Bouwbesluit Online 2012


1 Inleiding

Met de Regeling Bouwbesluit 2012 is een nadere invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het Bouwbesluit 2012. Deze regeling zal dan ook gelijk met het Bouwbesluit 2012, naar verwachting 1 april 2012, in werking treden. Zoals het Bouwbesluit 2012 in de plaats komt van het Bouwbesluit 2003, vervangt deze regeling de Regeling Bouwbesluit 2003. Daarnaast zijn diverse voorschriften die onder het Bouwbesluit 2003 in de ministeriële regeling waren opgenomen voortaan in het Bouwbesluit 2012, in NEN-normen, of in een andere regeling zoals bijvoorbeeld de Regeling geluidwerende voorzieningen (RGV) opgenomen. Een belangrijk onderdeel van deze regeling is evenals bij de Regeling Bouwbesluit 2003 het geval was, de aanwijzing van normen. Ook zijn in deze regeling de voorschriften met betrekking tot de CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met die artikelen van de verordening bouwproducten (verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (305/2011 PbEU L 88)) die al in werking zijn getreden. Onderwerpen in deze regeling die niet in de Regeling Bouwbesluit 2003 waren opgenomen zijn de nadere prestatievoorschriften voor brandveiligheid waaronder inspectieschema’s van brandveiligheidsinstallaties en opvang- en doorstroomcapaciteit en nadere voorschriften voor duurzaam bouwen en het scheiden van bouw- en sloopafval. Deze regeling volgt wat betreft systematiek en terminologie zo veel mogelijk het Bouwbesluit 2012.

Wijziging van de regeling:

a.Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en enkele andere wijzigingen

De in deze regeling opgenomen wijzigingen van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht houden vooral verband met de inwerkingtreding van afdeling 6.12 en artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 per 1 juli 2012 en van afdeling 5.2 van het Bouwbesluit 2012 per 1 januari 2013. Afdeling 6.12 heeft betrekking op het veilig onderhoud van gebouwen. Artikel 5.2 betreft de energieprestatiecoëfficiënt en afdeling 5.2 betreft milieu, nieuwbouw. Verder zijn in deze regeling enkele wijzigingen in de aansturing van normen opgenomen en wordt een enkele onjuiste verwijzing gecorrigeerd.

b.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 februari 2013, nr. 2013-0000121469, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van normen en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Deze wijzigingsregeling bevat enkele wijzigingen in de aansturing van normen en een enkele verbetering van ondergeschikte aard in de Regeling Bouwbesluit 2012. Verder is in de Regeling omgevingsrecht een procedureel voorschrift met betrekking tot de berekeningsmethodiek van de energieprestatiecoëfficiënt en een daarmee samenhangende begripsbepaling en een aanvulling in de opsomming van de bij een aanvraag om vergunning voor het brandveilig gebruik aan te leveren gegevens en bescheiden opgenomen.

c.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 juni 2013, nr. 2013-0000350418, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen

Aanleiding voor deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is de vaststelling van richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking). Deze herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (hierna herziene EPBD of (herziene) richtlijn) bevat een nadere uitwerking en aanscherping van de eerdere richtlijn van 16 december 2002 en heeft als oogmerk de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving verder te stimuleren. De in deze herziene richtlijn geformuleerde Europese doelstellingen zijn mede richtinggevend voor het Plan van aanpak Energiebesparing Gebouwde omgeving dat in februari 2011 aan de Tweede Kamer is gezonden (Kamerstukken II 2010/2011, 30 196, nr. 131). Ter implementatie van deze richtlijn worden de Woningwet, het Besluit energieprestatie gebouwen en het Bouwbesluit 2012, alsmede de bijbehorende ministeriële regelingen gewijzigd. Ook zullen de indieningsvereisten zoals deze in de Regeling omgevingsrecht (Mor) zijn opgenomen aan bovenstaande worden aangepast. Met deze wijziging van Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een verdere uitwerking gegeven aan de omzetting in het Bouwbesluit 2012 van de artikelen 7 (maatregelen bij ingrijpende renovatie) en 8 (eisen aan technische bouwsystemen) van de richtlijn.

d.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 februari 2014, nr. 2014-0000068608, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en een wijziging van de Regeling omgevingsrecht

Deze wijzigingsregeling bevat met name voorschriften die nodig zijn ter uitwerking van afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2012, waarin voorschriften zijn opgenomen voor het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden. Ook worden met deze regeling nieuwe versies aangewezen van bijlage I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012, waarin is opgenomen welke versie van een in het Bouwbesluit 2012 aangewezen norm van toepassing is. Ook zijn enkele definities en een artikel vervallen als gevolg van de volledige inwerkingtreding van de verordening bouwproducten (305/1011/EU, PbEU L88) met ingang van 1 juli 2013. Daarnaast is het voorschrift met betrekking tot de scheiding van bouw- en sloopafval verder uitgewerkt en is een enkele meer ondergeschikte wijziging aangebracht. Verder is een geringe wijziging van de Regeling omgevingsrecht opgenomen.

De wijzigingsregeling treedt met betrekking tot het bouwen in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden in werking op het moment dat afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2012 in werking treedt. Deze datum is in Stb 2015, 92 bepaald op 1 april 2015. De wijzigingen met betrekking tot de inwerkingtreding van de verordening bouwproducten treden in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2013. De overige onderdelen treden op 1 april 2014 in werking gelijktijdig met de inwerkingtreding van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende de brandveiligheid van het bedrijfsmatig houden van dieren, alsmede correcties en verdere vereenvoudigingen van de Bouwbesluit 2012.

e.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 november 2014, nr. 2014-000023518, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanscherping van de warmteweerstand en de wijziging van de correctiefactoren voor de energieprestatiecoëfficiënt en wijziging van enkele andere regeling

Deze wijzigingsregeling bevat met name de voorschriften die nodig zijn ter uitwerking van de wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2015. Genoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012 vindt plaats ter implementatie van de richtlijn 2010/31/EU van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU L153/13). Deze herziene richtlijn energieprestatie (herziene EPBD) bevat een nadere uitwerking en aanscherping van de eerdere richtlijn van 16 december 2002 en heeft als oogmerk de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving verder te stimuleren. Het gaat in deze wijzigingsregeling met name om de bepalingsmethode om de gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt als bedoeld in het met ingang van 1 januari 2015 gewijzigde artikel 5.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb.2014, 342) te berekenen. Verder is de verwijzing naar ISSO 75.1 geactualiseerd en zijn de correctiefactoren voor de toepassing van NEN 7120 aangepast aan de laatste versie van die norm. Ook zijn voor NEN 1068 en NEN 7120 nieuwe correctiebladen aangewezen.

f.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000663941, houdende aanpassing van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, en 10, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte en wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2015, aanpassing zorgwetgeving, gegevensverstrekking door de huurder en wijziging aanduiding NEN-norm)

In deze regeling is tot slot in de Regeling Bouwbesluit 2012 een omissie rechtgezet.

g.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 juni 2015. , nr. 2015-0000335240, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de eisen aan kooldioxidemeters en het aanwijzen van normen

Met deze wijzigingsregeling wordt van een aantal normen een nieuwe versie aangewezen. Nadat op 1 april 2014 nieuwe versies van bijlage I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn aangewezen (Stcrt. 2014, nr. 4057) is opnieuw een aantal normen aangepast. Dit betekent dat in een aantal gevallen een nieuwe versie van een norm is aangewezen en in andere gevallen dat bij de toepassing van de norm met een aantal afwijkingen daarvan rekening moet worden gehouden. Verder zijn in deze wijzigingsregeling de eisen aan de kooldioxidemeter uitgewerkt en is de verwijzing naar het CCV- inspectieschema Brandbeveiliging geactualiseerd. Voor het bouwbedrijfsleven is het van belang dat deze normen zo snel mogelijk kunnen worden toegepast. Het voornemen is dat deze wijzigingsregeling gelijk met de wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende de deregulering van de woonfunctie en enkele andere wijzigingen in werking treedt, naar verwachting is dat 1 juli 2015.

h.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 december 2015, nr. 2015-0000728514, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van betonnen galerijvloeren en het aanwijzen van normen en wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen met betrekking tot de actualisatie van enkele Nationale Beoordelingsrichtlijnen en het vaststellen van een bijlage

Met deze wijzigingsregeling is in de Regeling Bouwbesluit 2012 een voorschrift opgenomen om onderzoek te doen naar de staat van galerijflats met vrij uitkragende galerij- of balkonvloeren die monoliet zijn verbonden aan de achterliggende betonnen verdiepingsvloeren. Op grond van dit voorschrift moet worden geïnventariseerd of er bij dergelijke flats, die vooral zijn gebouwd in de periode 1950-1970, risico op instorting van de galerij- of balkonvloeren bestaat. Ook zijn met deze wijziging de verwijzingen naar een aantal normen in de bijlagen I en II bij de Regeling Bouwbesluit 2012 geactualiseerd. Verder is een onvolkomenheid in een verwijzing in bijlage III bij de Regeling Bouwbesluit 2012 hersteld.

i.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 juni 2016, nr. 2016-0000354250, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van zwembaden

Met deze wijzigingsregeling wordt een verplichting in de Regeling Bouwbesluit 2012 opgenomen om onderzoek te doen naar de staat van roestvaststalen constructies in zwembaden. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de toezegging ter zake als verwoord in de brief van 14 december 2015 (Kamerstukken II 2015/2016, 28 325 nr. 157).Sinds 2004 is bekend dat in zwembaden roestvaststaal (hierna ook RVS) wordt toegepast dat tot veiligheidsproblemen kan leiden. RVS is een familie van staallegeringen, waarvan sommige soorten gevoelig zijn voor spanningscorrosie, waardoor plotselinge breuk kan optreden. De atmosfeer in zwembaden is door het gebruik van desinfectiemiddelen op basis van chloor agressief voor de meest gebruikelijke soorten RVS. Andere RVS soorten zijn niet gevoelig voor (spannings)corrosie in de zwembadatmosfeer. Deze zogenoemde resistente soorten worden aangeduid met de typenamen 1.4529, 1.4547 en 1.4565. Op basis van NEN-EN 1993-1-4, die op basis van afdeling 2.2 van het Bouwbesluit 2012 van toepassing is, is alleen het gebruik van deze resistente soorten toegestaan bij zowel nieuwbouw als bij verbouw. De veiligheid van niet-resistent RVS in bestaande overdekte zwembaden kon tot 2013 worden aangetoond met jaarlijkse inspecties op basis van de NCC ‘Praktijkrichtlijn voor inspectie en onderhoud van ophangconstructies, bevestigingsmiddelen en voorzieningen in overdekte zwembaden’ uit 2004. Bij brief van 30 september 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 28 325, nr. 152) is het TNO-rapport ‘Deskundigenrapport toepassing en inspectie van roestvaststaal (RVS) in zwembaden’ aan de Kamer gezonden. Dit TNO-rapport geeft, uitgaande van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, een actualisering van de beoordeling van roestvaststalen ophangconstructies volgens de bovengenoemde NCC-praktijkrichtlijn uit 2004. TNO adviseert in lijn met genoemde NCC-praktijkrichtlijn om niet-resistent roestvaststalen ophangconstructies in bestaande zwembaden te vervangen. Indien niet wordt vervangen, stelde TNO dat deze constructies minimaal om de 6 maanden moeten worden gecontroleerd op roestvorming. Dit was een aanscherping van de frequentie van één keer per jaar die volgde uit de NCC-handreiking. Genoemd TNO-rapport is ook als uitgangspunt gehanteerd bij het opstellen van de Nederlandse praktijkrichtlijn (NPR) 9200:2015 ‘Metalen ophangconstructies en bevestigingsmiddelen in zwembaden’ die eind december 2015 is gepubliceerd door NEN. In deze NPR wordt echter niet meer uitgegaan van de mogelijkheid om niet-resistent RVS om de 6 maanden te controleren. Aanleiding voor deze wijziging is dat inmiddels duidelijk is dat, in tegenstelling tot hetgeen eerder in het TNO-rapport was aangenomen, het in de praktijk niet mogelijk is om de corrosievorming van het RVS voldoende nauwkeurig te beoordelen. Omdat het daarmee in de praktijk niet mogelijk is om de veiligheid van niet-resistent RVS voldoende te borgen met alleen periodieke inspecties, is het uitgangspunt van de nieuwe onderzoeksplicht dat moet worden aangetoond dat er in het zwembad geen niet-resistent RVS meer aanwezig is op plaatsen waar breuk kan leiden tot persoonlijk letsel.

