ook dat voor alle zones waarin zich verblijfsruimten bevinden het gewogen aantal overschrijdingsuren (GTO) moet worden berekend. In de bijlage wordt gesproken van verblijfsruimten, dit betekent automatisch ook dat het gaat om zones met verblijfsgebieden. Zie voor een toelichting op de begrippen verblijfsruimten en verblijfsgebied, de artikelsgewijze toelichting op artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012.

Bouwkundige eigenschappen

Bij de berekening van de GTO worden lineaire en puntvormige thermische bruggen toebedeeld aan de uitwendige scheidingsconstructies waarvan zij deel uitmaken. Wanneer een thermische brug een combinatie van verschillende vloer-, gevel- of dakdelen betreft, moet de thermische brug evenredig aan die verschillende bouwdelen worden toebedeeld. Thermische bruggen van vloeren met funderingsaansluitingen zoals vloeren direct op de ondergrond of vloeren boven een kruipruimte of onverwarmde kelder worden niet aan andere uitwendige constructies toebedeeld.

Minimale temperatuur

Onder het kopje minimale temperatuur betekent het begrip operatieve temperatuur de temperatuur die de bewoner aanvoelt, en houdt rekening met de luchttemperatuur en de stralingseffecten. Bij de rekenmodellen wordt hiervoor het gemiddelde aangehouden van de luchttemperatuur van het vertrek en de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van de wanden, vloer en plafond van het vertrek.

1 GTO staat voor gewogen temperatuuroverschrijdingen. Wanneer de temperatuur boven een bepaalde comforttemperatuur komt, ervaart men dit als oncomfortabel (te warm). Hoe hoger de temperatuur wordt, hoe meer hinderlijk men het vindt. Daarom worden hogere temperaturen zwaarder gewogen bij het aantal GTO-uren.

Opmerking BRIS

2 Een niet bestaande term in het Bouwbesluit 2012; moet zijn woonfunctie

Uw gekozen filters:

Type

Gebruiksfuncties