Bouwbesluit Online 2012


Artikel 1.37 Aanwijzing certificatieschema’s

In het eerste lid is geregeld dat de Minister op aanvraag certificatieschema’s kan aanwijzen. Hierbij toetst de minister of het schema voldoet aan de eisen die gesteld worden bij en krachtens dit besluit. Op de aanvraag wordt binnen een termijn van acht weken beslist. Ook hierbij is een uitzondering gemaakt op de lex silencio positivo en zal een expliciet besluit moeten worden genomen op de aanvraag (zie toelichting bij artikel 1.36).

In het tweede lid zijn enkele inhoudelijke eisen voorgeschreven die certificatieschema’s in elk geval moeten bevatten om te kunnen worden aangewezen. Deze eisen worden gesteld met het oog op het voorkomen van vrijkomen van koolmonoxide. Een certificatieschema moet in ieder geval eisen bevatten met betrekking tot de in onderdelen a tot en met h genoemde aspecten. Om zo direct mogelijk aan te sluiten bij de werkzaamheden zoals die in de praktijk plaatsvinden, is het binnen het stelsel mogelijk om specifieke schema’s op te stellen voor bijvoorbeeld nieuwbouw, verbouw, renovatie en voor ZZP-ers en andere kleine bedrijven. Ook is er binnen het stelsel de mogelijkheid voor specifieke regelingen, bijvoorbeeld voor de aanleg van of werkzaamheden aan (collectieve) rookgasafvoeren. Ook voor deze specifieke regelingen – die dus niet alle mogelijke werkzaamheden onder het wettelijke stelsel omvatten – geldt dat na inwerkingtreding van de verbodsbepaling een certificaat nodig is om deze werkzaamheden te mogen uitvoeren. Mede om deze reden wordt voorgeschreven dat het certificatieschema eisen bevat met betrekking tot de reikwijdte van de werkzaamheden waarop het betrekking heeft. Hoewel certificatieschema’s betrekking kunnen hebben op specifieke werkzaamheden, moet altijd aandacht zijn voor de veiligheid van de gehele verbrandingsinstallatie, dat willen zeggen de afstemming tussen het verbrandingstoestel, rookgasafvoer en toevoer van verbrandingslucht. Een certificatieschema moet er daarom op toezien dat bij de werkzaamheden en controles altijd aandacht is voor rookgasafvoer en toevoer van verbrandingslucht, ook als de uitgevoerde werkzaamheden hier zelf geen betrekking op hebben. In onderdeel c is daarom geregeld dat in het certificatieschema de adequate controle van de gasverbrandingsinstallatie, voordat deze (opnieuw) in bedrijf wordt gesteld, wordt geborgd.

De kwaliteit van de uit te voeren controles is in hoge mate afhankelijk van de vakbekwaamheid van de individuele medewerker. In onderdeel d is daarom geregeld dat een certificatieschema eisen bevat voor de vakbekwaamheid van de persoon die de controle voor inbedrijfsstelling uitvoert, als bedoeld in artikel 1.35, tweede lid, onderdeel d. De vakbekwaamheidseisen zullen verder worden uitgewerkt bij ministeriële regeling. Voor de duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat een certificatieschema niet alleen kan worden opgesteld voor het uitvoeren van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 1.35, tweede lid, onderdeel d. Uiteindelijk gaat het om procescertificering waarbij altijd sprake is van een goede borging van de werkzaamheden zelf als van de eindcontrole daarop. De vakbekwame persoon hoeft niet in dienst te zijn van het gecertificeerde bedrijf, maar zal altijd moeten werken onder het certificaat van het gecertificeerde bedrijf.