Verder is met deze regeling een geringe redactionele wijziging aangebracht en zijn twee onvolkomenheden in verwijzingen hersteld.

j.Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 december 2016, nr. 2016-0000805104, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de toepassing van enkele normen

Met deze wijzigingsregeling worden nadere voorschriften voor de toepassing van een aantal normen gegeven en wordt van een aantal normen een nieuwe versie aangewezen.

k.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2017, nr. 2017-0000644894, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot drijvende bouwwerken, de milieuprestatiegrenswaarde, bijna energieneutrale gebouwen en de aansturing van enkele normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een uitwerking gegeven aan de specifieke regelgeving voor drijvende bouwwerken. Verder is de bepalingsmethode voor de milieuprestatiegrenswaarde gewijzigd en is een invulling gegeven aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk ter uitwerking van de wijziging van het Bouwbesluit 2012 met ingang van 1 januari 2018, betreffende drijvende bouwwerken, de milieuprestaties en enkele andere wijzigingen (Stb. 2017, 494). Tevens zijn van een aantal NEN-normen de aangestuurde versies gewijzigd.

l.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2018, nr. 2018-0000388367, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de aanwijzing van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging- Inspectie brandbeveiligingsysteem aangewezen. Deze versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging- Inspectie brandbeveiligingsysteem komt met ingang van 1 juli 2018 in de plaats van de versie van 1 juni 2015. Versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) is te raadplegen op de site van het CCV, Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. In onderdeel 1.6 van versie 11.0 (inclusief correctie van 16 januari 2018) is een schema opgenomen met de wijzigingen die zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere versie.

m.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, nr. 2018-0000963331, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aange-stuurde NEN-normen en NEN-EN-normen nieuwe uitgaves van toepassing verklaard. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie.

n.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2019, nr. 2019-0000343502, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema, van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, en van een aantal normen

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een nieuwe versie van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging - Inspectie brandbeveiligingsysteem aangewezen.

Voorts is voor de bepaling van de milieuprestatie zoals bedoeld in artikel 5.9 van het Besluit een nieuwe versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken aangewezen. Deze nieuwe versie met als datum 1 januari 2019 met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 juli 2019 is met ingang van 1 juli 2019 in de plaats gekomen van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken van november 2014 (met inbegrip van wijzigingsbladen). Met de introductie van deze nieuwe bepalingsmethode is de correctiefactor van 0.4 komen te vervallen.

Daarnaast zijn van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aangestuurde NEN-normen en NEN-EN-normen nieuwe uitgaves van toepassing verklaard of correcties van de aansturing doorgevoerd. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie.

o.Regeling van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2020, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling energieprestatie gebouwen inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen

1.Inleiding

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (hierna ook: besluit EPBD III). Met dit besluit EPBD III zijn de verplichtingen geïmplementeerd die voortvloeien uit richtlijn 2018/844/EU van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75) (hierna: tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen of EPBD III).In de voorliggende wijzigingsregeling zijn ter implementatie van het besluit EPBD III opgenomen:

  • de bepalingsmethode voor de energieprestatie van technische bouwsystemen;
  • eisen aan de documentatie van de energieprestatie van technische bouwsystemen;
  • een nadere uitwerking van de systeemeisen voor het adequaat dimensioneren, installeren, inregelen en de instelbaarheid van technische bouwsystemen;
  • een uitwerking van de keuring van verwarmingssystemen en airconditioningsystemen.
  • In paragraaf 2 van dit algemeen deel, hoofdlijnen van de wijzigingsregeling, en in de artikelsgewijze toelichting daarvan zijn deze onderwerpen verder toegelicht.
Met het besluit EPBD III is de verplichte keuring voor airconditioningsystemen van het Besluit energieprestatie gebouwen overgeheveld naar het Bouwbesluit 2012. Daarmee wordt ook de gemeente het bevoegd gezag voor het handhaven van deze keuringsverplichting. Zie voor een toelichting daarop het algemeen deel van de toelichting opgenoemd besluit EPBD III (Stb. 2020, 84). Ook bevat het besluit EPBD III eisen voor de keuring van verwarmingssystemen. Onder EPBD III verandert de keuringsplicht. De veranderingen in de keuring zijn echter niet geïmplementeerd via het Activiteitenbesluit milieubeheer, omdat de herziene keuring uit de EPBD III niet goed meer past in de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer over stookinstallaties. Dit komt met name door het toepassingsbereik van de keuringsplicht uit de EPBD III; het gaat daarbij voortaan niet alleen om stookinstallaties, maar om alle verwarmingssystemen. Deze herziene keuring is daarom opgenomen in bovengenoemde wijziging van het Bouwbesluit 2012. Hiermee wordt vooruitgelopen op de situatie onder de Omgevingswet, waarin de keuring in de opvolger van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, is opgenomen. De keuring in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt in afwachting van de Omgevingswet vooralsnog niet aangepast. Dit betekent dat gebouwgebonden stookinstallaties met een vermogen van meer dan 100 kW onder zowel de keuring uit het Bouwbesluit 2012 als onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen. EPBD III moet uiterlijk 10 maart 2020 volledig geïmplementeerd zijn.

2.Hoofdlijnen van de regeling

2.1Bepalingsmethode energieprestatie technische bouwsystemen

Op grond van het besluit EPBD III moeten technische bouwsystemen die nieuw worden geïnstalleerd, vervangen of verbeterd voldoen aan minimum energieprestatie-eisen. Er gelden minimum energieprestatie-eisen voor systemen voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater en ingebouwde verlichting.

In deze regeling is voorgeschreven welke methoden gebruikt moeten worden om energieprestatie van systemen voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm tapwater en ingebouwde verlichting vast te stellen. Deze methoden zijn afgeleid van de bepalingsmethode voor energieprestatie van gebouwen, NTA 8800, en laten zien hoeveel primaire fossiele energie de technische bouwsystemen nodig hebben ten opzichte van de netto behoefte. Om de lasten voor installateurs zo beperkt mogelijk te houden, wordt een digitale tool ontwikkeld, waarmee de energieprestatie van technische bouwsystemen kan worden uitgerekend.

2.2Eisen documentatie energieprestatie technische bouwsystemen

Op grond van het besluit EPBD III moeten installateurs die de onder 2.1 bedoelde technische bouwsystemen installeren, vervangen of verbeteren de energieprestatie van deze systemen documenteren en deze stukken overhandigen aan de gebouweigenaar.

In deze regeling zijn de eisen gesteld waaraan deze documentatie tenminste moet voldoen. Het gaat hierbij onder meer om het verstrekken van gegevens over de opsteller van de documentatie en gegevens over het technisch bouwsysteem en het gebouw waartoe het technisch bouwsysteem behoort. De installateur is vrij om deze gegevens aan te vullen met andere informatie die hij of zij wil overhandigen aan de gebouweigenaar. Er zijn geen eisen gesteld aan het format of de vormgeving van de documentatie. Er wordt echter een standaardformat ontwikkeld dat installateurs desgewenst kunnen gebruiken. Dit standaardformat wordt ook opgenomen in de digitale tool die wordt ontwikkeld om installateurs te ontzorgen.

2.3Systeemeisen voor het dimensioneren, installeren, inregelen en de instelbaarheid van technische bouwsystemen

In artikel 6.55 van het besluit EPBD III (Stb. 2020, 84) is bepaald dat een technisch bouwsysteem adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar moet zijn. In deze regeling is per type technisch bouwsysteem nader uitgewerkt wat hiermee wordt bedoeld.

2.4Keuringen voor verwarmings- en airconditioningsystemen

In EPBD III is de keuringsverplichting voor verwarmings- en airconditioningsystemen herzien. Zo verschuift de grens waarboven deze verplichting geldt van een nominaal vermogen van respectievelijk 20 en 12 kW naar 70 kW. Ook valt de combinatie van verwarmings- en ventilatiesysteem en airconditioning- en ventilatiesysteem voortaan onder de keuringsverplichting.

De verwarmingskeuring is voortaan van toepassing op alle verwarmingssystemen en niet alleen op stookinstallaties. Het is daarnaast een keuring die niet is beperkt tot de opwekker, maar betreft het hele systeem. Het gaat daarbij om de prestatie onder typische (meest voorkomende) werkingsomstandigheden; een systeem zal in de praktijk vaker onder deellast functioneren dan onder vollast. In EPBD III is er een grotere nadruk op de prestatie in werkelijke situaties. Het is namelijk van belang dat een systeem efficiënt en effectief functioneert onder alle condities. De keuring moet evenals voorheen leiden tot een keuringsrapport met advies voor de kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het systeem, dat aan eigenaar of huurder wordt overhandigd. De uitwerking van de eisen aan de keuringen is in een nieuw hoofdstuk 3a opgenomen. In dit hoofdstuk zijn wat betreft het onderdeel keuring van airconditioningsystemen de eisen opgenomen die eerder in paragraaf 3 van de Regeling energieprestatie gebouwen waren te vinden.

3.Transponeringstabel

In de tabel hieronder is per artikel van EPBD III ofwel richtlijn 2010/31/EU van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU 2010, L 153/13), zoals gewijzigd door richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van de Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 2018, L 156/75), aangegeven hoe dit is geïmplementeerd.

Afbeelding
p.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 april 2020, nr. 2020-0000179074, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de veiligheid van breedplaatvloeren

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 is een onderzoeksplicht naar de constructieve veiligheid van breedplaatvloeren ingesteld. Aanleiding voor deze onderzoeksplicht was het in mei 2017 gedeeltelijk instorten van een verkeergarage bij Eindhoven Airport en de daarna door Hageman (in samenwerking met TNO) uitgevoerde onderzoeken naar de veiligheid van vergelijkbare vloeren. Naar aanleiding van de resultaten van deze onderzoeken, vastgelegd in het Hageman rapport 9780-1-0 ‘Voorstellen voor en achtergronden bij rekenregels voor de beoordeling van bestaande bouw’ van 20 mei 2019, 1 is een onderzoeksplicht zoals bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de Woningwet toegezegd (Kamerstukken II, 2018/19, 28 325, nr. 199). Gezien de te verwachten grote opgave voor het uitvoeren van de beoordelingen is besloten deze onderzoeksplicht voor bestaande gebouwen gefaseerd in te voeren. Daarbij wordt aangesloten op de gevolgklasse-indeling van gebouwen volgens NEN 8700. De onderzoeksplicht gaat vooralsnog alleen gelden voor gebouwen in de hoogste gevolgklasse (CC3). Uitbreiding van de onderzoeksplicht naar gebouwen in lagere gevolgklassen is voorzien na 1 april 2021. Dit betekent dat als een gebouw nu nog niet onder de onderzoeksplicht valt, niet uitgesloten is dat dit in de toekomst alsnog het geval kan zijn.

De voorliggende onderzoeksplicht houdt geen beperking in van de algemene zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet. Dit betekent dat een eigenaar nu al aanleiding kan hebben om onderzoek uit te voeren bij een gebouw dat niet valt in de hoogste gevolgklasse en ook dat een gemeente de gebouweigenaar nu al om een dergelijk onderzoek kan verzoeken. Dit ligt bijvoorbeeld in de rede bij een gebouw dat op basis van het informatiedocument Beoordeling veiligheid breedplaatvloeren uit 2017 2 eerder al als risicovol is gekwalificeerd.

De onderzoeksplicht is bedoeld om te worden ingezet als er sprake kan zijn van een evident veiligheidsprobleem bij specifieke gebouwen of constructies. Eerder is van de onderzoeksplicht gebruik gemaakt voor galerijvloeren (artikel 5.11 Regeling Bouwbesluit 2012) en voor roestvaststalen constructies in zwembaden (artikel 5.12 Regeling Bouwbesluit 2012).Met een dergelijke onderzoeksplicht wordt de bewijslast of een gebouw voldoende veilig is expliciet neergelegd bij de eigenaar en kan de gemeente direct handhaven als de onderzoeksplicht niet wordt nageleefd.De onderzoekplicht is daarmee primair bedoeld als ondersteuning van het gemeentelijke toezicht en handhaving.Tevens is met deze wijzigingsregeling een geringe correctie in de formule van de waarde van de energieprestatie van ventilatiesystemen (bijlage III bij artikel 3.3) opgenomen.

1) www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/05/20/rapport-voorstellen-voor-en-achtergronden-bij-rekenregels-voor-de-beoordeling-van-bestaande-bouw

2) www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/10/05/informatiedocument-beoordeling-veiligheid-breedplaatvloeren-bestaande-bouw

q.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2020, nr. 2020-0000414055, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw

1.Inleiding

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 wordt een nadere invulling gegeven aan een aantal onderdelen van het Besluit van 13 december 2019 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (hierna ook het BENG besluit) (Stb. 2019, 501). Dat besluit zal naar verwachting op 1 januari 2020 1 in werking treden. Zie ook de brief van 9 januari 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 30 196, nr. 695).

Opmerking BRIS

1 Bedoeld zal zijn 1 januari 2021

Met genoemd wijzigingsbesluit worden de verplichtingen die voortvloeien uit de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L 153/13)), hierna ook herziene EPBD of herziene richtlijn, geïmplementeerd. In 2015 is de verplichting om bijna energieneutraal te bouwen al in artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen (Stb. 2015, 425). Op dat moment werd een onderscheid aangebracht tussen de verplichting voor overheidsgebouwen en de verplichting voor overige gebouwen. Voor overheidsgebouwen was die verplichting in eerste instantie uitgewerkt in de Regeling Bouwbesluit 2012 en in werking getreden op 1 januari 2019. De verplichting voor overige gebouwen zoals geformuleerd in genoemd Staatsblad is niet in werking getreden, maar ingehaald door het BENG besluit. Met het BENG besluit geldt de eis om bijna energie-neutrale gebouwen te bouwen voor alle gebruiksfuncties. Omdat met dit wijzigingsbesluit alle BENG eisen op besluitniveau zijn opgenomen, vervallen de eisen aan overheidsgebouwen op regelingsniveau met de voorliggende wijzigingsregeling.

De BENG eisen komen daarmee definitief in de plaats van de eisen aan de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) zoals deze al voor 2003, het moment van invoering van het Bouwbesluit 2003 (de voorloper van het Bouwbesluit 2012), in de bouwregelgeving waren opgenomen. Dit betekent ook dat de bepalingsmethode NEN 7120 waarmee de EPC wordt berekend, met ingang van de inwerkingtreding van het BENG besluit is vervangen door NTA 8800, waarin in overeenstemming met de herziene EPBD onder meer de berekeningsmethode voor bijna energieneutraal bouwen is opgenomen.

Deze wijzigingsregeling bevat behalve een nadere invulling van de in het BENG besluit opgenomen BENG eisen, waaronder enkele overgangsbepalingen, ook specifieke eisen aan de waarde voor oververhitting. Verder is een correctie van het begrip ruimtethermostaat opgenomen en zijn de verwijzingen naar de normen in bijlage I bij de regeling geactualiseerd.

2.Hoofdlijnen van de regeling

2.1Waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en aandeel hernieuwbare energie

Met deze wijzigingsregeling is een invulling gegeven aan de berekening van de in artikel 5.2 van het besluit aangegeven we maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie.

2.2Waarde voor oververhitting

Bij toepassing van NTA 8800 moet rekening worden gehouden met een maximumwaarde voor oververhitting. Op die manier wordt het risico beperkt dat woningen 1 worden gebouwd die in steeds hetere zomers te warm worden. Deze waarde voor oververhitting (TOjuli) volgt rechtstreeks uit de berekening met NTA 8800. Wanneer sprake is van de aanwezigheid van een koelsysteem met als doel het koelen van de binnenlucht, wordt de waarde automatisch op nul gezet. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het koelsysteem voldoende capaciteit heeft om aan de koudebehoefte tegemoet te kunnen komen Als bij berekening van de hoogste waarde voor oververhitting de maximumwaarde wordt overschreden moet met een berekening worden aangetoond dat het totaal aantal gewogen overschrijdingsuren in alle verblijfsruimten niet boven een bepaald aantal uitkomt. Deze berekening moet voldoen aan het gestelde in bijlage VII. Zie hiervoor verder de artikelsgewijze toelichting.

Opmerking BRIS

1 Bedoeld zal zijn woonfuncties

2.3BRL 9500-W, BRL 9500-U, BRL9501

De berekening van de waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie, vindt plaats door een op basis van BRL 9500-W of BRL 9500-U, gecertificeerd bedrijf waarbij gebruik wordt gemaakt van op basis van BRL 9501 geattesteerde software. Deze BRL 9500-W (voor woningbouw) en BRL 9500-U (voor overige bouwwerken) zijn opvolgers van BRL 9500. Ook van BRL 9501 is een nieuwe (2020) versie beschikbaar gekomen. De aanwijzing van BRL 9500 en van BRL 9501 is tot de inwerkingtreding van onderhavige wijzigingsregeling alleen in de Regeling energieprestatie gebouwen opgenomen. De Regeling energieprestatie gebouwen wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingsregeling aan deze laatste versies aangepast.

2.4Transponeringstabel

In de tabel hieronder is per artikel van Richtlijn nr. 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L153/13) aangegeven hoe het artikel is omgezet. Met een deel van de aangehaalde bepalingen van de regelgeving is ook Richtlijn 2018/844/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75) omgezet. Het betreft de wijzigingen die zijn opgenomen in het besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84) en de daarbij behorende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (Stcrt. 2020,13004). Zie ook de transponeringstabellen in genoemde regelgeving.

Afbeelding
r.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, 2020-0000554748 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, Stcrt. 2020, 50199
1.Inleiding

Deze ministeriële regeling betreft een nadere uitwerking van het besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Aanleiding voor dit stelsel zijn de bevindingen en aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor veiligheid (OvV) over het gevaar van koolmonoxidevergiftiging door gasverbrandingsinstallaties. 1 Met het certificeringsstelsel wordt beoogd het aantal koolmonoxideongevallen te reduceren door de kwaliteit van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te verbeteren. Op basis van het certificeringsstelsel mogen na het ingaan van de daarin opgenomen verbodsbepaling bepaalde werkzaamheden aan gebouwgebonden gasverbrandingsinstallaties alleen nog worden uitgevoerd door bedrijven die beschikken over een geldig certificaat. De reikwijdte van het verbod is bepaald in het Bouwbesluit 2012. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Minister van BZK) wijst de certificerende instellingen aan die deze certificaten mogen afgeven en wijst ook de certificatieschema’s aan die hierbij van toepassing zijn. De verbodsbepaling geldt zowel voor het uitvoeren als laten uitvoeren van bepaalde werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Na inwerkingtreding van de verbodsbepaling is het dus ook voor eigenaren, gebruikers, beheerders en bewoners verboden om niet-gecertificeerde bedrijven opdracht te verstrekken om bepaalde werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te laten verrichten.

Onderhavige ministeriële regeling en hiervoor genoemd besluit vormen de uitwerking van de (nieuwe) grondslagen in artikel 2, vierde lid, en 3, tweede lid, van de Woningwet, die in die wet zijn opgenomen met de Wet van 26 juni 2019 tot wijziging van de Woningwet in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (Stb. 2019, 383). In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ten behoeve van de genoemde wijzigingswet zijn de overwegingen opgenomen die aan de basis liggen van het certificeringsstelsel voor gasverbrandingsinstallaties. 2 In die memorie van toelichting is ook ingegaan op de voorziene werking van het stelsel en de positie van de verschillende betrokken partijen. In het besluit (Stb. 2020. 348) zijn de reikwijdte van het stelsel, de accreditatie en aanwijzing van certificerende instellingen, de eisen aan certificatieschema’s, meldplicht en informatieverstrekking, de in het openbaar register op te nemen gegevens van aangewezen certificatieschema’s, certificerende instellingen en gecertificeerde bedrijven en de geldigheidsduur van certificaten na intrekking van de aanwijzing van een certificerende instelling uitgewerkt. In de nota van toelichting bij het besluit (Stb. 2020, 348) is een uitgebreide uiteenzetting van het stelsel opgenomen.

De beste manier om ongevallen met koolmonoxide te voorkomen is ervoor te zorgen dat de installaties die gebruikt worden veilig zijn. Het wettelijk certificeringsstelsel voorziet hierin. In haar rapport ‘Koolmonoxide Onderschat en Onbegrepen gevaar’, waarop het wettelijk certificeringsstelsel is gebaseerd, wijst de OvV ook op vrijwillige plaatsing van betrouwbare en effectieve koolmonoxidemelders en het stimuleren ervan in woningen en publieke gebouwen. Een koolmonoxidemelder kan immers vrijgekomen koolmonoxide detecteren. Een koolmonoxidemelder gaat echter pas af als er al koolmonoxide in de ruimte is vrijgekomen. Met het wettelijk certificeringsstelsel wordt er juist op ingezet die situatie te voorkomen. Koolmonoxidemelders kunnen daarom hooguit als een vrijwillige aanvulling op het wettelijk stelsel worden gezien. Klanten kunnen bijvoorbeeld de installateurs vragen of zij advies kunnen geven over de melders en over de werking en installatie ervan.

Onderhavige wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 betreft de nadere eisen die in het kader van het wettelijk stelsel ‘certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties’ worden gesteld. De volgende onderdelen zijn uitgewerkt:

  • Nadere eisen met betrekking tot de aanwijzing van certificerende instellingen en certificatieschema’s, waaronder ook de eisen die gesteld worden aan de vakbekwaamheid van de persoon die een installatie na verrichte werkzaamheden (opnieuw) in bedrijf stelt;
  • Nadere eisen aan de informatieverstrekking in het kader van dit wettelijk stelsel door de certificerende instelling aan de Minister van BZK;
  • De concentratie koolmonoxide (in ppm) in de opstellingsruimte van het toestel en in de verbrandingsgassen van het toestel is vastgesteld waarbij een installatie (opnieuw) in bedrijf mag worden gesteld. Ook is met deze wijziging de concentratie koolmonoxide (in ppm) vastgesteld waarbij de meldplicht van (bijna-)ongevallen van toepassing is.
  • Nadere eisen met betrekking tot de gegevens die in het openbaar register worden opgenomen;
  • Het in het kader van het stelsel te gebruiken beeldmerk is vastgesteld, inclusief de regels die aan het gebruik daarvan worden gesteld. Zo is het voor certificaathouders verplicht het beeldmerk te voeren op alle uitingen die met werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te maken hebben.

1 https://www.onderzoeksraad.nl/uploads/phase-docs/1079/b4a6d08bb6f4rapport-koolmonoxide-nl-interactief.pdf.

2 Kamerstukken II 2017/18, 35 022, nr. 3.

1.1Aanwijzing van certificerende instellingen

Om door de Minister van BZK te kunnen worden aangewezen voor het afgeven van certificaten aan installateurs die werkzaamheden uitvoeren aan gasverbrandingsinstallaties dient een certificerende instelling te zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (hierna: RvA). Dit is bepaald in artikel 1.36, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. Bij het verzoek om aanwijzing door de Minister van BZK dient de certificerende instelling, naast vestigingsplaats, het nummer van registratie bij de Kamer van Koophandel en de in artikel 1.36, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 genoemde gegevens en bescheiden, een bewijs over te leggen waaruit blijkt dat de instelling door de RvA geaccrediteerd is om een in het kader van dit wettelijk stelsel door de Minister van BZK aangewezen certificatieschema uit te voeren.