In het derde lid is een uitzondering opgenomen voor de specifieke situatie dat een certificatieschema alleen ziet op werkzaamheden aan rookgasafvoervoorzieningen of verbrandingsluchttoevoervoorzieningen. Het gaat daarbij uitdrukkelijk niet om werkzaamheden aan het gasverbrandingstoestel zelf, ook niet het loskoppelen en weer aansluiten van de rookgasafvoer of luchttoevoer aan het gasverbrandingstoestel. Voor deze situatie, waarbij het bedrijf dat de specifieke werkzaamheden uitvoert ook gecertificeerd dient te zijn, zijn de in het tweede lid, onderdeel d, genoemde vakbekwaamheidseisen en de in het tweede lid, onderdeel e, genoemde melding van inbedrijfstelling niet van toepassing. Daarnaast kunnen de in het tweede lid, onderdeel c, genoemde controlewerkzaamheden dan beperkt blijven tot controle van de rookgasafvoer of verbrandingsluchttoevoervoorziening en de aansluiting daarvan op de andere onderdelen van de gasverbrandingsinstallatie. Ook in de situatie dat nog geen gasverbrandingstoestel is aangesloten dienen in het certificatieschema van deze specifieke regeling controlewerkzaamheden aan de rookgasafvoer en de luchttoevoervoorzieningen te worden opgenomen.

Het certificatieschema dient ook eisen te stellen over het toezicht door de CBI op de certificaathouder. Dit wordt geregeld in het vierde lid . In het kader van procescertificering dient een CBI de werkzaamheden van een certificaathouder namelijk te controleren. Om te bepalen of een certificaathouder voldoet en blijft voldoen aan de eisen en voorwaarden voor het afgeven van het certificaat, zal de certificerende instelling gedurende de geldigheidsduur van het certificaat dit periodiek controleren. De inhoud en frequentie van die steekproefcontroles dient te zijn geregeld in het certificatieschema (onderdelen b en c). Deze controle mag zich niet beperken tot een administratieve controle, maar dient ook een steekproefsgewijze controle van het uitgevoerde werk te omvatten. De steekproefcontrole dient een representatief beeld te geven van de kwaliteit van het uitgevoerde werk, per bedrijf en per medewerker. Een certificatieschema zal daarom moeten voorzien in een werkwijze (onderdeel a) waarop onder andere de meldingen van uitgevoerde werkzaamheden, zoals bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, door de certificerende instellingen worden verwerkt.

In het kader van de administratieve audits wordt gecontroleerd op het (proces van) beoordelen door het bedrijf van de vakbekwaamheid van medewerkers die de controle en inbedrijfstelling doen. Behalve een overzicht van gecertificeerde bedrijven dient de certificerende instelling steeds een actueel inzicht te hebben in de onder het verleende certificaat werkende medewerkers. Dat is nodig om bij inspecties op het werk te kunnen vaststellen of de desbetreffende medewerker bevoegd is om de werkzaamheden uit te voeren. Indien dit noodzakelijk is voor de uitvoerbaarheid van deze verplichting, kan de branche op eigen initiatief een register inrichten van vakbekwame personen. Dit register dient vanzelfsprekend te voldoen aan de normen van de AVG. Als een dergelijk register toegankelijk is voor de certificerende instelling, kan daarmee aan voornoemde verplichting tot bekendheid met de onder het certificaat werkende medewerkers worden voldaan. Uiteraard moet de kwalificatie wel voldoen aan de wettelijke eisen en blijft het installatiebedrijf uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor de vakbekwaamheid van de in te zetten medewerkers.

Tot slot zal het certificatieschema eisen moeten bevatten over het intrekken of schorsen van een certificaat indien de houder daarvan in surseance van betaling verkeert of failliet is verklaard (onderdeel e). Dit is in de regel al vastgelegd in de reglementen van CBI’s, maar wordt niettemin hier voorgeschreven als een in regelgeving vastgelegde randvoorwaarde, mede om verschillen tussen CBI’s op dit punt te voorkomen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat een aanvraag van een certificaat in een dergelijke situatie afgewezen moet worden.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de (aanvraag van) aanwijzing van certificatieschema’s en de inhoud van de schema’s (vijfde lid). Deze nadere regels verschaffen duidelijkheid over onder meer de procedure van een aanwijzing en de specifiekere eisen die gesteld kunnen worden aan de vakbekwaamheid van de installateur.

Uw gekozen filters:

Type

Gebruiksfuncties