1.2Certificatieschema’s

In artikel 1.37 van het Bouwbesluit 2012 zijn eisen gesteld aan certificatieschema’s. Het betreft hier eisen met betrekking tot de werkwijze van certificerende instellingen en eisen aan de werkzaamheden door en vakbekwaamheid van de installateur. Op grond van artikel 1.37, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2012 kunnen voor certificatieschema’s bij ministeriële regeling nadere regels gesteld worden. Deze nadere regels betreffen ten eerste het type gasverbrandingsinstallatie waarvoor het certificatieschema is bedoeld. Hiermee biedt het wettelijk stelsel de mogelijkheid voor specifieke (maatwerk)regelingen. De werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd kunnen immers per type installatie en per onderdeel van die installatie verschillen. Zo zullen de werkzaamheden die aan een cv-ketel moeten worden verricht anders zijn dan de werkzaamheden die aan een gashaard moeten worden verricht. Ook voor het plaatsen van nieuwe installaties en (regulier) onderhoud kan er verschil in certificatie schema’s zijn, evenals voor de verschillende typen bedrijven die in deze branche werkzaam zijn. Dit neemt niet weg dat alle aangewezen certificatieschema’s ten minste moeten voldoen aan de minimumeisen die het wettelijk stelsel stelt. Een installateur die zich wil laten certificeren zal het schema kiezen dat het beste past bij de werkzaamheden die hij uitvoert. Daarvoor is het belangrijk dat direct duidelijk is waarop een schema van toepassing is.

Het wettelijk stelsel voorziet erin dat een installatie na uitgevoerde werkzaamheden zo min mogelijk risico’s geeft op incidenten met koolmonoxide. Om deze veiligheid goed te borgen dient een installatie na uitgevoerde werkzaamheden door een daarvoor voldoende vakbekwaam persoon te worden gecontroleerd en in bedrijf te worden gesteld. Deze persoon werkt onder het certificaat van het gecertificeerde bedrijf. De inbedrijfstelling, inclusief de daaraan verbonden aantoonbare vakbekwaamheid van degene die de inbedrijfstelling uitvoert, is daarom onderdeel van een certificatieschema. Alleen voor werkzaamheden aan rookgasafvoeren of verbrandingsluchttoevoervoorzieningen is in artikel 1.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 een uitzondering opgenomen omdat het hier zeer specialistische werkzaamheden betreft die niet door elk bedrijf kunnen worden uitgevoerd. Deze uitzondering maakt het mogelijk dat er een certificatieschema voor rookgasafvoeren of verbrandingsluchttoevoervoorzieningen komt, zonder dat daarin de inbedrijfsstelling van de installatie is opgenomen. Voor bedrijven die voor een dergelijk schema worden gecertificeerd geldt dan wel dat deze bedrijven zelf niet de inbedrijfsstelling mogen verrichten. Het stelsel biedt gecertificeerde installatiebedrijven de mogelijkheid om voor werkzaamheden aan rookgasafvoeren en verbrandingsluchttoevoer voorzieningen een daarvoor gespecialiseerd bedrijf in te schakelen.

Om de veiligheid van een gasverbrandingsinstallatie op het gebied van koolmonoxide op locatie goed te kunnen beoordelen is het belangrijk dat een installateur zowel voorafgaand als na uitgevoerde werkzaamheden meet of er koolmonoxide vrijkomt in de opstellingsruimte van het toestel. Bij een meting vooraf kan bij een gevaarlijke situatie direct worden gealarmeerd en bij de meting achteraf kan worden gecontroleerd of de installatie veilig is om te gebruiken. Ook dient bij de werkzaamheden de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel te worden gemeten en gecontroleerd.

Een certificatieschema wordt op verzoek van een schemabeheerder aangewezen als het voldoet aan de wettelijk gestelde minimumeisen. Het staat schemabeheerders echter vrij om in het schema aanvullende eisen op te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan aanvullende vakbekwaamheidseisen voor specifieke werkzaamheden, waar het stelsel de vakbekwaamheidseisen beperkt tot de inbedrijfstelling. In een schema kunnen ook eisen met betrekking tot aanvullende werkzaamheden worden opgenomen die geen verband houden met risico’s op koolmonoxide, maar waarvan de schemabeheerder het wel belangrijk vindt daar eisen aan te stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van de brandveiligheid, de aanleg van gasleidingen of het waterzijdig inregelen van cv-installaties. Het wettelijk stelsel sluit de mogelijkheid voor aanvullende eisen niet uit, maar omdat die extra onderdelen en werkzaam heden geen risico vormen voor incidenten met koolmonoxide vallen die niet onder de wettelijke verplichting tot certificering. Voor de beoordeling van certificatieschema’s en goed inzicht hierin bij installateurs die zich willen laten certificeren, is het belangrijk dat het certificatieschema duidelijk onderscheid maakt tussen de vereisten naar aanleiding van het wettelijk stelsel en vanuit de sector gestelde aanvullende (private) eisen.

1.3Vakbekwaamheid inbedrijfsstelling

Om de veiligheid van de installatie te borgen is gekozen voor een stelsel van procescertificering waarbij de installatie na uitgevoerde werkzaamheden door een daarvoor gekwalificeerd medewerker van of namens het installatiebedrijf wordt gecontroleerd en vrijgegeven voor gebruik. Deze gekwalificeerde medewerker moet de vereiste metingen en controles uit kunnen voeren en de resultaten daarvan kunnen beoordelen. Voor het kunnen uitvoeren van de metingen en controles aan de installatie dient de desbetreffende medewerker in elk geval te weten welke metingen en controles hij dient uit te voeren. In onderhavige ministeriële regeling zijn hieraan eisen gesteld, alsmede aan de hiervoor vereiste kennis en vaardigheden van de hiervoor gekwalificeerde medewerker. Een vakbekwaam persoon dient verder op grond van deze regeling aantoonbaar in staat te zijn de ventilatievoorziening in de opstelruimte te beoordelen. Onder andere de normen NEN 1087 en NEN 8087 en enkele relevante praktijkrichtlijnen geven hier informatie over. Ook dient een vakbekwaam persoon de rookgasafvoerkanalen en leidingen te beoordelen en te beproeven, bijvoorbeeld op grond van de normen NEN 2757 en NEN 8757.

Door de branche zijn instrumenten beschikbaar gesteld om de vereiste vakbekwaamheid en competenties te toetsen en te behalen. Deze instrumenten zijn voor alle bedrijven en vakmensen beschikbaar. Door de vakbekwaamheidseisen te beperken tot de inbedrijfsstelling blijft het na inwerkingtreding van het stelsel ook voor bijvoorbeeld leerling monteurs en minder gekwalificeerde vaklieden mogelijk om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te voeren.

1.4Eisen aan informatieverstrekking door de certificerende instelling aan de Minister

In aanvulling op artikel 1.39, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 is in onderhavige ministeriële regeling bepaald dat de certificerende instelling het verslag van de in het voorafgaande kalenderjaar uitgevoerde werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van die werkzaamheden en de meldingen van (bijna-)ongevallen jaarlijks voor 1 maart aan de Minister van BZK stuurt. In dit verslag wordt op grond van de regeling door de certificerende instelling daarnaast ingegaan op de uitgevoerde controles, de afgegeven, ingetrokken en geschorste certificaten, en de door de certificerende instelling ontvangen klachten, bezwaren en beroepen. Ook wordt ingegaan op veranderingen en knelpunten die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan. Deze informatie heeft de Minister van BZK nodig om de werking van het certificeringsstelsel te monitoren. Ook kan deze informatie gebruikt worden voor het toezicht op het stelsel. Dit toezicht is onder andere geconcretiseerd in de bevoegdheid van de Minister van BZK om certificerende instellingen aan te wijzen en om die aanwijzingen te schorsen of in te trekken wanneer de certificerende instelling zich niet houdt aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de aanwijzing of aan de regels zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling bouwbesluit 2012 middels de onderhavige ministeriële regeling.

In het verslag dat de certificerende instelling jaarlijks aan de Minister stuurt doet de certificerende instelling ook verslag van het aantal meldingen van (bijna-)ongevallen en de maatregelen die daarbij zijn getroffen om het gevaar weg te nemen. Dit is bepaald in artikel 1.39, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012. In de onderhavige regeling is aanvullend hierop bepaald dat over elke melding de gemeten concentratie koolmonoxide en een beschrijving van de ruimte waar deze is gemeten wordt gemeld. Hiermee wordt een betrouwbaar beeld verkregen van het aantal (bijna-)ongevallen en het effect van het wettelijk stelsel. De Minister informeert de Tweede Kamer over het aantal (bijna-)ongevallen en hoe daarmee is omgegaan. Uiteraard wordt daarbij gehandeld binnen de kaders van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

1.5Meldplicht (bijna-)ongevallen

In artikel 1.38 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld vanaf welke concentratie koolmonoxide in een ruimte waarin zich personen kunnen bevinden sprake is van een verhoogde concentratie waarover terstond melding dient te worden gemaakt aan de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificerende instelling. Voor het vaststellen van de waarde is een analyse gemaakt van de waarden zoals in regelgeving en literatuur genoemd en in de praktijk toegepast. Het betreft hier de NEN 8025 van het Nederlands Normalisatie Instituut, de Europese richtlijn voor werknemers (2017/164), de Arbeidsomstandighedenregeling 3 , en waarden zoals genoemd en gehanteerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) 4 , de World Health Organisation (hierna: WHO) 5 en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) 6. NEN spreekt bij een gemeten waarde van 25 ppm over een verhoogde concentratie waarbij ernstig bezwaar bestaat tegen het in bedrijf stellen van een installatie dan wel waarbij een installatie buiten werking zou moeten worden gesteld. Ook de GGD en het RIVM geven aan dat bij een waarde van 25 ppm sprake is van een risicosituatie en dat snel ingrijpen noodzakelijk is. De WHO gaat uit van 26 ppm. In genoemde Europese richtlijn voor werknemers en de Arbeidsomstandighedenregeling ligt deze waarde lager. Daarin wordt uitgegaan van 20 ppm. Om de veiligheid van consumenten en andere gebruikers zo goed mogelijk te borgen is in onderhavige regeling aangesloten bij de concentratie van 20 ppm zoals gehanteerd in de Europese richtlijn voor werknemers (2017/164) en in de Arbeidsomstandighedenregeling.

Afbeelding

3 Implementatie van Richtlijn (EU) 2017/164.

4 Rapport 609300009/2009 met verwijzing naar waarden WHO en Gezondheidsraad.

5 Zie advies Gezondheidsraad ‘Gezondheidsrisico’s door lage concentraties koolmonoxide’ d.d. 10 juli 2019.

6 GGD-richtlijn medische milieukunde: koolmonoxide in woon- en verblijfsruimten (RIVM rapport 609330006/2008).

1.6Vaststellen waarde in bedrijf stellen

Op grond van artikel 1.37, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de inhoud van certificatieschema’s. Het betreft hier onder andere regels met betrekking tot de maximale hoeveelheid koolmonoxide die na uitgevoerde werkzaamheden in de opstellingsruimte van het toestel aanwezig mag zijn en regels met betrekking tot de concentratie koolmonoxide die in de verbrandingsgassen van het toestel aanwezig mag zijn

1.6.1.Maximale concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel

De Minister van BZK heeft de Tweede Kamer op 3 december 2019 7, in reactie op het advies van de Gezondheidsraad ‘Gezondheidsrisico’s door lage concentraties koolmonoxide’ van 10 juli 2019, aangegeven ook eisen te stellen aan de maximale hoeveelheid koolmonoxide die na uitgevoerde werkzaamheden in de opstellingsruimte van het toestel vrij mag komen en daarbij ook de advieswaar den van de WHO te zullen betrekken. De WHO geeft aan dat er al gezondheidsrisico’s ontstaan bij een concentratie koolmonoxide van 6 ppm (voor de duur van 24 uur). De in de praktijk bij de inspectie van technische installaties in woningen toegepaste norm NEN 8025 gaat uit van een waarde van 5 ppm. Voor de vaststelling van de waarde waarbij een installateur een gasverbrandingsinstallatie na uitgevoerde werkzaamheden (opnieuw) in bedrijf mag stellen is in de onderhavige regeling aangesloten bij de door NEN gehanteerde waarde van 5 ppm. Bij een waarde van 5 ppm en hoger mag de installateur de installatie niet in bedrijf stellen.

Afbeelding

7 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/12/03/kamerbrief-inzake-advies- gezondheidsraad-gezondheidsrisicos-door-lage-concentraties-koolmonoxide.

1.6.2.Maximale concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel

Vanuit de sector is aangegeven dat behalve de hoeveelheid koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel ook de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel een belangrijke en betrouwbare indicatie is voor de veilige werking van het toestel. Meting van de hoeveelheid koolmonoxide in de verbrandingsgassen vindt plaats in de verbrandingsgasafvoer en in geval van open toestellen zonder afvoer direct boven het toestel. Voor het bepalen van de kritische concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel is aangesloten bij de typen toestellen en waarden die hiervoor in de norm NEN 8025 zijn opgenomen. Deze zijn ontleend aan NEN-EN 1749.

Onderstaande tabel is ter informatie overgenomen uit NEN 8025

Afbeelding
1.7Verenigingen van Eigenaren

Woningen in appartementencomplexen of flatgebouwen met meerdere eigenaren zijn vaak voorzien van een gemeenschappelijke rookgasafvoer waarop per appartement een cv-ketel of andere gasverbrandingstoestel is aangesloten. De gemeenschappelijke rookgasafvoer is dan gemeenschappelijk eigendom van de eigenaren en het individuele gasverbrandingstoestel is in eigendom bij de individuele VvE-leden zelf. Dit ’gescheiden’ eigendom vraagt extra aandacht van de individuele eigenaren en de VvE bij opdrachten aan installateurs voor het plaatsen en onderhouden van gasverbrandingsinstallaties en afstemming hierover in de VvE. Om het bewustzijn hierover binnen de VvE te vergroten is door het Ministerie van BZK voor eigenaar-bewoners van appartementen een infoblad opgesteld en voor VvE-besturen, VvE-beheerders en woningverhuurders een uitgebreidere handreiking. 8

8 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2017/02/02/handreiking-en-infoblad-gemeenschappelijke-rookgasafvoeren.

1.8Openbaar register

In artikel 1.40 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die in het openbaar register worden opgenomen. Op grond van voornoemd artikel bevat het register de aangewezen certificerende instellingen en certificatieschema’s en informatie over certificaathouders. De informatie over de aangewezen certificerende instellingen is van belang zodat het voor (installatie)bedrijven duidelijk is bij welke certificerende instelling zij een certificaat kunnen aanvragen. De informatie over gecertificeerde (installatie)bedrijven is voor particulieren, bedrijven en overheden van belang om snel en eenvoudig te kunnen vaststellen welke bedrijven beschikken over een geldig certificaat om werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties uit te voeren. In het register zullen alleen de noodzakelijke gegevens worden opgenomen. Van gecertificeerde bedrijven wordt geregistreerd voor welk certificatieschema en welke werkzaamheden ze zijn gecertificeerd, onder welk nummer het bedrijf is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en wanneer het certificaat is verleend, ingetrokken of geschorst. Ook de geldigheidsduur van het certificaat wordt opgenomen. In het geval van schorsing wordt ook de termijn van schorsing opgenomen. Op basis van vrijwilligheid kan ook de vestigingsplaats worden opgenomen.

1.9Beeldmerk

In artikel 1.41 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat gecertificeerde bedrijven verplicht zijn een bij ministeriële regeling vastgesteld beeldmerk te voeren en dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over het gebruik van het beeldmerk. Het voor het wettelijk stelsel in afstemming met de sector ontwikkelde beeldmerk betreft een doorontwikkeling van het beeldmerk zoals dat eerder door de sector voor OK CV is ontwikkeld. Omwille van de herkenbaarheid in de markt moeten alle in het kader van het wettelijk stelsel gecertificeerde bedrijven dit beeldmerk voeren. Met dit beeldmerk kunnen zij zich als gecertificeerd bedrijf legitimeren bij hun klanten. Dit beeldmerk dient door deze bedrijven op alle uitingen van het bedrijf die betrekking hebben op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties te worden gevoerd, zoals op briefpapier, offertes, website, de bedrijfswagen en andere vormen waarmee het bedrijf zich als in het kader van dit wettelijk stelsel gecertificeerd bedrijf legitimeert.

De Staat kan, als merkhouder, optreden tegen misbruik van het beeldmerk, bijvoorbeeld wanneer een niet gecertificeerd bedrijf het beeldmerk voert.

2.Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving

In het bovenliggende wijzigingsbesluit (Stb. 2020 348) zijn de wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 eveneens verwerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit. Deze drie besluiten zijn de opvolgers van het Bouwbesluit 2012 onder het stelsel van de Omgevingswet. De wijzigingen in die drie besluiten treden in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. De wijzigingen die met de onderhavige regeling worden aangebracht in de Regeling Bouwbesluit 2012, worden onder het stelsel van de Omgevingswet in de Omgevingsregeling opgenomen. De wijzigingen in de Omgevingsregeling worden niet in de onderhavige regeling, maar in een aparte wijzigingsregeling verwerkt. Hierbij is het uitgangspunt dat de wijzigingen uit de onderhavige regeling neutraal en technisch worden omgezet en opgenomen in de Omgevingsregeling.

s.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000683510, tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 inzake de bepalingsmethode voor het geluidsniveau van buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, Stcrt. 2020, 62676
1.Inhoud van de regeling

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, Stcrt. 2020, 62676, worden nadere voorschriften gesteld voor de bepalingsmethode van het geluidsniveau van buiten opgestelde installaties voor warmte- en koudeopwekking. Deze wijzigingen houden verband met de wijziging van het Bouwbesluit 2012 1, waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen voor nieuw te plaatsen installaties voor warmte-en koudeopwekking in de buitenruimte. In het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) is het geluidsniveau bepaald waarvan sprake mag zijn op de perceelgrens met een ander (bouwwerk)perceel of op de te openen deuren of ramen op hetzelfde perceel. In de Regeling Bouwbesluit 2012 is vervolgens opgenomen hoe het geluidsniveau van de installaties bepaald moet worden.

1 Stb. 2020, 189 (Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbe-teren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen)

Het vaststellen van het geluidsniveau gebeurt aan de hand van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (hierna: HMRI), genoemd in artikel 3.8, tweede lid, en artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Hierbij wordt uitgegaan van de HMRI 1999 (internetuitgave 2004) en de afwijkende of aanvullende de bepalingsvoorschriften opgenomen in deze wijziging.

Bij het opstellen van de bepalingsmethode is gebruik gemaakt van het LBPsight-rapport ‘Meetmethode geluid van buiten opgestelde installatie voor warmte- of koudeopwekking’ 2.

2 Te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/09/23/meetmethode-geluid-van-buiten-opgestelde-installaties-voor-warmte--of-koudeopwekking

De wettelijke bepalingsmethode is een meting op locatie, zoals gebruikelijk is bij geluidseisen in de bouw- en milieuregelgeving. Dat de wettelijke bepalingsmethode een meetmethode op locatie is, betekent overigens niet dat bij buiten opgestelde installaties daadwerkelijk moet worden gemeten. In de praktijk kan namelijk op basis van akoestische berekeningen of praktijkrichtlijnen aannemelijk worden gemaakt dat voldaan zal worden aan de geluidseis. Dit wordt nu ook al gedaan bij andere geluidseisen uit het Bouwbesluit 2012 en de milieuregelgeving. Naast de wettelijke meetmethode laat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) in overleg met de installatie-sector een praktische rekentool hiervoor maken. Deze rekentool zal aansluiten bij de rekentool die thans al in Duitsland wordt gehanteerd en waarvoor de leveranciers van installaties al de benodigde productinformatie hebben.

Verhouding tot ander recht

Deze wijzigingsregeling houdt verband met de bovenliggende wijziging van het Bouwbesluit 2012 3. Qua inhoud en voorziene inwerkingtreding zijn de wijzigingen daarom op elkaar afgestemd. Daarnaast zal onderhavige wijzigingsregeling ook effect hebben op de Omgevingsregeling 4; de regeling op basis van de Omgevingswet die de Regeling Bouwbesluit 2012 in de toekomst zal vervangen. De bepalingsmethode voor het geluidniveau van installaties voor warmte- en koudeopwekking zal ook worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Dit wordt gedaan door middel van een losse wijzigingsregeling waarin ook andere wijzigingen van de Omgevingsregeling, gerelateerd aan de bouwregelgeving, zijn opgenomen.

3 Stb. 2020, 189 (Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen)

4 Stb. 2019, 56288

Uitvoering en handhaving

De geluidseisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 gelden als er buitenshuis een nieuwe installatie voor warmte- of koudeopwekking wordt geplaatst. Het vervangen van een bestaande installatie valt daar ook onder. Deze regels in het Bouwbesluit 2012, en dus de regels over het bepalen van het geluidsniveau, gelden voor een ieder die de installatie wil (laten) plaatsen. De bestuursrechtelijke handhaving van de regels is belegd bij de gemeente. Het is primair aan de initiatiefnemer om zich er van te vergewissen dat voldaan wordt aan geluidseisen voorafgaande aan de ingebruikneming. Als de installatie (of het bouwwerk waarvan de installatie deel uit maakt) bouwvergunningplichtig is, zal richting bevoegd gezag aannemelijk moeten worden gemaakt dat voldaan wordt aan de geluidseisen. Zoals in paragaaf 1 van de toelichting van de wijzigingsregeling is aangegeven kan dit met de in deze wijzigingsregeling gegeven bepalingsmethode (die een meetmethode op locatie is) of met akoestische berekeningen of praktijkrichtlijnen. Bij vergunning- plichtige bouw is daarmee altijd sprake van een rapportage die ter beoordeling wordt voorgelegd aan de gemeente. Hoewel het publiekrechtelijk niet verplicht is, ligt in de rede dat initiatiefnemers ook bij niet-vergunningplichtige installaties een rapportage (laten) opstellen om zich er zelf van te verzekeren dat wordt voldaan aan de geluidseisen. Bij toezicht of handhaving achteraf door de gemeente, kan zo’n rapportage door de initiatiefnemer worden ingebracht. Ook kan de gemeente zelf achteraf metingen of berekeningen uitvoeren. Het is aan gemeenten invulling te geven aan dit toezicht en handhaving. Dit geldt ook voor de behandeling van klachten of verzoeken tot handhaven van bijvoorbeeld buren. De gemeente (College van Burgemeester en Wethouders) kan bij overtreding van de regels handhaven door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.

t.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000742896 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en twee andere regelingen in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800, Stcrt. 2020, 66972

Sinds de publicatie van de NTA 8800 in juli 2020 en de vaststelling van de BRL’en 9500 en 9501 in november 2019 is er bij de verdere uitwerking en testen van de rekensoftware, en bij de ervaringen met de praktijktest en eerste ervaringen met rekenen vanuit de markt, nog een aantal kleine omissies en interpretatiezaken aan het licht gekomen die verwerkt zijn in interpretatie- en wijzigingsdocumenten. Deze zaken zijn volgens een vooraf overeengekomen procedure en in afstemming met de Projectgroep NTA 8800 en Programmaraad stelsel energieprestatie nu verwerkt in een wijzigingsblad A1 bij de NTA 8800 en wijzigingsbladen van 15 december 2020 bij de BRL’en 9500 en 9501. Zoals al aangegeven betreft het slechts kleine omissies en interpretaties die geen wezenlijk effect hebben op het in juli 2020 vastgestelde stelsel, maar zijn gerepareerd om enkele geconstateerde onduidelijkheden en kleine omissies weg te nemen.

Het betreft bijvoorbeeld het verduidelijken van de term actieve koeling, het eenduidiger vastleggen van allocatieregels bij warmtenetten met meerdere warmteleveranciers en een nuancering bij de bepaling van de zontoetreding bij toepassing van binnenzonwering. Bij de BRL’en 9500-U en 9500-W gaat het met name om het verwijzen naar de meest actuele versie van de opnameprotocollen en NTA 8800 en het verduidelijken van de definities woning en utiliteitsgebouw, alsmede het opnemen van enkele verduidelijkingen bij bijvoorbeeld de projectregistratie en het invoegen van een extra paragraaf onder de kop ‘externe kwaliteitsborging’ in verband met de door de Raad van Accreditatie vereiste aansluiting van de gebruikte terminologie bij ISO17000:2020. Ook bij de BRL 9501 gaat voornamelijk om enkele wijzigingen in verband met de door de Raad van Accreditatie vereiste aansluiting van de gebruikte terminologie bij ISO17000:2020, namelijk een toegevoegde paragraaf bij de procedure voor het verkrijgen van het attest alsmede een toegevoegde paragraaf onder de kop ‘externe kwaliteitsborging’.

De onderhavige regeling wijst nieuwe wijzigingsbladen aan bij de al eerder in de regelgeving opgenomen bepalingsmethode en beoordelingsrichtlijnen 5. De beoordelingsrichtlijnen van 15 april 2020 betreffen dezelfde beoordelingsrichtlijnen die eerder aangeduid werden als de beoordelingsrichtlijnen van 28 november 2019. Voortaan wordt niet langer de datum van vaststelling door het Centraal College van Deskundigen van stichting InstallQ genoemd in de verwijzing, maar de datum van bindendverklaring. Tussen de datum van vaststelling en de datum van bindendverklaring kunnen nog wijzigingen in de beoordelingsrichtlijnen plaatsvinden. Dat verklaart de nieuwe datum in de verwijzingen. Voor de wijzigingsbladen geldt dat deze de wijzigingsbladen van 1 juli 2020 vervangen.

5 Zie daarvoor Stcrt. 2020, 57490 en Stcrt. 2020, 37764

u.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020, nr. 2020-0000740184, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe versie van een aantal normen en enkele andere wijzigingen, Stcrt. 2020, 66974

Met deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, Stcrt.2020 66974, is van een aantal in het Bouwbesluit 2012 aangestuurde NEN-normen en NEN-EN-normen een nieuwe versie van toepassing verklaard of is een correctie van de aansturing doorgevoerd. Hiermee is zeker gesteld dat bij de toepassing van die normen gebruik kan worden gemaakt van de laatste versie. Ook is een enkele norm die niet meer in het Bouwbesluit 2012 wordt aangestuurd, vervallen. Verder is artikel 2.3 over het zelfsluitend zijn van deuren vervallen omdat dit onderwerp voortaan in artikel 6.26 van het Bouwbesluit 2012 is geregeld [Stb. 2020, 189]. Voorts zijn de nadere voorschriften bij NEN EN 1997-1 bij verbouw en bestaande bouw vervallen. Met deze regeling vindt ook een beperkte aanpassing plaats in de voorschriften voor certificatieschema’s bij het stelsel voor certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Daarnaast is een verduidelijking aangebracht in bijlage VII bij de Regeling Bouwbesluit 2012 en is het ten onrechte vervallen van een zinsnede in artikel 3.3a van de Regeling bouwbesluit 2012 hersteld.

v.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 februari 2021, nr. 2021-0000069476 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een overgangsregeling voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 7104
1.Inleiding

Per 1 januari 2021 is de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen in werking getreden, NTA 8800 [Stcrt. 2020, 57490]. Een energieadviseur moet vakbekwaam zijn om met deze methode te mogen werken en opnames en registraties te mogen doen ten behoeve van de BENG- berekening en het energielabel. Om het bewijs van vakbekwaamheid te behalen moeten verschillende examenmodules met goed gevolg worden afgelegd. Deze examenmodules worden aangeboden door CITO en ’t Examenpark. Sinds de lockdown van 16 december 2020 in verband met de COVID-19 pandemie (en verlenging hiervan op 12 januari en 2 februari 2021) is tot en met minimaal 2 maart 2021 fysiek examineren bij de exameninstellingen niet mogelijk.

Tijdens een lockdown is in verband met de strikte coronamaatregelen uitsluitend thuisexaminering mogelijk om adviseurs hun bewijs van vakbekwaamheid te laten behalen. Een deel van de modules, te weten de software- en casusmodules, kan echter niet op korte termijn digitaal worden afgenomen met thuisexaminering. Hierdoor kan het aantal adviseurs dat het bewijs van vakbekwaamheid heeft behaald voor de nieuwe bepalingsmethode niet verder groeien. Enkel met een overgangsregeling waarbij het behalen van het software examen niet vereist is, kan een persoon die wel al de modules voor het doen van de opname heeft behaald aan het werk. Dit zorgt er tegelijkertijd voor dat de focus gelegd kan worden op het ontwikkelen van een casusmodule voor thuisexaminering, waardoor deze sneller beschikbaar kan zijn.

Het mogen opnemen van de energieprestatie door personen die werkzaam zijn voor een certificaat- houder, nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald, maar wel aantoonbaar in staat zijn deze opname te doen, was al toegestaan onder de overgangsregeling van december 2020 [Stcrt. 2020, 66972]. In de onderhavige regeling is bepaald dat deze personen tot 1 juli 2021 (gelijk aan de einddatum van voornoemde overgangsregeling) ook de registratie van de energieprestatie voor energielabels mogen doen. Daarnaast is op gelijke wijze in de Regeling Bouwbesluit 2012 geregeld dat personen die werkzaam zijn voor een certificaathouder, of een bedrijf dat een certificaat heeft aangevraagd, die nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald, maar wel aantoonbaar in staat zijn deze opname te doen, BENG-berekeningen mogen maken en registreren. Met het tijdelijk niet vereisen van het behaald hebben van de software-modules komen er meer adviseurs beschikbaar, ongeacht een eventuele extra verlenging van de lockdown. De kwaliteit van de geregistreerde energieprestatieberekeningen en energielabels wordt geborgd middels het voorschrijven van aanvullende controles door de certificaathouder op de eerste twee registraties gedaan door personen die gebruik maken van deze overgangsregeling.

w.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 juni 2021, nr. 2021-0000319006 tot wijziging van de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 in verband met een verlenging van de overgangsregelingen voor de vakbekwaamheid van energieadviseurs voor BRL 9500-W en 9500-U, Stcrt. 2021, 32830
IAlgemeen deel

Met deze wijzigingsregeling zijn bestaande overgangsregelingen1 in de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Bouwbesluit 2012 verlengd met vier maanden.

Van de circa 1.100 energieadviseurs eind mei 2021 maakten nog circa 150 energieadviseurs gebruik van de overgangsregeling. Gezien de krapte aan vakbekwame energieadviseurs is het belangrijk dat deze adviseurs aan het werk kunnen blijven. Zij krijgen met deze verlenging vier maanden extra de tijd om het examen voor de software module te behalen om ook na 1 november 2021 aan het werk te kunnen blijven.

De inhoud van de overgangsregelingen wijzigt met de onderhavige regeling niet, zij worden alleen verlengd. De overgangsregeling in de Regeling energieprestatie gebouwen houdt in dat personen die werkzaam zijn voor een certificaathouder, en nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald, maar wel aantoonbaar in staat zijn deze opname te doen, de opname en registratie van de energieprestatie ten behoeve van energielabels mogen doen. Op grond van de overgangsregeling in deze regeling mogen personen die werkzaam zijn voor een certificaathouder, of een bedrijf dat een certificaat heeft aangevraagd, en die nog niet het bewijs van vakbekwaamheid hebben behaald, maar wel aantoonbaar in staat zijn deze opname te doen, BENG-berekeningen maken en registreren. Adviseurs zijn hiertoe aantoonbaar in staat wanneer zij alle examenmodules hebben behaald die voor het opnemen van de energieprestatie voor het van toepassing zijnde deelgebied en basis- of detailniveau vereist zijn. De software modules (W4b, W4d, U4b, U4d) zijn niet vereist2.

Bij een controle door de certificerende instelling op de vakbekwaamheid moet door de certificaathouder bewijs van het behalen van de vereiste examenmodules kunnen worden overlegd. Om de energieprestatie in EP-online te kunnen registreren moet de vakbekwaamheid worden aangegeven. Omdat voor een persoon die gebruikmaakt van de overgangsregeling hier nog geen sprake van is dient bij het aanvinken van de vakbekwaamheid de lettertoevoeging ‘O’ (voor overgangsregeling) achter het examennummer worden geplaatst. Wanneer het bewijs van vakbekwaamheid wordt behaald kan de adviseur deze lettertoevoeging weer verwijderen.

Om de kwaliteit van de geregistreerde energielabels te waarborgen is in de overgangsregelingen voorgeschreven dat de certificaathouder aanvullend in ieder geval de eerste twee geregistreerde energieprestaties controleert van een persoon die gebruik maakt van de overgangsregeling. Met ‘aanvullend’ wordt tot uitdrukking gebracht dat het gaat om extra controles, dus bovenop de interne audits die op grond van paragraaf 6.1 van BRL 9500-W en BRL 9500-U moeten worden uitgevoerd. Het gaat om een beoordeling van het dossier in verband met een correcte registratie, en niet om een beoordeling op locatie. Wanneer de kwaliteit van een geregistreerde energieprestatie onvoldoende is zal de certificaathouder dit vroeg constateren en laten herstellen. Op grond van paragraaf 6.1 van BRL 9500-W en BRL 9500-U dient de registratie in het geval van een kritieke afwijking opnieuw gedaan te worden en vindt een extra controle plaats. Het verdient aanbeveling dat deze controle plaatsvindt op de eerstvolgende registratie die de persoon werkzaam onder de overgangsregeling doet. De certificaathouder kan er aanvullend voor kiezen om deze rapporten door de certificerende instelling te laten controleren. De certificaathouder blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit. De certificaathouder legt de resultaten van de controle vast ten behoeve van de certificerende instelling.

1 Stcrt. 2020, 66972 en Stcrt. 2021, 7104.

2 Een overzicht van de benodigde examenmodules is door ISSO gepubliceerd op https://isso.nl/kennis/ep.

x.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236
IAlgemeen deel
1.Inleiding

Deze wijziging van de Regeling bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling (hierna: deze regeling) vormt een nadere uitwerking van het Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84). Voornoemd wijzigingsbesluit betreft de implementatie van de herziene richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen (Richtlijn (EU) 2018/2010 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 ter wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75)). Deze herziene richtlijn (hierna ook: EPBDIII) bevat in artikel 15, eerste lid, een verplichting voor lidstaten om de nodige maatregelen te treffen voor het instellen van regelmatige keuringen van de toegankelijke delen van airconditioningsystemen of gecombineerde airconditionings- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW. 1 2 De keuring omvat een beoordeling van het rendement en de dimensionering van het airconditioningsysteem ten opzichte van de koelingsbehoeften van het gebouw. Hierbij wordt rekening gehouden met het vermogen van het systeem en het optimaliseren van prestaties onder typische of gemiddelde werkingsomstandigheden. Een verslag van de keuring met aanbevelingen dient overhandigd te worden aan de eigenaar of huurder. Ook dient diegene die de keuring verricht deskundig en onafhankelijk te werk te gaan. De uitwerking van de keuringsmethodiek en de eisen voor de keuringsdeskundige gebeurt bij ministeriële regeling, waarvan deze regeling het voortvloeisel is. 3

1 artikelen 6.60 en 6.62 Bouwbesluit 2012 en artikelen 6.37 en 6.27a Besluit bouwwerken leefomgeving.

2 Wanneer er in het gebouw een gebouwautomatiserings- en controlesysteem (hierna: GACs) aanwezig is dat voldoet aan de eisen, dan vervalt de keuringsplicht voor zowel de verwarmings- als de airconditioningsinstallatie. Dat geldt ook als het gebouw deel uitmaakt van een energieprestatiecontract dat voldoet aan de eisen.

3 Voor de uitwerking van de beroeps- en kwalificatie-eisen voor de verwarmingskeuringsdeskundigen, zodat deze voldoen aan de EPBDIII-verplichtingen, is een SCIOS-certificeringsregeling aangewezen. Dit maakt daarom geen onderdeel uit van onderhavige wijzigingsregeling.

2.Hoofdlijnen van de regeling
2.1Keuring airconditioningsystemen en gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen

De EPBDIII is op 10 maart 2020 in werking getreden in Nederland. De keuringsverplichtingen voor airconditioningsystemen zijn hierin herzien. Voor de periode van 10 maart 2020 tot en met 10 maart 2022 geldt echter overgangsrecht 1 waarbinnen de oude keuringsmethodiek nog gebruikt mag worden. Hier is voor gekozen, omdat de voorbereidingstijd voor de nieuwe methodiek relatief kort was met het oog op goede uitvoering. Het was namelijk niet mogelijk om opleidingen, examens en praktische middelen voor de uitvoering van keuringen tijdig aan te passen.

In 2020 heeft een adviescommissie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geadviseerd over de benodigde aanpassingen van de keuringsmethodiek en de deskundigheidseisen, zodat wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de EPBDIII. De adviescommissie bestaat uit een brede werkgroep met daarin vertegenwoordigers van De Nederlandse Verwarmingsindustrie, NVKL branchevereniging luchtbehandeling en koudetechniek, Techniek Nederland en VLA / Binnenklimaat Nederland, Hogeschool Aeres en het Rijksvastgoedbedrijf. De Minister heeft hun advies overgenomen en neemt de benodigde aanpassingen op in de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling via onderhavige wijziging. De keuringsmethodiek en de deskundigheidseisen zijn op drie elementen aangepast. Allereerst zijn ze uitgebreid zodat ook gecombineerde ventilatiesystemen hieronder vallen. Ten tweede zijn ze uitgebreid zodat het verwarmingsdeel van gecombineerde verwarmings- en airconditioningssystemen hieronder valt. Ten slotte is de beschrijving in bijlage IV bij de Regeling Bouwbesluit 2012 verduidelijkt en vereenvoudigd. Dit komt de uitvoering van keuringen ten goede.

In Bijlage IV bij de Regeling Bouwbesluit 2012 zijn de aanpassingen van de keuringsmethodiek en de deskundigheidseisen verwerkt. De bijlage bevat een inspectielijst en een advieslijst. De inspectielijst geeft aan hoe de keuring inhoudelijk vormgegeven moet worden en welke aspecten van een airconditioningssystemen in de keuring bekeken moeten worden. De advieslijst geeft aan welke adviezen gegeven moeten worden aan de eigenaar of gebruiker van het systeem wanneer de inspectie laat zien dat het systeem niet optimaal functioneert.

Tot slot beoogt onderhavige wijzigingsregeling eventuele onduidelijkheid over de afbakening tussen de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen weg te nemen. Systemen waarbij een installatie met een warmtepomp zowel ruimteverwarming- als koeling verzorgt, vallen onder het keuringsregime van airconditioningssystemen en gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen. Systemen waarbij een ventilatiesysteem gecombineerd is met zowel een verwarmingssysteem als een airconditioningsysteem, worden alleen gekeurd volgens het keuringsregime van airconditioningssystemen en gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen.

1 Zie artikel 6.37a van het Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84).

2.2Examens

In onderhavige regeling zijn de beroeps- en kwalificatie-eisen van de deskundigen aangepast zodat deze aansluiten op de gewijzigde keuringsmethodiek. Dit betekent allereerst dat de exameneisen voor de diploma’s EPBD-A en EPBD-B zijn gewijzigd in bijlage V bij de Regeling Bouwbesluit 2012. Het examen EPBD-A diploma richt zich vooral op praktische handelingen, controles en bevindingen. Het examen EPBD-B richt zich op theoretische beoordelingen, analyses en bevindingen. De voornaamste wijzigingen van de exameneisen betreffen de bepaling van het nominaal vermogen op systeemniveau, de beoordeling van onderhoud, regelingen en elementen van het ventilatiesysteem en regelingen en elementen van het systeem bedoeld voor verwarming bij gecombineerde systemen.

2.3Diploma's

Voor deskundigen in het bezit van een recent verlopen EPBD-A en/of EPBD-B diploma wordt het mogelijk gemaakt met een bijscholingsexamen een nieuw diploma te verkrijgen. Wanneer het diploma niet meer dan twee jaar verlopen is kan dit op dezelfde manier als voor een nog geldig diploma. Het EPBD-A en/of EPBD-B diploma is vervolgens weer vijf jaar geldig vanaf het moment dat het examen is behaald. Gebouweigenaren of huurders hadden al de mogelijkheid om een overzicht te verkrijgen van geregistreerde deskundigen met een geldig diploma EPBD-A en/of EPBD-B diploma. Zo kunnen gebouweigenaren of huurders controleren of een keurmeester bevoegd is om de keuring van het airconditioningsysteem of het gecombineerde airconditioning- en ventilatiesysteem uit te voeren. Om de toegankelijkheid van keuringen te vergroten wordt deze lijst nu ook regelmatig gepubliceerd op internet.

3Verhouding tot hoger en ander recht

De onderhavige regeling vormt een uitwerking van het Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84). Voorgenoemd wijzigingsbesluit betreft de implementatie van de herziene richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen (Richtlijn (EU) 2018/2010 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 ter wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 156/75)). De onderhavige regeling wijzigt de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling. De wijzigingen van de Omgevingsregeling zullen in werking treden op het moment dat de Omgevingswet in werking zal treden.

4Overgangsrecht en inwerkingtreding

Voorliggende regeling betreft een implementatie van een richtlijn welke uiterlijk op 10 maart 2022 in werking moet treden, op grond van het eerder vastgestelde Besluit van 4 maart 2020, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (Stb. 2020, 84). Deze regeling wijzigt de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling. Artikel I van deze regeling zal op 10 maart 2022 in werking treden. Op het tijdstip dat de Omgevingsregeling in werking zal treden, zal artikel II van deze regeling in werking treden.

y.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2021, nr. 2021-0000022871, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Omgevingsregeling inzake de uitwerking van de toe te passen methodiek en deskundigheidseisen voor airconditioningskeuringsdeskundigen, Stcrt, 2021, 48236

Inleiding

Deze wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 vormt de nadere uitwerking van het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie (Stb. 2021, 658) (hierna ook: het wijzigingsbesluit). Het wijzigingsbesluit betreft implementatie van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PbEU 2018, L 382)). Deze herziene richtlijn (hierna ook: REDII) bevat in artikel 15, vierde lid, een verplichting voor lidstaten om een hoeveelheid hernieuwbare energie voor te schrijven bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie. Voor nieuwbouw is dit geïmplementeerd met het Besluit van 13 december 2019, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501), ofwel Besluit BENG. Op grond van dat besluit geldt vanaf 1 januari 2021 een eis voor een minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie. Voor ingrijpende renovatie is de verplichting geïmplementeerd met het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie (Stb. 2021, 658), waarvan deze regeling de uitwerking betreft.

Hoofdlijnen van de regeling

Leidraad

In de onderhavige wijzigingsregeling is de ‘Leidraad eis hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie’ aangewezen. Deze leidraad beoogt het werken met de eis en de uitzonderingen in de praktijk te vereenvoudigen voor betrokken partijen zoals het bevoegd gezag, projectontwikkelaars, architecten, bouwkundige adviseurs en energieadviseurs of (bouwtechnische) vastgoedbeheerders en gebouweigenaren. Inhoudelijk biedt de leidraad een praktisch stappenplan voor de partijen die te maken krijgen met de eis. Aan de hand van een stroomschema wordt geïllustreerd wanneer de eis van toepassing is. Hierin zijn verwijzingen opgenomen per onderdeel naar de betreffende toelichting in de leidraad. Daarnaast worden de uitzonderingssituaties nader toegelicht waarbij de leidraad fungeert als aangewezen middel om aan te tonen of er sprake is van een uitzonderingssituatie. Ten slotte worden veelvoorkomende situaties nader uitgelegd aan de hand van een aantal praktische voorbeelden.

Verhouding tot hoger en ander recht

De onderhavige regeling vormt uitwerking van artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012, zoals dat luidt na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, het Besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie. De uitwerking van artikel 5.20 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zoals dat luidt na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Dit gebeurt middels een aparte ministeriële regeling.

Inwerkingtreding

De regeling treedt gelijktijdig in werking met de wijzigingen in het Bouwbesluit 2012, opgenomen in het wijzigingsbesluit (het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie (Stb. 2021, 658)). Voorliggende regeling betreft een implementatie van een richtlijn welke uiterlijk op 30 juni 2021 geïmplementeerd dient te zijn in nationale regelgeving. In verband hiermee wordt afgeweken van de minimuminvoeringstermijn en de vaste verandermomenten.

z.Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 24 februari 2022, nr. 2022-0000078435, houdende wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 en de Regeling omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van de actuele versie van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken, Stcrt. 2022, 6293
IAlgemeen deel
1.Inleiding

De Bepalingsmethode milieuprestatie gebouwen en GWW-werken (hierna: de Bepalingsmethode) wordt gebruikt voor de berekening van de milieuprestatie van bouwwerken. In artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012 is de wettelijke eis opgenomen waaraan bouwwerken moeten voldoen wat betreft de milieuprestatie. In artikel 3.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012 is vastgesteld op welke manier deze milieuprestatie moet worden berekend. Met deze wijziging is de nieuwe versie van de Bepalingsmethode aangewezen in de Regeling Bouwbesluit 2012 voor de toepassing van artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012.De milieuprestatie wordt ingezet om de milieueffecten van het materiaalgebruik bij de bouw te verminderen, momenteel van nieuwe woningen, woongebouwen en kantoren. Een verlaging van de milieudruk van het materiaalgebruik in een gebouw leidt tot een betere milieuprestatie. De aanvrager van een vergunning voor het bouwen zal met een berekening moeten kunnen aantonen dat de streefwaarde voor de milieuprestatie, zoals gesteld in het Bouwbesluit 2012, niet wordt overschreden. Met de voorliggende wijziging is ook de Regeling omgevingsrecht aangepast. De Bepalingsmethode wordt namelijk ook toegepast op grond van artikel 2.2, vierde lid, onder b, van de Regeling omgevingsrecht bij de aanvraag van vergunningen voor een bouwactiviteit. Deze bepaling schrijft voor dat ten behoeve van toetsing aan het Bouwbesluit 2012 gegevens en bescheiden dienen te worden aangeleverd over de milieubelasting van het gebouw door de toe te passen materialen, bepaald volgens de Bepalingsmethode. Door deze wijziging wordt ook in dit artikel de nieuwe versie van de Bepalingsmethode aangewezen, zodat de juiste versie zal worden gebruikt bij de aanvraag van vergunningen voor een bouwactiviteit. De meest recente aanpassing van de Bepalingsmethode heeft twee doelen:

  • Verlaging van de milieudruk van bouwwerken door het stimuleren van de toepassing van circulaire maatregelen;
  • Actualisering van de Bepalingsmethode aan nieuwe inzichten met betrekking tot de berekening van de milieu-impact van bouwwerken. De wijziging geeft uitvoering aan de beleidsvoornemens die genoemd zijn in de brief van 19 oktober 2019 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer. De Bepalingsmethode wordt beheerd door de onafhankelijke stichting Nationale Milieu Database (hierna: stichting NMD). Het bestuur van de stichting NMD stelt de Bepalingsmethode vast, waarna deze wordt aangewezen in de regelgeving. In dit proces worden de belanghebbende partijen (opdrachtgevers, ontwerpers en adviseurs, leveranciers en bouwers) intensief betrokken.
2.Inhoudelijke wijzigingen van de Bepalingsmethode

In de genoemde wijziging van de Bepalingsmethode zitten maatregelen die leiden tot de bevordering van verlaging van de milieudruk van bouwproducten en bouwwerkinstallaties en een betere zichtbaarheid van circulaire maatregelen. De onderhavige aanwijzing maakt het mogelijk om het effect van hergebruikte producten en materialen op de milieubelasting van een bouwwerk zichtbaar te maken. Met name partijen die sterk inzetten op circulaire maatregelen voor de beperking van de milieudruk van bouwwerken worden hiermee ondersteund. In het kort is de Bepalingsmethode als volgt gewijzigd:

a.Bepalingsmethode, versie 1.0 (juli 2020): actualisatie van de Bepalingsmethode door het volgen van een wijziging van de EN15804 en enkele regels in de Bepalingsmethode die het gebruik van grondstoffen beschrijven om de circulaire maatregelen zichtbaar te kunnen maken in de gegevens-uitvoer;
b.Wijzigingsblad van 1 oktober 2020 bij de Bepalingsmethode: regels voor de berekening van de milieueffecten van hergebruik binnen de milieuprestatie en verwijzing naar een richtlijn voor bepaling van een specifieke gebouwlevensduur anders dan de forfaitaire levensduur;
c.Wijzigingsblad van 1 februari 2021 bij de Bepalingsmethode: aanpassing van enkele achterliggende bestanden in de Milieudatabase zelf, zodat meer soorten milieudata van bouwproducten kunnen worden opgenomen in de Milieudatabase;
d.Wijzigingsblad van 1 oktober 2021 bij de Bepalingsmethode: actualiseren en verduidelijken van enkele administratieve regels en definities.
3.Gevolgen van de wijzigingen voor de milieuprestatie

Ad a) actualisatie van de Bepalingsmethode vanwege wijziging EN15804 en wijziging enkele regels

De actualisatie van de Bepalingsmethode vanwege de wijziging van de EN 15804 heeft betrekking op de wijze waarop leveranciers van bouwproducten hun informatie doorgeven aan de stichting NMD1. Dit heeft geen gevolgen voor de milieuprestatie van een bouwwerk. De wijziging van enkele regels heeft betrekking op de gegevensuitvoer bij een berekening met de Bepalingsmethode. Met deze wijziging kan naast de milieuprestatie van een bouwwerk ook zichtbaar worden gemaakt bij welke materialen en producten in een bouwwerk sprake is van hergebruik van secundaire grondstoffen. Dit heeft geen gevolgen voor de milieuprestatie van een bouwwerk.

Ad b) berekening van de milieueffecten van hergebruik en verlenging levensduur

De wettelijke streefwaarde voor de milieuprestatie kan worden gerealiseerd met maatregelenpakketten waarbij gebruik wordt gemaakt van de forfaitaire levensduur van het gebouw en zonder scenario’s voor maatregelen voor hergebruik van gebouwelementen na sloop2. De wettelijke streefwaarde is de milieuprestatie die een bouwwerk moet behalen. De milieuprestatie wordt berekend met behulp van de Bepalingsmethode. In deze berekening wordt de omvang van de effecten van een 11-tal milieucategorieën berekend (zoals klimaateffect, uitputting primaire grondstoffen en afvalproductie) voor het materiaalgebruik. Deze worden gewogen opgeteld en omgerekend naar m2 gebruiksoppervlakte tot één getal voor de integrale milieuprestatie. Dat is de milieuprestatie van het bouwwerk. Met de wettelijke streefwaarde worden de schadelijke milieueffecten van het materiaalgebruik bij nieuwbouw verminderd. In het wijzigingsblad is uitgewerkt hoe hergebruik een plek heeft gekregen binnen de milieuprestatie. De uitvoerder van een berekening van de milieuprestatie kan hiermee hergebruik specifieker invullen, waarmee een accuratere berekening kan worden gemaakt van de milieuprestatie van het bouwwerk, bij hergebruik van bouwmaterialen en -producten. Voor de gebouwlevensduur wordt in de nieuwe versie van de Bepalingsmethode verwezen naar een richtlijn voor de bepaling van een specifieke gebouwlevensduur, als men af wil wijken van de forfaitaire levensduur3. Een verlenging van de levensduur van het gebouw kan leiden tot een verbetering van de milieuprestatie van een gebouw, maar nooit tot een verslechtering. Een bouwer die met de nu beschikbare materialen en bouwmethoden aan de milieuprestatie-eis wil voldoen kan dit realiseren. Voor een bouwer die juist een stap duurzamer wil bouwen dan de wettelijke eis, geeft deze wijziging meer mogelijkheden om de extra milieuprestatie van zijn bovenwettelijke inspanningen zichtbaar te krijgen in de berekende milieuprestatie. De wijziging kan leiden tot een verschuiving in de toepassing naar materialen en bouwmethoden die leiden tot een langere gebouwlevensduur en grotere toepassing van hergebruik na sloop.

Ad c) aanpassing achterliggende databestanden

Deze maatregel is gericht op de stichting NMD. De databestanden in de Milieudatabase worden centraal door de stichting NMD beheerd en worden doorgegeven aan de rekensoftware. De aanpassing heeft geen invloed op de milieuprestatie van een bouwwerk.

Ad d) actualiseren en verduidelijken van enkele administratieve regels, definities

Dit heeft geen gevolgen voor de milieuprestatie van een bouwwerk.

1 De EN15804 is een Europese norm voor het maken van de levenscyclusanalyse van bouwmaterialen en -producten die gebruikt wordt in de Bepalingsmethode. De Bepalingsmethode volgt de EN15804 in het kader van Europese uniformiteit.

2 De wettelijke streefwaarde is neergelegd in artikel 5.9 van het Bouwbesluit 2012 en in artikel 4.159 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Meer informatie over de milieuprestatie is te vinden op de website van de stichting NMD, https://milieudatabase.nl/.

3 Onderzoek ‘Richtlijn specifieke gebouwlevensduur’; bedoeld voor toepassing bij de milieuprestatieberekening; W/E adviseurs; Utrecht, december 2020, https://milieudatabase.nl/wp-content/uploads/2021/03/Onderzoeksrapport-Richtlijn-specifieke-gebouwlevensduur-december-2020.pdf.

4.Inwerkingtreding

De wijzigingsregeling treedt in werking met ingang van 1 april 2022. Dat is in overeenstemming met het systeem van de vaste verandermomenten. De wijzigingen zijn deels al geruime tijd geleden vastgesteld door de stichting NMD. Dat betekent dat partijen in de bouwsector bij in voorbereiding zijnde bouwwerken al met deze wijzigingen werken. Om die reden wordt belang gehecht aan een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van artikel I en II van de wijzigingsregeling waar de berekening van de wettelijke milieuprestatie in wordt gewijzigd. Bij deze wijzigingsregeling is er deels rekening gehouden met de formele voorbereidingstijd voor het bouwbedrijfsleven, maar niet met de volle twee maanden vanaf de vaststelling van deze regeling. Er wordt in dat verband op gewezen dat de regeling met de notificatie openbaar is gemaakt en partijen dus vanaf dat moment kennis hebben kunnen nemen van de regeling.

aa.Regeling van de de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 april 2022, nr. 2022-0000156915] tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, de Regeling energieprestatie gebouwen en de Regeling Omgevingsrecht in verband met het aanwijzen van geactualiseerde versies van BRL 9500, BRL 9501 en NTA 8800
IAlgemeen deel
1.Inleiding

Op 1 januari 2021 is de energieprestatiebepalingsmethode NTA 88001 in werking getreden. Sinds die datum gelden ook nieuwe versies van de beoordelingsrichtlijnen 9500-U, 9500-W en 9501. De BRL 9500-U en 9500-W betreffen nationale beoordelingsrichtlijnen waarin certificatieschema’s zijn beschreven die worden gehanteerd door elke certificatie-instelling die daarvoor door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd binnen het Stelsel Energieprestatie Gebouwen (hierna: Stelsel EPG). Het betreft één beoordelingsrichtlijn voor utiliteitsgebouwen (BRL 9500-U) en één voor woningen en woongebouwen (9500-W). De BRL 9501 bevat de methoden voor het berekenen van het energiegebruik van gebouwen. De onderhavige regeling wijst een nieuwe versie aan van de al eerder in de regelgeving opgenomen bepalingsmethode NTA 8800 en nieuwe wijzigingsbladen bij de eerder in de regelgeving opgenomen versies van beoordelingsrichtlijnen.

Sinds de publicatie van NTA 8800:2020+A1:2020 en de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2021, evenals het bindend verklaren van de BRL-en 9500-W, 9500-U en 9501 in april 2020, is er bij de verdere uitwerking en testen van de rekensoftware, en de ervaringen vanuit de markt, een aantal omissies en interpretatiezaken aan het licht gekomen die verwerkt zijn in interpretatie- en wijzigingsdocumenten. Daarnaast zijn, op verzoek van de markt, een aantal inhoudelijke wijzigingen aangebracht op onderwerpen waarvoor, sinds de totstandkoming van NTA 8800, nieuwe inzichten zijn verkregen of ten aanzien van nieuwe technieken die zich hebben bewezen. De inhoudelijke wijzigingen betreffen bijvoorbeeld het verduidelijken van de definitie van kleine warmtenetten, het opnemen van ‘vrije koeling’ als hernieuwbare energie en het nauwkeurig mogen berekenen van de leidinglengte bij woningbouw.

Deze omissies, interpretaties en nieuwe zaken zijn volgens een vooraf overeengekomen procedure en in afstemming met de Projectgroep NTA 8800 en de Programmaraad Stelsel Energieprestatie Gebouwen (hierna: Programmaraad) nu verwerkt in NTA 8800:2022, en in nieuwe wijzigingsbladen bij de BRL-en 9500-W, 9500-U en 9501.

De wijzigingen die verwerkt zijn in NTA 8800:2022 hebben geen of een zeer klein effect op de BENG2 -eisen, TOjuli-eis3 en de labelklassengrenzen van het Stelsel EPG. In het geval een klein effect is geconstateerd is het belang van deze aanpassing afgewogen in het kader van het stimuleren en toestaan van innovaties en nieuwe technieken.

De nieuwe versie van NTA 8800 werkt door in de verschillende beoordelingsrichtlijnen waardoor nieuwe wijzigingsbladen worden vastgesteld. Bij de BRL-en 9500-U en 9500-W gaat het met name om het verwijzen naar de meest actuele versie van de opnameprotocollen en NTA 8800 en het verhelderen van zaken in de BRL die in de praktijk discussie opriepen. In de opnameprotocollen zijn de aanpassingen doorgevoerd die voortvloeien uit de nieuwe versie van NTA 8800. Bij de BRL 9501 gaat het voornamelijk om het toevoegen van een aantal rekentesten waaraan de software moet voldoen.

1 Versie NTA 8800:2020+A1:2020.

2 Bijna energieneutrale gebouwen’; Stb. 2019, 501 en Stcrt. 2020, 37764.

3 TOjuli betreft de waarde voor risico op oververhitting in woningen.

ab.Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 april 2022 tot wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012, houdende nadere regels inzake kwaliteitsborging voor het bouwen, Stcrt. 2022, 10958
IAlgemeen deel
1.Inhoud

Deze regeling is een uitwerking van het Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: het Besluit) en wijzigt de Regeling Bouwbesluit 2012 (hierna Rb). In deze regeling wordt uitwerking gegeven aan:

  • de opleiding, kennis en ervaring van de kwaliteitsborger;
  • de administratieve organisatie van de kwaliteitsborger:
  • de bewaarplicht van de kwaliteitsborger van relevante gegevens en bescheiden;
  • de informatie die de kwaliteitsborger dient te verstrekken aan de instrumentaanbieder;
  • het formulier voor de verklaring van de kwaliteitsborger;
  • de verdeelsleutel voor de jaarlijkse bijdrage per instrumentaanbieder in de toezichtkosten.
In deze regeling is de nadere uitwerking opgenomen die nodig is met het oog op de voorbereiding op de invoering van het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen. Het gaat hierbij om de artikelen die de toelatingsorganisatie nodig heeft om met haar voorbereidende werkzaamheden te beginnen. Het is de bedoeling dat het gehele stelsel voor kwaliteitsborging voor het bouwen op 1 januari 2023 in werking treedt, gelijktijdig met de Omgevingswet. Voor een algemene toelichting kan worden verwezen naar hoofdstuk 1 van de nota van toelichting bij het Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen.
Uw gekozen filters:

Type

Gebruiksfuncties